Kroniek Gezags- en omgangsrecht FJR 2014-21.3

In deze kroniek worden uitspraken besproken met betrekking tot het gezags- en omgangsrecht. Veel op www.rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraken binnen dit gebied gingen over de vervangende toestemming voor verhuizing. Een onderwerp waarover kennelijk veel geprocedeerd wordt. Er waren echter ook andere gezags- en omgangsgeschillen.

De behandelde uitspraken zijn voorzien van een FJR-vindplaats (bijv. FJR 2014/21.3 ), waardoor online de uitspraak ook beschikbaar komt.

Gezags- en omgangsrecht

De eerste uitspraak, gewezen op 1 augustus 2013 door de Rechtbank Gelderland ( ECLI:NL:RBGEL:2013:5721 ) ( FJR 2014/21.1 ), heeft betrekking op een verzoek tot verkrijgen van vervangende toestemming voor een medische behandeling van een dochter van partijen. De voorzieningenrechter overweegt dat door de vader is erkend dat de dochter darmproblemen heeft. Op grond van de overgelegde medische stukken leidt de voorzieningenrechter voorshands af dat het gaat om een ernstig en aanhoudend probleem. Gelet op genoemde medische stukken is voorshands evenmin aannemelijk dat de problemen door een ander eet- en drinkpatroon volledig of grotendeels kunnen worden opgelost. Voorshands moet derhalve worden aangenomen dat medisch ingrijpen noodzakelijk is. De behandelend medisch specialist kinderarts heeft colonspoelen geadviseerd. Er bestaat geen reden om te twijfelen dat het gaat om een ter zake kundig advies, zodat dit in beginsel kan worden gevolgd. Dat zou anders kunnen zijn wanneer aannemelijk is dat de behandeling schadelijk voor de dochter is of zou kunnen zijn, doch dat is niet gesteld en evenmin gebleken. Door de vader is wel gesteld dat de behandeling te belastend zou zijn voor de dochter. Hij heeft echter niet betwist dat, zoals de moeder heeft gesteld, hij en de moeder de behandeling zelf thuis kunnen verrichten. Het verzoek van de moeder wordt dan ook toegewezen.

Voor een aantal andere uitspraken op dit vlak wordt verwezen naar de Kroniek Gezondheidsrecht ( FJR 2013/58 afl. 5, meer in het bijzonder FJR 2013/61 ). Spoedeisendheid kan meebrengen dat niet voor de gebruikelijke route van art. 1:253a BW, welke route overigens ook een bepaalde snelheid kan garanderen (zie in dit verband bijvoorbeeld artikel 5.2 van het Procesreglement gezag en omgang, Stcrt. 2004, 58, laatstelijk gewijzigd op 1 april 2013, waaruit een verkorte oproeptermijn blijkt), maar voor de voorzieningenrechter wordt gekozen. Het beslissingskader voor een voorzieningenrechter verschilt niet van het beslissingskader dat geldt voor de familierechter. Ook een voorzieningenrechter zal eerst moeten onderzoeken of een vergelijk mogelijk is en vervolgens moeten beoordelen wat in het belang van het kind is. Wie stelt, die bewijst en uit deze casus blijkt maar weer hoe belangrijk en doorslaggevend een verklaring van een medisch deskundige kan zijn.

Een ander gezagsgeschil dat vaak voorkomt is de procedure tot verkrijging van vervangende toestemming voor afgifte van een paspoort voor een kind. De Paspoortwet regelt dit soort kwesties ( artikel 34 Paspoortwet e.v.) en verzoeken hierop gebaseerd worden vaak toegewezen. In de uitspraak van het Hof Amsterdam van 12 november 2013 ( ECLI:NL:GHAMS:2013:4740 ) ( FJR 2014/21.2 ) werd een dergelijk verzoek afgewezen.

Partijen zijn in 2001 in de Dominicaanse Republiek gehuwd. Hun huwelijk is in 2009 in Nederland ontbonden. De zoon is in 1996 geboren, woont bij zijn grootmoeder in de Dominicaanse Republiek en heeft de Nederlandse en Dominicaanse nationaliteit. Zowel de man als het kind hebben al jarenlang geen contact meer met de vrouw. Beide ouders hebben wel het gezamenlijk gezag over hun kind. De man verzoekt hem vervangende toestemming te verlenen tot afgifte van een Nederlands paspoort aan het kind. Het hof oordeelt dat de gewone verblijfplaats van het kind is gelegen in de Dominicaanse Republiek. Op grond van artikel 5 Rv heeft de Nederlandse rechter in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid geen rechtsmacht indien het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft, tenzij hij zich in een uitzonderlijk geval, wegens de verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen. De rechtbank heeft in de beschikking overwogen dat in het onderhavige geval geen sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in voormeld artikel, omdat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om de zaak verbonden te achten met de Nederlandse rechtssfeer.

De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat de man zelf niet of nauwelijks Nederlands spreekt, dat het kind nooit in Nederland is geweest, dat zij geen Nederlands spreekt en verstaat, dat zij inmiddels meer dan vijftien jaar in de Dominicaanse Republiek woont en dat er geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat het kind op enigerlei wijze met Nederland is verbonden anders dan haar nationaliteit. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank en overweegt dat de Nederlandse rechter in het onderhavige geval ook geen rechtsmacht toekomt op grond van artikel 5 Rv. Hetgeen de man in hoger beroep nog heeft aangevoerd, namelijk dat hij ten tijde van de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit op de Nederlandse Antillen woonde, waar het kind is geboren en enige tijd heeft gewoond, kan niet tot een ander oordeel leiden. Voorts dient het hof de vraag te beantwoorden of de Nederlandse rechter op grond van artikel 9 sub b Rv bevoegd is. Naar het oordeel van het hof heeft de man zowel in eerste aanleg als in hoger beroep nagelaten te onderbouwen dat een gerechtelijke procedure buiten Nederland onmogelijk is en dat de toegang tot het Dominicaans recht ontbreekt. De enkele stelling van de man in zijn appelschrift dat de barrières die te nemen zijn niet te voorzien zijn, is onvoldoende. Het bepaalde art. 9 Rv vormt derhalve evenmin een basis voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter.

Ook uit deze uitspraak blijkt hoezeer het van belang is te voldoen aan de stelplicht. Zowel de rechtbank als het hof vinden kennelijk dat het verzoek tot vervangende toestemming voor afgifte van een paspoort aan een kind met de Nederlandse nationaliteit onvoldoende verbonden is met de Nederlandse rechtssfeer, waar je overigens ook anders over kan denken. Immers, je hebt de Nederlandse nationaliteit en dan is er toch per definitie verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer als het gaat om de afgifte van een paspoort? Als alleen wordt gekeken naar de kern van het geschil, de uitoefening van het ouderlijk gezag over het kind, dan wordt verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer in deze casus minder snel aangenomen. Art. 9 sub b Rv is een vangnetbepaling indien de artikelen 2 tot en met 8 Rv niet tot rechtsmacht leiden. Dit forum necessitatis geeft een (mensen)recht op een rechterlijke beoordeling van een zaak, hetgeen ook toegang tot de Nederlandse rechter impliceert. Deze bepaling vloeit rechtstreeks voort uit art. 6 EVRM. In geval van beroep op art. 9 sub b Rv is niet vereist dat er sprake is van voldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer. In dit geval had verzoeker derhalve wellicht meer kunnen bereiken, indien er was aangetoond waarom het verkrijgen van een Nederlands paspoort noodzakelijk was (dat had dan wel tot rechtsmacht ex art. 3 sub c Rv kunnen leiden), dan wel, indien verzoeker meer informatie over de onmogelijkheden van een rechtsgang in de Dominicaanse republiek had verschaft.

Ook in de zaak van de Rechtbank Amsterdam d.d. 24 april 2013 ( ECLI:NL:RBAMS:2013:5977 ) ( FJR 2014/21.3 ) gaat het om een verzoek in het kader van de Paspoortwet, maar in dit geval is het verzoek gedaan door Bureau Jeugdzorg. Het kind is onder toezicht gesteld en woont in een pleeggezin. Bureau Jeugdzorg verzoekt om vervangende toestemming tot verlenging van het paspoort. De met het gezag belaste vader heeft geen geldig identiteitsbewijs, hetgeen in de weg staat aan het verlengen van het paspoort. Beide ouders zijn het eens met het verzoek. Mede gelet op artikel 3, eerste lid , IVRK is de kinderrechter van oordeel dat artikel 34, vierde lid en artikel 36, eerste lid , Paspoortwet aldus moeten worden gelezen dat de kinderrechter een verklaring van toestemming kan verstrekken, indien een gezaghebbende ouder buiten zijn wil om geen rechtsgeldige verklaring van toestemming kan overleggen ten behoeve van de aanvraag van een paspoort voor zijn onder toezicht gesteld kind jonger dan zestien jaar. De vervangende toestemming wordt dan ook verleend.

Wat betreft bevoegdheid en gezag kan verder nog worden gewezen op de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 1 oktober 2013 ( ECLI:NL:GHAMS:2013:3330 ) ( FJR 2014/21.4 ). Partijen hebben een relatie gehad waaruit een kind is geboren in Letland. De man heeft zijn dochter erkend. Het kind heeft van maart 2010 tot november 2012 in Nederland gewoond en woont inmiddels weer met haar moeder in Letland. De man heeft verzocht de ouders gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over haar. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen. De man is hiervan in hoger beroep gekomen en het hof ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het hof rechtsmacht toekomt. Op grond van het bepaalde in art. 8, leden 1 en 2 van Verordening (EG) nr. 2201/2003 (Brussel IIbis) zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaten op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, behoudens het bepaalde in art. 9 , 10 en 11 Brussel IIbis. Onder het begrip ouderlijke verantwoordelijkheid valt op grond van art. 1, lid 1 aanhef en onder b in verbinding met art. 1, lid 2 aanhef en onder a Brussel IIbis mede het gezagsrecht en het omgangsrecht. Het hof overweegt dat niet in geschil is dat het kind thans in Letland woont en dat de vrouw die het gezag over haar heeft op 14 november 2012 met haar naar Letland is vertrokken. Het kind is voorts in Letland geboren en heeft een Lets paspoort. Vaststaat voorts dat zij van maart 2010 tot 14 november 2012 in Nederland heeft gewoond. Naar het oordeel van het hof volgt uit het voorgaande dat het kind reeds op het moment van het indienen van het inleidend verzoekschrift duurzaam verblijf, en daarmee haar gewone verblijfplaats, in Letland had. Daar doet niet aan af dat het kind van maart 2010 t/m 14 november 2012 in Nederland heeft gewoond, ook niet als in aanmerking worden genomen de omstandigheden die de man met betrekking tot dat verblijf heeft aangevoerd: in Nederland op kinderdagverblijf gezeten, Nederlands is de primaire taal van minderjarige en in Nederland (para)medische zorg ontvangen. Nu voorts gesteld noch gebleken is dat een situatie zoals bedoeld in art. 9, 10 of 11 van Brussel IIbis voordoet, heeft de rechtbank zich terecht op grond van art. 8 lid 1 Brussel IIbis onbevoegd verklaard om van het verzoek van de man kennis te nemen. Anders dan de man betoogt, is het hof voorts met de rechtbank van oordeel dat aan de voorwaarden van artikel 12 lid 3 Brussel IIbis – op grond van welke bepaling de Nederlandse rechter alsnog rechtsmacht zou toekomen – niet is voldaan, reeds omdat geen sprake is van een uitdrukkelijke dan wel anderszins ondubbelzinnige aanvaarding door beide partijen van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten tijde van het inleidend verzoek.

Artikelen 9 , 10 en 12 Brussel IIbis zijn bevoegdheidsregels die voorrang genieten boven artikel 8 Brussel IIbis, waarin kort gezegd staat dat voor geschillen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid de gerechten van de lidstaat bevoegd zijn waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Artikel 9 Brussel IIbis gaat om gevallen waarin sprake is van een legale verhuizing naar een andere lidstaat. Onder een aantal voorwaarden kan een persoon die een omgangsrecht heeft met dat kind gedurende drie maanden na die verhuizing een wijziging vragen van het omgangsrecht in de oude lidstaat. Artikel 10 Brussel IIbis geeft een logische voorrangsregel in geval van kinderontvoering. De regeling in dit artikel komt overeen met artikel 7 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Artikel 12 Brussel IIbis gaat over prorogatie van rechtsmacht. Het artikel maakt een onderscheid tussen echtscheidingsprocedures en procedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. Dat laatste speelde in de onderhavige procedure. Er moet dan aan twee vereisten worden voldaan. Het kind moet een nauwe band met de staat hebben (onderdaan van die staat of ouder met gezag woont in die lidstaat) en bevoegdheid wordt door alle partijen bij de procedure aanvaard en door het belang van het kind gerechtvaardigd.

Zoals in de inleiding reeds is aangegeven, vormen binnen alle gezagszaken de hoofdmoot van de gepubliceerde uitspraken nog altijd de geschillen over de al dan niet vervangende toestemming om te mogen verhuizen. Hierover is reeds veel geschreven in noten, artikelen en er wordt op dit onderwerp zelfs gepromoveerd.

De Hoge Raad heeft zich op 4 oktober 2013 ( ECLI:NL:HR:2013:847 ) ( FJR 2014/21.5 ) ook over dit onderwerp uitgesproken, zij het over de vraag of het wettelijke uitgangpunt van gelijkwaardig ouderschap zich tegen het geven van vervangende toestemming om te verhuizen naar het buitenland verzet. De beschikking is besproken door prof. Nuytinck in Ars Aequi december 2013, blz. 929. Het hof had de moeder vervangende toestemming gegeven om met de kinderen naar Finland te verhuizen. Deze beslissing was, aldus de vader in cassatie, in strijd met het recht van de vader en de kinderen op gelijkwaardig ouderschap. De Hoge Raad overweegt dat de door de wetgever bij de invoering van art. 1:247, lid 4 BW tot uitgangspunt genomen gelijkwaardigheid van beide ouders en de wenselijkheid van een in beginsel gelijke verdeling van de zorg en opvoedingstaken na het uiteengaan van de ouders niet met zich meebrengt dat wanneer de ouders dienaangaande (na behoorlijk overleg) geen overeenstemming kunnen bereiken, de rechter bij zijn beslissing over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de verdeling van de zorg en opvoedingstaken het belang van de kinderen niet het zwaarst zou mogen laten wegen. Dat belang dient immers bij de afweging van belangen een overweging van de eerste orde te zijn (vergelijk HR 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7407 , NJ 2010/398 ). Hiermee strookt dat op het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap een uitzondering kan worden gemaakt – ook buiten het in art. 1:247, lid 5 BW voorziene geval van praktische belemmering – indien de rechter zulks in het belang van de kinderen acht. Het uitgangspunt van gelijkwaardigheid van de beide ouders en de wenselijkheid van een in beginsel gelijke verdeling van zorg- en opvoedingstaken verzet zich dan ook niet tegen een door de rechter op de voet van art. 1:253a BW in het belang van het kind te geven vervangende toestemming voor een verhuizing van de kinderen naar het buitenland met de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. Wel zal de rechter bij zijn beoordeling van een verzoek uit hoofde van art. 1:253 a BW erop moeten toezien dat ook in die situatie die na de verhuizing van het kind zal ontstaan, aan de hiervoor genoemde gelijkwaardigheid en de gelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zo veel mogelijk recht wordt gedaan. Het door de ouders op te stellen ouderschapsplan ( art. 1:247a BW in verbinding met art. 815 lid 2 Rv) dan wel de door de rechter vast te stellen ouderschapsregeling ( art. 815 lid 6 Rv) moet derhalve voorzien in een zorgverdeling die voor de situatie na de verhuizing van het kind naleving van het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap zo veel mogelijk waarborgt.

Kortom, gelijkwaardig ouderschap staat niet in de weg aan het geven van vervangende toestemming om te verhuizen en gelijkwaardig ouderschap betekent daarnaast nog altijd niet ook een recht op een gelijk aandeel in de zorg. In een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam is laatstgenoemd uitgangspunt nog eens bevestigd (11 juni 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4265 ). Ouderschap is gebaseerd op de relatie kind-ouder, niet op de relatie tussen ouders onderling (zie aantekening 4 bij art. 1:247, T&C Personen- en familierecht). Zie verder ook hetgeen de minister hierover heeft aangegeven, namelijk dat niet is beoogd de norm gelijkwaardig ouderschap in conflictsituaties uit te leggen als een verplicht co-ouderschap, als een 50%-50%-verdeling, een uitgangspunt waarop alleen ‘praktische belemmeringen’ een uitzondering zouden kunnen vormen. Afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval en de belangen van het kind zelf zal de rechter genoodzaakt kunnen zijn op verzoek een zorgregeling vast te stellen (MvA Kamerstukken I, 2007/08, 30 145, C, p. 2). Een belangrijk uitgangspunt in dit verband is en blijft wat ons betreft de wijze waarop ouders de zorgregeling tijdens hun samenzijn hebben vormgegeven. Die keuze is en blijft een belangrijk vertrekpunt voor de wijze waarop bij een geschil daarover de zorgregeling na beëindiging van dit samenzijn dient te worden bepaald. Wil één van de ouders dan een andere regeling, dan moet die aantonen dat de voorgestelde regeling zich beter verhoudt met het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap en dat de door hem of haar voorgestelde wijziging van de regeling in het belang van het kind is.

Vaste rechtspraak is dat bij een beslissing om al dan niet vervangende toestemming te geven om met een kind te verhuizen alle omstandigheden in acht worden genomen en alle betrokken belangen worden afgewogen, waaronder:

– Het recht en belang van de moeder en de vrijheid om haar leven opnieuw in te richten.– De noodzaak voor de moeder om te verhuizen.– De mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid.– De door de moeder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen en de vader te verzachten en of te compenseren.– De mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg.– De rechten van de vader en de kinderen op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving.– De verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg.– De frequentie van het contact tussen de kinderen en de vader voor en na de verhuizing.– De leeftijd van de kinderen en de mate waarin zij geworteld zijn in hun omgeving.

Hieronder volgt een kleine bloemlezing van een aantal uitspraken.

In de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 19 december 2013 ( ECLI:NL:GHSHE:2013:6104 ) ( FJR 2014/21.6 ) had de moeder een verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing met de kinderen gedaan naar een op circa 53 km afstand gelegen dorp. Tijdens de procedure in hoger beroep heeft de moeder wegens de verkoop van de echtelijke woning per 1 november 2013 met de kinderen tijdelijk haar intrek genomen bij haar partner die woont in plaats B, waarnaar de moeder naartoe wil verhuizen.

Naar het oordeel van het hof heeft de moeder voldoende aannemelijk gemaakt dat zij na levering van de echtelijke woning aan de koper genoodzaakt was gebruik te maken van de voor haar direct beschikbare woonruimte bij haar partner in plaats B. Of die noodzaak er ook was voor de kinderen, nu zij in plaats A op school bleven en de vader in plaats A woonachtig is, is niet duidelijk. Feit is dat zij de moeder zijn gevolgd naar plaats B.

Het hof stelt voorts vast dat partijen tijdens de procedure in eerste aanleg veelvuldig hebben gecommuniceerd over de wens van de moeder met de kinderen naar plaats B te verhuizen. Ook hebben zij tezamen een school bezocht in plaats C waar zoon 1 geplaatst zou kunnen worden. Ook voor zoon 2 heeft de moeder een geschikte school gevonden. Vader bestrijdt de geschiktheid van de gekozen school in plaats C niet. Vervolgens is onbetwist dat bij een verhuizing naar plaats B een schoolgang van de kinderen in plaats C de huidige zorgregeling niet langer uitvoerbaar is. De moeder heeft een alternatieve zorgregeling voorgesteld, die inhoudt dat de kinderen drie weekenden achtereen van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de vader zullen verblijven, gevolgd door een weekend bij de moeder. Vakanties en feestdagen zullen bij helfte worden gedeeld. Voorts heeft de moeder verklaard bereid te zijn de kinderen steeds te halen en te brengen.

Tot slot overweegt het hof dat de kinderen sinds enige tijd leven met het idee van een mogelijke verhuizing naar plaats B. Op dit moment wonen zij er feitelijk al en de omgeving is voor hen inmiddels vertrouwd terrein geworden. Het hof acht het aannemelijk dat de kinderen het prettig vinden om in plaats B te wonen waarbij niet ter zake doet of de kinderen in staat zijn om de gehele situatie te overzien. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de situatie van de moeder en de kinderen sinds de beoordeling door de rechtbank aanzienlijk is gewijzigd en de moeder alsnog voldoende zorgvuldig de verhuizing heeft voorbereid en voldoende alternatieven heeft geboden om de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen en de vader te verzachten dan wel te compenseren.

Opvallend in deze uitspraak is dat moeder eerst zonder toestemming van vader al was verhuisd en dus achteraf deze toestemming verkrijgt, hetgeen niet vaak voorkomt. Bijzondere omstandigheden hebben deze beslissing alsnog achteraf gevalideerd, zoals de concrete overmachtssituatie (de moeder moest vertrekken uit de echtelijke woning na verkoop en levering aan derden), de nadien door de moeder ondernomen pogingen en de wens van de kinderen.

In de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 november 2013 ( ECLI:NL:GHARL:2013:9124 ) ( FJR 2014/21.7 ) heeft de moeder geen vervangende toestemming gekregen voor een verhuizing. De moeder heeft in ernstige mate last van bekkeninstabiliteit en heeft tevens last van een chronisch pijnsyndroom, waarvoor zij intensieve revalidatie zal moeten volgen. Haar hulp in de huishouding die zij ontvangt vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning, zal worden teruggedraaid van 40 uur naar 18 uur in de week en dat is voor de moeder volstrekt onvoldoende. Zij zou eigenlijk voor haar fysieke klachten moeten worden opgenomen in een revalidatiekliniek om daar een intern programma te volgen. Dat is, aldus de moeder, niet mogelijk, omdat er onvoldoende opvang is en daarom wenst de moeder naar een andere gemeente te verhuizen waar zij op een sociaal netwerk kan terugvallen. Het betreft volgens de moeder de familieleden van de vader en een vriendin van de moeder. De vader heeft dit gemotiveerd betwist, onder meer stellende dat de kinderen bij hem kunnen verblijven gedurende de periode dat de moeder opgenomen wordt in een revalidatiekliniek. Hij is hiertoe ook in staat, aangezien hij volledig is afgekeurd en volledig beschikbaar voor de kinderen.

Het hof is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het vanwege de medische situatie van de moeder noodzakelijk is om met de kinderen naar een andere gemeente te verhuizen. De moeder geeft weliswaar aan dat zij op korte termijn nog maar 18 uur hulp in de huishouding zal krijgen vanuit de WMO, waardoor er geen tijd meer zou zijn voor huishoudelijke hulp in verband met de verzorging van de kinderen, doch zij heeft ter zitting geen afdoende verklaring kunnen geven waarom de vader de kinderen niet méér zou kunnen opvangen. De stelling van de moeder dat zij in dat geval vanuit de WMO nog minder uren aan hulp in de huishouding zal krijgen is naar het oordeel van het hof onvoldoende komen vast te staan. Hoewel het begrijpelijk is dat het de moeder wellicht zwaar valt om tekens een beroep op de vader te doen, verdient het naar het oordeel van het hof de voorkeur dat de kinderen door de ouders worden verzorgd, indien dit, zoals in dit geval, tot de mogelijkheden behoort. Het hof is van oordeel dat er daarenboven wel degelijk bezwaren zijn voor een verhuizing van de moeder met de kinderen naar een andere gemeente en noemt daartoe onder meer het gevolg dat de zorgtaken van de vader en daarmee de rol van de vader in het leven van de kinderen substantieel zal veranderen. Een verhuizing van de moeder met de kinderen naar een andere gemeente zal ertoe leiden dat de rol van de vader in het leven van de kinderen drastisch zal verminderen, waarbij gelet op de financiële situatie van de vader en de moeder ook het overbruggen van de reisafstand een belemmering vormt. In de tweede plaats vindt het hof de voorbereiding van de moeder voor een verhuizing naar een andere gemeente niet voldoende doordacht. De moeder heeft geen zelfstandige woonruimte in het vooruitzicht. Voorts heeft zij thans de zekerheid van professionele hulp vanuit de WMO.

Het lijkt erop dat hier het verzoek van de moeder afstuit op de noodzaak om te verhuizen. Eigenlijk ligt aan dit verzoek alleen het recht en belang van de moeder om te verhuizen ten grondslag en dat is kennelijk onvoldoende. Het recht om het land te verlaten om zich elders te vestigen is een grondrecht en is vastgelegd in verschillende verdragen, bijvoorbeeld in artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BuPo-verdrag):

“Artikel 12

1.

Eenieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, heeft binnen dit grondgebied, het recht zich vrijelijk te verplaatsen en er zijn verblijfplaats vrijelijk te kiezen.

2.

Eenieder heeft het recht welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten.

3.

De bovengenoemde rechten kunnen aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, nodig zijn ter bescherming van de nationale veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden of van de rechten en vrijheden van anderen en verenigbaar zijn met de andere in dit Verdrag erkende rechten.

4.

Aan niemand mag willekeurig het recht worden ontnomen naar zijn eigen land terug te keren.”

Het recht van moeders bij wie de kinderen hun hoofdverblijf hebben om zich vrijelijk te verplaatsen wordt feitelijk ontnomen door het recht van vaders en kinderen op contact met elkaar, dat de beperking van het derde lid vormt. Het is duidelijk dat het belang van het kind hier voorgaat, maar verrassend voor de justitiabelen is het wel en ook een breuk met het verleden. Immers, in de tijd van de toeziende voogdij speelde deze problematiek niet. Voor veel moeders komt het nieuws dat zij niet mogen verhuizen met de kinderen als een koude douche, maar zij zullen zich erbij moeten neerleggen dat het belang van het kind dit kan meebrengen. Gelukkig wordt hierop in vele ouderschapsplannen tegenwoordig gewezen.

Op 4 oktober 2013 deed het Hof Arnhem-Leeuwarden eveneens uitspraak in een verhuizingszaak ( ECLI:NL:GHARL:2013:7401 ) ( FJR 2014/21.8 ). De moeder vraagt vervangende toestemming voor verhuizing naar Duitsland. De moeder is een Duitse, de vader is een Canadees. Partijen zijn in Canada gehuwd, daar is in 2004 hun zoon geboren en zij hebben daar tot het voorjaar van 2010 gewoond. Toen hebben zij drie weken in Duitsland gewoond en vervolgens vanaf april 2010 in Nederland. De vader spreekt geen Nederlands, heeft geen binding met Nederland en de Nederlandse arbeidsmarkt en zal terugkeren naar Canada als de moeder naar Duitsland verhuist. Ook de moeder heeft geen binding met Nederland. Het kind zit hier op school en behaalt goede schoolresultaten.

Naar het oordeel van het hof heeft de moeder voldoende aannemelijk gemaakt dat zij belang heeft bij een verhuizing naar Duitsland. Zij is geboren en getogen in Duitsland en heeft in Duitsland haar opleiding afgerond. Voorts wonen haar moeder, haar broer met twee neven en haar vriendin en haar kinderen in de omgeving van Mainz. Het hof acht het, gelet op de stellingen van de moeder dienaangaande, voldoende aannemelijk dat zij een grotere binding heeft met Duitsland dan met Nederland en dat zij in Duitsland een ruimer sociaal netwerk heeft dan in Nederland, waar zij eerst vanaf 2010 woonachtig is. Uit de door de moeder overgelegde arbeidscontracten blijkt bovendien dat zij in Duitsland beter in staat is een dienstbetrekking te verkrijgen op haar niveau dan in Nederland, waar ruim 200 sollicitaties de afgelopen jaren nog niet hebben geleid tot een dienstverband op haar niveau. Door overlegging van het ‘Arbeitsvertrag’ heeft de moeder voldoende aannemelijk gemaakt dat zij in Duitsland per 1 oktober 2013 een arbeidsbetrekking als ‘Innenarchitekt’ heeft gevonden. Dat in het Arbeitsvertrag een proeftijd is opgenomen, doet hieraan niet af. Omdat de moeder in Nederland thans geen of in elk geval onvoldoende inkomsten heeft, dreigt uitzetting uit haar woning in Nederland. In Mainz heeft de moeder een passende woning gehuurd, dicht bij de eventueel toekomstige school van het kind en voor een lage kale huur van € 480,- per maand. Zij heeft door overlegging van het huurcontract en het onderhuurcontract tegenover de betwisting door de vader voldoende aannemelijk gemaakt dat zij die – thans – onderverhuurde woning op korte termijn kan betrekken, omdat zij de onderhuurder de huur kan opzeggen met een opzegtermijn van één maand.

Gezien het voorgaande en gezien haar achtergrond, acht het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat de moeder in Duitsland betere vooruitzichten heeft op een passende baan en op passende woonruimte dan in Nederland, waar de huur van haar woning € 975,- per maand bedraagt. De door de moeder te verwerven – hogere – inkomsten zullen mede ten goede komen aan het kind.

Tegenover het belang van de moeder bij een verhuizing naar Duitsland en het belang van het kind om met de moeder in gezinsverband te wonen, staat het belang van de vader en het kind bij regelmatige omgang met elkaar. Het hof stelt voorop dat voor de omgangsregeling tussen het kind en de vader een verhuizing naar Mainz een aanzienlijke verandering met zich meebrengt. Vaststaat dat de omgangsregeling tussen de vader en het kind bij beschikking voorlopige voorzieningen in december 2012 is vastgesteld en eerst sinds begin 2013 functioneert. Beide partijen hebben hun visie gegeven op de (on)mogelijkheden van een omgangsregeling, wanneer het kind naar Duitsland zou verhuizen. Met de vader is het hof van oordeel dat het kind recht heeft op omgang met hem. De moeder heeft verklaard de omgang tussen de vader en het kind niet in de weg te staan. Zij heeft voorgesteld de omgang om de twee weken in het weekend te laten plaatsvinden, waarbij het ene weekend het kind per vliegtuig van Frankfurt naar Amsterdam en terugreist en het andere weekend de vader naar Mainz kan reizen en hij omgang met het kind kan hebben in de woning van de moeder, waarbij de moeder niet in de woning aanwezig zal zijn. Dat een dergelijke omgang extra kosten en reistijd met zich brengt staat vast. De moeder heeft hiertoe aangeboden de helft van die kosten voor haar rekening te nemen. Wat betreft de reistijd is het hof van oordeel dat één keer per vier weken een weekend heen en weer reizen van Duitsland naar Nederland voor het kind niet zó belastend is dat dit niet van hem gevergd kan worden. Eenmaal per maand heen-en-weerreizen van Nederland naar Duitsland kan naar het oordeel van het hof ook van de vader gevergd worden: hij heeft geen werk en kan zijn eigen tijd indelen. Partijen kunnen in onderling overleg de duur van bepaalde omgangsweekeinden uitbreiden overeenkomstig het voorstel van de moeder en de frequentie verminderen, terwijl het kind en de vader evenveel contactdagen hebben maar er minder gereisd hoeft te worden. Ten slotte heeft de moeder voorgesteld dat het kind 60% van de schoolvakanties bij de vader zou kunnen doorbrengen, hetgeen tot gevolg kan hebben dat er minder omgangsweekenden per jaar zijn, minder reiskosten en minder reistijd. Indien de moeder met het kind naar Duitsland verhuist, heeft zij – conform haar eigen stellingen – meer inkomsten uit arbeid en zullen haar woonlasten dalen. Daaruit vloeit voort dat de moeder meer draagkracht zal hebben en een grotere bijdrage kan leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind, waardoor de vader meer financiële armslag krijgt, omdat hij niet langer de gehele bijdrage overeenkomstig de behoefte van het kind voor zijn rekening behoeft te nemen. Het hof gaat er dan ook van uit dat de moeder zich houdt aan haar toezegging mee te werken aan het tot stand brengen en onderhouden van contact tussen de vader en het kind, dat partijen dienaangaande afspraken zullen kunnen maken en dat de vader voldoende draagkracht heeft om de helft van de omgangskosten voor zijn rekening te nemen in het geval de moeder en het kind in Duitsland wonen. Temeer daar partijen thans ook in overleg tot een regeling zijn gekomen, gaat het hof voorbij aan de stelling van de vader dat hij geheel geen contact meer zal hebben met het kind wanneer hij met de moeder naar Duitsland verhuist. Dit geldt temeer, nu het met moderne communicatiemiddelen zoals e-mail, MSN en Skype eenvoudig mogelijk is zeer regelmatig contact tussen het kind en de vader tot stand te brengen.

Deze zaak laat zien dat er naast het recht en belang, ook een noodzaak aannemelijk is gemaakt en dat de moeder zorgvuldig een en ander heeft voorbereid. Ook speelt mee dat hier sprake is van een internationaal gezin, wat verhuizing wat normaler en gebruikelijker maakt.

Op 17 juli 2013 heeft de moeder van de Rechtbank Amsterdam ( ECLI:NL:RBAMS:2013:5983 ) ( FJR 2014/21.9 ) vervangende toestemming gekregen om met de zoon van partijen te verhuizen van Nederland naar de V.S. Doorslaggevend is het belang van het kind om in het gezin te blijven waar hij op dit moment verkeert, het feit dat de nieuwe partner van de moeder een baan in de V.S. krijgt, de vrouw is geboren en getogen in de V.S., één kind van de moeder reeds in de V.S. bij haar zus woont en de moeder zorgvuldig de verhuizing heeft voorbereid. Gelet op de omstandigheden komen de kosten van het vervoer voor het verblijf van het kind bij de vader voor rekening van de moeder.

In de uitspraak van het Hof Amsterdam d.d. 8 oktober 2013 ( ECLI:NL:GHAMS:2013:3219 ) ( FJR 2014/21.10 ) ging het ook om een verzoek tot vervangende toestemming naar het buitenland en wel naar Curaçao. Dit verzoek is gelimiteerd, namelijk voor drie jaren, de duur van de uitzending van de nieuwe partner van de vrouw. Partijen wonen sinds november 2008 gescheiden en het kind woont vanaf het uiteengaan van partijen feitelijk bij de vrouw. Partijen zijn vervolgens een regeling overeengekomen waarbij het kind vijf dagen per twee weken bij de man verblijft. Het kind heeft een goed contact met beide ouders en zij zijn het erover eens dat het goed gaat met het kind. Volgens het hof is voldoende aannemelijk geworden dat het zwaartepunt van de dagelijkse verzorging en opvoeding van het kind bij de vrouw ligt. Het hof is dan ook van oordeel dat het binnen deze zorgtaak van de vrouw past dat zij in beginsel de vrijheid krijgt daaraan invulling te geven, ook indien zij op Curaçao een nieuw bestaan wil opbouwen.

Mede gelet op de samenlevingsovereenkomst is voldoende aangetoond dat de vrouw een bestendige relatie heeft met haar partner. Haar partner is sinds 27 juli 2013 voor drie jaar uitgezonden naar Curaçao voor zijn werk bij het Ministerie van Defensie. Het belang van de vrouw om voor drie jaar te verhuizen naar Curaçao is daarmee voldoende aannemelijk geworden. Hierbij wordt voorts in aanmerking genomen dat de vrouw na terugkeer van Curaçao haar woning in Vijfhuizen weer kan betrekken en haar opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening kan vervolgen.

Het hof is niet gebleken dat het belang van het kind zich tegen een verhuizing naar Curaçao verzet. Tijdens de afgelopen zomervakantie is het kind op Curaçao geweest. De man heeft niet betwist dat het kind heeft genoten van de omgeving en dat hij daar contact had met andere Nederlandse kinderen die vanwege het werk van (één van) hun ouders naar Curaçao zijn verhuisd. Voorts is voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw de verhuizing zorgvuldig genoeg heeft voorbereid. Zij heeft kennisgemaakt met de potentieel nieuwe school van het kind op Curaçao. Op Curaçao zal het kind met de vrouw en haar partner in een eengezinswoning gaan wonen. Dat uit een onderzoek van Triversum van 27 november 2012 blijkt dat het kind ADHD van het gecombineerde type en de stoornis van Gilles de la Tourette heeft, maakt het vorenstaande niet anders. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit de brief van Triversum van 24 juni 2013 blijkt dat de vrouw heeft deelgenomen aan de psycho-educatiegroep voor ouders met kinderen met ADHD en dat het dossier bij Triversum wordt afgesloten, omdat de ouders geen verdere hulpvraag hebben. Voorts functioneert het kind thans goed en is de vrouw op Curaçao fulltime beschikbaar om het kind extra aandacht te geven. Voor zover het kind in de toekomst extra hulp nodig zou hebben, is die op Curaçao ook beschikbaar.

Het hof acht verder voldoende waarborgen aanwezig voor een aanvaardbare omgangsregeling tussen het kind en de man. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep meegedeeld dat de man drie keer per week contact met het kind kan hebben via Skype en dat het kind in de schoolvakanties bij hem in Nederland kan verblijven. Voorts heeft zij aangegeven dat voor het kind via de werkgever van haar partner in totaal drie vliegtickets voor een periode van drie jaar beschikbaar zijn en ook kan zij haar drie vliegtickets aan het kind overdragen. Het hof is van oordeel dat aan de vermindering van het contact tussen de man en het kind in voldoende mate tegemoet wordt gekomen door een zorgregeling waarbij het kind bij de man verblijft gedurende ten minste tien dagen van iedere schoolvakantie van twee weken en gedurende ten minste vier weken van de zomervakantie, en de man minimaal twee keer per week op een tussen partijen in onderling overleg te bepalen tijdstip via Skype-contact heeft met het kind, waarbij de vrouw ervoor zorgt dat het Skype-contact tussen de man en het kind tot stand komt. Nu de vrouw naar Curaçao verhuist, dient zij de reiskosten van het kind te voldoen, in welk kader het kind als unaccompanied minor kan reizen.

Het hof besluit met de overweging dat alle voornoemde belangen en omstandigheden van dit geval tegen elkaar afwegende, waarbij aan het belang van het kind weliswaar grote betekenis moet worden toegekend, maar dat belang niet doorslaggevend is, het belang van de vrouw om met het kind naar Curaçao te verhuizen zwaarder weegt dan het belang van de man om regelmatig omgang te hebben met het kind en het kind in zijn directe omgeving te zien opgroeien.

Hier tegenover staat de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 25 september 2013 ( ECLI:NL:RBNHO:2013:9794 ) ( FJR 2014/21.11 ) waarin een verzoek tot verhuizing naar Curaçao werd afgewezen. De rechtbank overweegt dat uit de stukken en uit hetgeen is besproken op de zitting van 6 juni en 10 september 2013 dat de verhuisplannen van moeder zijn ingegeven door haar wens en verwachting dat zij op Curaçao een acceptabele levensstandaard kan bieden, terwijl zij in Nederland is aangewezen op een bijstandsuitkering en haar financiële situatie nijpend is. De moeder heeft evenwel haar stelling dat het voor haar lastig zo niet onmogelijk is om in Nederland aan werk te komen dat past bij haar opleiding niet inhoudelijk onderbouwd. De toelichting op haar belang om zich mede ten behoeve van de kinderen op Curaçao een inkomen te verwerven laat immers onverlet de mogelijkheid dat zij hiertoe ook in Nederland in staat zou kunnen zijn. Benutting van die laatste mogelijkheid zou stroken met de belangen van de vader en de kinderen omdat zij elkaar dan op een regelmatige basis kunnen blijven zien. De enkele wens van de moeder om met haar nieuwe partner en de kinderen op Curaçao een gezin te vormen dient dan ook te wijken voor het zwaarwegender belang van de vader en de kinderen om de huidige zorgregeling van 3 c.q. 2 weekenden per maand te kunnen voortzetten. Daarbij komt dat de rechtbank van oordeel is dat de vraag of na een verhuizing naar Curaçao het contact tussen de vader en de kinderen gewaarborgd is, ontkennend moet worden beantwoord. De kinderen zijn nu vijf en vier jaar, de door de moeder voorgestelde regeling waarbij de kinderen de vakanties grotendeels in Nederland bij hun vader zullen doorbrengen, is, gelet op de nog jonge leeftijd van de kinderen, onvoldoende regelmatig om family life met de vader in stand te houden. Het voorstel van de moeder gaat er bovendien aan voorbij dat kinderen, gezien de reisafstand en het tijdsverschil, bij de aanvang van iedere vakantieperiode geruime tijd nodig zullen hebben om om te schakelen naar een verblijf in Nederland. Voor deze jonge kinderen is het structureel onderhouden van contact met de vader via Skype of telefoon nog geen optie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het van doorslaggevend belang voor de kinderen is dat de zorgregeling van 3 c.q. 2 weekenden per maand wordt voortgezet om de band tussen de vader en de kinderen in stand te houden en verder uit te bouwen.

In een verhuizingszaak van de Rechtbank Noord-Holland van 30 januari 2013 binnen Nederland ( ECLI:NL:RBNHO:2013:9819 ) ( FJR 2014/21.12 ), werd door de moeder een verzoek gedaan om met het kind te mogen verhuizen naar Heemstede. De uitspraak vermeldt overigens niet de afstand tussen de twee plaatsen.

Partijen hebben nimmer in gezinsverband samengewoond en het kind heeft altijd zijn hoofdverblijfplaats bij zijn moeder gehad samen met zijn halfbroer en zijn halfzuster, de kinderen uit een eerdere relatie van de moeder. De moeder is verantwoordelijk voor de dagelijkse verzorging en opvoeding van het kind en de vader heeft eenmaal per twee weken van vrijdagavond tot zondagmiddag omgang met het kind alsmede een dag door de week.

De rechtbank wijst het door de vader gedane verzoek tot wijziging van hoofdverblijfplaats af, omdat blijkt dat het zwaartepunt van de verzorging en opvoeding van het kind bij de moeder ligt en de rechtbank van oordeel is dat het niet in het belang van het kind is dat de hoofdverblijfplaats zal worden gewijzigd bij de vader. De rechtbank acht daarbij de continuïteit van de hoofdverzorger van het kind van groter belang dan de continuïteit van zijn leefomgeving. Bij de moeder heeft het kind ook een inwonende halfzuster waarmee hij is opgegroeid, terwijl het kind bij de vader geen inwonende halfbroer en zuster zou hebben. De rechtbank is voorts van oordeel dat op zich de moeder de mogelijkheid moet hebben om haar leven opnieuw in te richten, mits de belangen van het kind hierbij niet worden geschaad. Het kind is vier jaar oud en is net op de basisschool begonnen. Ervan uitgaande dat de relatie van de moeder met haar vriend bestendig is en de moeder ook haar toekomst in en rond de woonplaats zal hebben waar zij wil wonen, zal het kind in die woonplaats opgroeien en daar een leven opbouwen met school, sport en vrienden. De vader en het kind kunnen hun contact behouden in het lange weekend om de week en hun contact verdiepen door een uitgebreide vakantieregeling. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de moeder naar de nieuwe woonplaats mag verhuizen.

De rechtbank acht het in het licht van deze afweging niet onaanvaardbaar dat het contact tussen de vader en het kind als gevolg van de verhuizing zal wijzigen, nu het aandeel van de vader in de opvoeding en verzorging van het kind door de verhuizing niet zozeer verminderd, maar wel anders ingedeeld wordt. De moeder heeft compensatie aan de vader aangeboden door een voorstel te doen dat het kind om de week op vrijdag om 12 uur naar de vader gaat in plaats van op de vrijdagavonden. Bovendien wil de moeder de schoolvakanties van het kind delen, en dit betekent een flinke uitbreiding van het contact tussen de vader en het kind, omdat het kind tot de zomer van 2012 niet met de vader op vakantie ging.

Indien al deze uitspraken in verhuizingszaken in ogenschouw worden genomen, kan geconstateerd worden dat de uitspraken op dit gebied sterk casuïstisch zijn, maar een tombola is het niet. Het belangrijkste argument lijkt de noodzaak tot verhuizen te zijn. Er moet een zwaarwegende reden zijn om te verhuizen, bijvoorbeeld de verplichting om de verkochte voormalig echtelijke woning te ontruimen. Is die er niet, dan lijkt een verzoek weinig kansrijk te zijn. Is er wel een noodzaak, dan moet die gewenste verhuizing goed doordacht worden en zal er een duidelijk plan aan de achterblijvende ouder moeten worden gepresenteerd. Aandacht moet worden gegeven aan alternatieven en aan de kosten die dit met zich meebrengt, waar de verhuizende ouder zo veel mogelijk zijn en/of haar steentje dient bij te dragen. Er is wel een tendens waar te nemen dat het belang van de kinderen om bij de verhuizende verzorgende ouder te kunnen blijven wonen zwaarder gewogen wordt. Het valt bij lezing en bespreking van deze zaken op dat zowel rechtbanken als hoven dergelijke beslissingen nauwkeurig, uitgebreid en afgewogen beoordelen. Dat mag ook wel eens gezegd worden.

De laatste uitspraak die hier kort besproken wordt is er een van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 28 november 2013 ( ECLI:NL:GHARL:2013:9085 ) ( FJR 2014/21.13 ). Het gaat hier om de zogenoemde paradoxale toewijzing van het eenhoofdig gezag en om wijziging van de hoofdverblijfplaats. De moeder frustreert stelselmatig de omgangsregeling. Net als de rechtbank heeft het hof het eenhoofdig gezag aan de vader toegekend. In incidenteel appel heeft vader bovendien wijziging van de hoofdverblijfplaats gevraagd. Het hof acht het in het belang van het kind dat haar hoofdverblijfplaats bij de vader wordt bepaald en overweegt daartoe dat sinds de vader alleen is belast met het gezag over het kind er geen verbetering in de communicatie tussen partijen is opgetreden en dat bovenal de omgangsregeling niet goed van de grond is gekomen. Zowel de moeder als de vader stellen zich op het standpunt dat de onderlinge communicatie nog steeds moeizaam verloopt. Nog steeds weigert de moeder met tussenpozen haar medewerking aan de omgang tussen de vader en het kind. Er is zelfs sprake geweest van escalatie tussen de ouders en politiebetrokkenheid. In de praktijk blijft de moeder volgens de gezinsvoogd een ordelijke uitvoering van de ondertoezichtstelling frustreren. Die ondertoezichtstelling is mede uitgesproken om de omgang op gang te krijgen. Ook de Raad heeft aangegeven dat hij een wijziging van hoofdverblijfplaats in het belang van het kind acht. Gelet op alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden en het advies van de Raad, oordeelt het hof het in het belang van minderjarige dat zij haar hoofdverblijfplaats voortaan bij de vader heeft. Voor minderjarige is het van (groot) belang dat zij een goede band heeft met beide ouders en de (juridische) situatie waarin minderjarige nu verkeert, heeft – tegen de verwachtingen in – onvoldoende verandering teweeggebracht in de houding en medewerking van de moeder betreffende de omgangsregeling. Zowel de stichting als de Raad hebben laten weten dat de vader, samen met zijn huidige partner (met wie hij twee kinderen heeft), in staat moet worden geacht minderjarige een veilig en stabiel opvoedingsklimaat te bieden, waarin ruimte is voor een goed contact met de moeder. Het hof ziet als contra-indicaties bij de moeder, dat zij de strijd met de vader boven het belang van minderjarige stelt, dat zij handelt in haar eigen belang en dat zij onvoldoende prioriteit geeft aan de omgang tussen minderjarige en de vader. De vader heeft ter zitting nogmaals verklaard dat hij de omgangsregeling met de moeder zal stimuleren en dat de omgangsregeling die hij thans heeft voor de moeder kan gelden. Het hof realiseert zich dat deze beslissing ingrijpend is voor zowel de moeder als de zesjarige minderjarige, omdat minderjarige tot nu toe voornamelijk bij de moeder is opgegroeid en minderjarige haar moeder minder vaak zal zien. Bovendien zal minderjarige moeten verhuizen naar een andere woonplaats en moeten wennen aan het wonen bij de vader, zijn partner en hun twee kinderen (haar halfzusje en halfbroertje). Desalniettemin acht het hof deze beslissing het meest in het belang van minderjarige, om wier belang het immers gaat in deze procedure. Het hof vertrouwt erop dat, nu ook nog sprake is van een ondertoezichtstelling van minderjarige, de gezinsvoogd deze verandering in het leven van minderjarige goed kan begeleiden en zorg kan dragen voor een omgangsregeling met de moeder, die ook aan haar belangen en wensen tegemoetkomt. Het hof hecht er in dit verband aan op te merken dat de vader ter mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij bereid is tot een ruimere omgangsregeling tussen minderjarige en de moeder, indien dit het belang van minderjarige dient. Het hof zal een omgangsregeling tussen minderjarige en de moeder vaststellen, zoals die voor de vader gold en bepalen dat de gezinsvoogd, in overleg met de ouders, de ingangsdatum van de omgangsregeling vaststelt, alsmede de opbouw van de omgangsregeling.

[1]

Mr. P. Dorhout is advocaat te Egmond aan den Hoef en medewerker van FJR.

Mr. I.J. Pieters is advocaat/mediator te Leiden, tevens rechter-plaatsvervanger in de Rechtbank Rotterdam en medewerker van FJR.

FaLang translation system by Faboba
  • Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Duo enim genera quae erant, fecit tria. Igitur ne dolorem quidem. Nonne videmus quanta perturbatio rerum omnium consequatur, quanta confusio?
  • Certe, nisi voluptatem tanti aestimaretis. Ut necesse sit omnium rerum, quae natura vigeant, similem esse finem, non eundem. Duo Reges: constructio interrete.
  • Atque hoc loco similitudines eas, quibus illi uti solent, dissimillimas proferebas. Iam id ipsum absurdum, maximum malum neglegi. Cur deinde Metrodori liberos commendas?