085-0020809

Kroniek Kinderalimentatie FJR 2014-7.6

In deze kroniek zullen een aantal interessante uitspraken worden besproken die sinds 1 januari 2013 zijn gewezen door de rechtbanken en gerechtshoven. Daarbij springt in het oog de wijziging van de vaststelling van de draagkracht van de alimentatieplichtigen ingeval er kinderalimentatie wordt vastgesteld. Sinds de wijziging van de Tremanormen op 1 april 2013 wordt deze forfaitair vastgesteld op grond van een draagkrachttabel en kan alleen in uitzonderingsgevallen daarvan worden afgeweken door middel van een aanvaardbaarheidstoets.

De behandelde uitspraken zijn voorzien van een FJR-vindplaats (bijv. FJR 2014/7.6), waardoor online de uitspraak ook beschikbaar komt.

Kinderalimentatie

Aanvaardbaarheidstoets

In het Rapport van de Expertgroep Alimentatienormen is bepaald dat indien in geschil is of sprake is van extra lasten en of deze effect zouden moeten hebben op de draagkracht, er aanleiding kan bestaan voor toepassing van een aanvaardbaarheidstoets. In die gevallen waar sprake is van schulden, andere lasten of een lager inkomen dan € 1.250, kan de vaststelling van een bijdrage op basis van de tabel tot een onaanvaardbare situatie leiden voor de onderhoudsplichtige. Van een onaanvaardbare situatie is sprake indien de onderhoudsplichtige bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien, of van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt. In dat verband spelen de verwijtbaarheid en de mogelijkheid tot vermijding van de lasten een rol.

De meeste uitspraken gaan over het betalen van schulden en over van de forfaitaire norm afwijkende woonlasten.

De Rechtbank Noord-Holland oordeelde op 11 april 2013 ( ECLI:NL:RBNHO:2013:CA1880 ( FJR 2014/7.1 )) dat het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets, omdat hij de aflossing van de schuld bij de Defam zal blijven betalen, wordt gehonoreerd. De vrouw heeft de man ook verzocht deze aflossing te blijven betalen. Partijen zijn beiden uitgegaan van een aflossing van € 150,- per maand. Op grond van het Tremarapport april 2013 kan, indien tussen onderhoudsplichtigen vaststaat dat bepaalde lasten drukken op een onderhoudsplichtige, het draagkrachtloos inkomen worden verhoogd met lasten die op de onderhoudsplichtige rusten. Het hogere draagkrachtloze inkomen wordt vervolgens in mindering gebracht op het netto besteedbaar inkomen.

Het beroep op de aanvaardbaarheidstoets omdat de man de woonlasten van de echtelijke woning zal blijven betalen wordt echter afgewezen. Er is reeds rekening gehouden met een totale woonlast van 30% van het NBI van de man. Nu de man geen eigen woonlasten heeft, terwijl wel rekening is gehouden met woonlasten, wijst de rechtbank dit beroep af.

Het Hof ‘s-Hertogenbosch wijst in de beschikking van 27 juni 2013 ( ECLI:NL:GHSHE:2013:2646 ( FJR 2014/7.2 )) een beroep op de aanvaardbaarheidstoets wegens schulden af. Nu de draagkracht van de man onvoldoende is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend: € 141,00 - (€ 27,00 - € 20,00) = € 134,-. Het hof is van oordeel dat de door de man opgevoerde betalingsverplichting van in totaal € 200,- per maand niet zodanig is dat de bijdrage die volgt uit de draagkrachttabel – vanwege deze betalingsverplichting – voor hem tot een onaanvaardbaar resultaat leidt.

De Rechtbank Limburg houdt in haar beschikking van 3 juli 2013 ( ECLI:NL:RBLIM:2013:4074 ( FJR 2014/7.3 )) wel rekening met het feit dat de man met zijn twee grootste schuldeisers een schikking heeft getroffen waartoe hij een lening heeft afgesloten. De rechtbank becijfert dat de man gemiddeld circa € 1700,= rente en aflossing per maand verschuldigd zal zijn ten aanzien van deze lening. In zoverre slaagt het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets. Ten aanzien van de woonlasten wordt overwogen dat nu de man geen woonlasten heeft (enkel het eigenaarsforfait van € 95,- per maand) de formule wordt aangepast in die zin dat de woonkostencomponent (0,3 NBI) uit de formule wordt gehaald en deze wordt vervangen door het eigenaarsforfait van € 95,-.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden wijst in de beschikking van 24 september 2013 ( ECLI:NL:GHARL:2013:7188 ( FJR 2014/7.4 )) een beroep op de aanvaardbaarheidstoets af en overweegt dat, gelet op de nieuwe richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, het hof aan de beoordeling van de stellingen van de vrouw ten aanzien van haar woonlasten en die van de man niet toekomt. Ingevolge deze nieuw richtlijn is immers bij de berekening van de draagkracht reeds forfaitair rekening gehouden met de woonlast van de vrouw en de man. Het feit dat de vrouw in verhouding tot de man veel hogere woonlasten draagt, alsmede het feit dat de man een bedrag overhoudt nu zijn werkelijke woonlast lager is dan het forfaitaire bedrag, geeft volgens het hof geen aanleiding tot een correctie.

In een beschikking van het Hof Amsterdam 15 oktober 2013 ( ECLI:NL:GHAMS:2013:3349 ( FJR 2014/7.5 )) verzoekt de man rekening te houden met zijn aflossing op huwelijkse schulden, daartoe stellende dat het gaat om een verplichting die noodzakelijk was en waarvan hij zich niet kan bevrijden. Voorts stelt de man dat wanneer met deze verplichting bij de vaststelling van de bijdrage geen rekening wordt gehouden, dit voor hem tot een onaanvaardbaar resultaat leidt, omdat hij dan niet meer in zijn noodzakelijke kosten van levensonderhoud kan voorzien. Het hof overweegt dat van een onaanvaardbare situatie sprake kan zijn, indien de man aan inkomen bij maandelijkse aflossing van de schulden minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt. Niet aannemelijk is geworden dat de aflossingen door de man op de door hem opgevoerde schulden c.q. zijn verplichtingen daartoe tot een dergelijke situatie leiden. De aflossingen c.q. verplichtingen voldoen in dit kader derhalve niet aan de daaraan te stellen voorwaarden en dienen buiten beschouwing te blijven.

Het Hof Den Haag heeft op 13 november 2013 ( ECLI:NL:GHDHA:2013:4431 ( FJR 2014/7.6 )) bepaald dat, gezien het belang van een kind bij een onderhoudsbijdrage, indien de feitelijke (woon)lasten van de onderhoudsplichtige substantieel lager zijn dan de forfaitaire norm, deze lagere lasten dienen te prevaleren boven de forfaitaire norm.

Onderhoudsplicht stiefouders

Een stiefouder is gelet op het bepaalde in artikel 1:395 BW verplicht onderhoud te verstrekken aan de tot zijn gezin behorende kinderen van zijn echtgenoot. Uit de Parlementaire Geschiedenis met betrekking tot dit artikel (Parl. Gesch. InvW. p. 1442-1443) volgt dat als de onderhoudsverplichting van de stiefouder samenvalt met die van de ouder van de kinderen, de verplichtingen ter zake van onderhoud in beginsel van gelijke rang zijn. Uit vaste rechtspraak volgt voorts (o.a. HR 13 juli 2012, LJN BX1295 , NJ 2012/498 ) dat indien de onderhoudsverplichting van de stiefouder samenvalt met die van de ouder van de kinderen op grond van artikel 1:397 lid 2 BW geldt dat de omvang van ieders onderhoudsverplichting afhangt van de omstandigheden van het geval, waarbij als belangrijke factoren in het bijzonder gelden het gegeven dat tussen de ouder en het kind een nauwere verwantschap bestaat dan tussen de stiefouder en het stiefkind, de draagkracht van de ouder en de stiefouder en de feitelijke verhouding tot ieder van de onderhoudsplichtigen. In de volgende twee uitspraken wordt echter geen rekening gehouden met de stiefouder.

In de beschikking van 17 januari 2013 van het Hof Arnhem-Leeuwarden ( ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0641 ( FJR 2014/7.7 )) houdt het hof geen rekening met de draagkracht van de stiefouder. In de lijn van de Parlementaire Geschiedenis en de beschikking van de Hoge Raad overweegt het hof dat vaststaat dat tussen de vader en de kinderen van partijen een veel nauwere verwantschap bestaat dan tussen de stiefvader en de kinderen van partijen. De stiefvader is immers nog maar relatief kort geleden, sinds zijn geregistreerd partnerschap met de moeder op 18 augustus 2011, onderhoudsplichtig geworden jegens de kinderen. Daarnaast kan de omvang van de onderhoudsverplichting van een stiefouder ook afhangen van diens draagkracht in vergelijking tot de draagkracht van de andere ouder. In dit geval hebben de ouders, gelet op hun beider inkomenspositie en lasten, gezamenlijk voldoende draagkracht om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. Gelet daarop, alsmede de mate van verwantschap tussen de kinderen en de stiefvader zoals hiervoor overwogen, ziet het hof aanleiding om in dit geval geen rekening te houden met de draagkracht van de stiefvader.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden houdt in de beschikking van 12 maart 2013 ( ECLI:NL:GHARL:2013:BZ5551 ( FJR 2014/7.8 )) ook geen rekening met de draagkracht van de stiefouder, omdat het huwelijk van de moeder de band tussen de vader en de kinderen niet heeft gewijzigd. Ter zitting is door de man bevestigd dat het huwelijk van de vrouw met de stiefvader de nauwe band tussen de man en zijn kinderen niet heeft gewijzigd. Van een nauwere verwantschap tussen de man als ouder en de kinderen kan dan ook worden uitgegaan. De man heeft voldoende draagkracht om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Gelet daarop en op de mate van verwantschap tussen de kinderen en de stiefvader ziet het hof aanleiding geen rekening te houden met de draagkracht van de partner van de vrouw, maar houdt het hof slechts rekening met de draagkracht van de man.

Interen op vermogen

Interen op vermogen kan soms van onderhoudsplichtige ouders worden gevergd. Het Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelde op 10 oktober 2013 ( ECLI:NL:GHSHE:2013:4611 ( FJR 2014/7.9 )) dat de man moest interen op zijn vermogen om kinderalimentatie te kunnen blijven voldoen. Het hof is van oordeel dat van de man, gezien zijn dringende onderhoudsverplichting jegens zijn dochter, zowel in de periode dat hij alleen een WW-uitkering heeft als in de periode dat hij mogelijk in het geheel geen inkomen zal hebben, gevergd kan worden dat hij inteert op zijn vermogen om een bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter.

Behoefte jongmeerderjarigen

In de vaststelling van de behoefte van jongmeerderjarige kinderen voorzien de tabellen van het NIBUD niet. Voor de vaststelling van de behoefte van jongmeerderjarigen, meestal studerenden die een uitkering in het kader van de Wet Studiefinanciering (hierna: WSF 2000) ontvangen, zijn door de Expertgroep Alimentatienormen nog geen maatstaven ontwikkeld. De WSF 2000 geeft de student recht op een basisbeurs en een ov-studentenjaarkaart onafhankelijk van het inkomen van de ouders. Afhankelijk van het inkomen van de ouders kan een student aanspraak maken op een aanvullende beurs. Ten slotte kan een student ongeacht het inkomen van de ouders aanspraak maken op een rentedragende lening welke, gelet op de terugbetalingsverplichting, niet als behoefteverlagend dient te worden beschouwd.

De WSF-norm voor studenten is in verschillende posten onderverdeeld. Deze posten zijn:

levensonderhoud, premie ZVW, studiekosten (boeken, schrijfmaterialen, etc.) en onderwijsbijdrage (collegegeld, etc.). Het lijkt raadzaam voor de behoeftebepaling van studerende kinderen hierbij aansluiting te zoeken. Juist omdat deze norm in posten is onderverdeeld, is het voor studerenden eenvoudig aan te tonen dat zij voor een bepaalde post een hoger budget nodig hebben. Overigens stellen zij veelal zelf hun behoefte op het bedrag van de in het kader van de WSF 2000 bepaalde, niet rechtens afdwingbare, ouderbijdrage.

Het Hof Amsterdam ging in de beschikking van 19 maart 2013 ( ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ7816 ( FJR 2014/7.10 )) bij de bepaling van de behoefte van een jongmeerderjarige ook uit van de WSF-norm en stelde eerst vast van welk bedrag uitgegaan dient te worden. De WSF-norm voor thuiswonende studenten aan het hoger onderwijs bedraagt voor de periode vanaf 2011 € 604,15 per maand. De bijbehorende financieringsbronnen bestaan uit de basisbeurs voor thuiswonenden van € 95,61 per maand, een aanvullende beurs van € 222,84 per maand en een lening van € 285,70 per maand (tezamen gelijk aan het bedrag van € 604,15 per maand). Daarnaast kan een student nog een collegegeldkrediet ter hoogte van € 142,75 per maand afsluiten, welk krediet uitsluitend bedoeld is om het collegegeld te financieren en dan ook gelijk is aan de hoogte van dat collegegeld. Dit laatste impliceert dat in de zogenaamde WSF-norm ter zake de kosten van levensonderhoud, nog geen rekening is gehouden met het te betalen collegegeld. Nu de kosten van het collegegeld wel tot de behoefte van de jongmeerderjarige kunnen worden gerekend, zal het hof haar behoefte op in totaal € 747,- per maand bepalen. Voorts is de vraag aan de orde in hoeverre de jongmeerderjarige zelf in deze behoefte voorziet. Het hof zal uitgaan van eigen inkomsten aan haar zijde van € 300,- netto per maand en houdt daarbij rekening met het salaris zoals dat is gebleken uit de door de jongmeerderjarige overgelegde jaaropgave van Albert Heijn en de cumulatieven op haar laatste salarisstrook. Vaststaat dat haar contract aldaar per oktober 2012 niet meer is verlengd, maar daartegenover heeft zij ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij vanaf november 2012 promotiewerkzaamheden verricht en daarmee € 50,- tot € 60,- per zaterdag verdient. De man heeft voorts gemotiveerd gesteld dat de jongmeerderjarige inkomsten uit oppaswerkzaamheden genereert, hetgeen zij niet heeft betwist, maar zij heeft geen inzicht verstrekt in de hoogte van die inkomsten. Het hof acht het onder deze omstandigheden redelijk om van een netto-inkomen van in totaal gemiddeld € 300,- per maand uit te gaan. Anders dan de rechtbank zal het hof van deze inkomsten niet een bedrag aan zakgeld buiten beschouwing laten. Alle uitgaven van de jongmeerderjarige worden immers geacht te zijn verdisconteerd in (onder meer) de post levensonderhoud waarmee in de WSF-norm rekening wordt gehouden. Dat geldt ook voor de door haar opgevoerde post van kostgeld, premie zorgverzekering en boekengeld, zodat daarmee evenmin (apart) rekening wordt gehouden. Gelet op de basisbeurs die de jongmeerderjarige ontvangt, alsmede haar netto-inkomsten ter hoogte van gemiddeld € 300,- per maand, resteert een behoefte van € 351,- per maand.

Ook het Hof Arnhem-Leeuwarden zocht in zijn beschikking van 19 september 2013 ( ECLI:NL:GHARL:2013:7033 ( FJR 2014/7.11 )) voor de behoeftebepaling van een jongmeerderjarige aansluiting bij de WSF-norm. Deze norm bedroeg voor het jaar 2012 € 550,83 per maand voor een thuiswonende student aan het middelbaar beroepsonderwijs. Gelet op het vorenstaande bepaalt het hof – in redelijkheid met ingang van de dag waarop het kind meerderjarig is geworden – de behoefte op € 550,83 per maand. Op deze behoefte brengt het hof in mindering de door het kind (te) ontvangen studiefinanciering van € 75,39 per maand (basisbeurs) en een zorgtoeslag van € 69,-- per maand.

Behoefte uit huis geplaatst kind

De behoefte van uit huis geplaatste kinderen wordt volgens het Hof Amsterdam in de beschikking van 13 augustus 2013 ( ECLI:NL:GHAMS:2013:2510 ( FJR 2014/7.12 )) begrensd door de kosten die de verzorgende ouder daadwerkelijk maakt. Tot die kosten behoort ook een ouderbijdrage die verschuldigd is indien een minderjarige is geplaatst in een accommodatie van een zorgaanbieder op basis van de Wet op de Jeugdzorg dan wel in een door de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) gefinancierde instelling. Op die kosten dient de door de verzorgende ouder voor de minderjarige ontvangen kinderbijslag in mindering te worden gebracht.

Schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad

Nu de doorlooptijden bij sommige rechtbanken oplopen tot wel een jaar, wordt steeds meer gebruikgemaakt van de mogelijkheid om de uitvoerbaarheid bij voorraad van alimentatiebeschikkingen van de rechtbanken te laten schorsen door het hof.

In de uitspraak van 19 december 2012 ( ECLI:NL:GHSGR:2012:CA1278 ( FJR 2014/7.13 )) schorste het Hof ‘s-Gravenhage gedeeltelijk de uitvoerbaarheid bij voorraad van een beschikking van 15 juni 2012 van de Rechtbank Rotterdam en overwoog als volgt. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd (vgl. Hoge Raad 30 mei 2008, LJN BC5012 ):

I de verzoeker moet belang hebben bij de door hem verlangde schorsing van de tenuitvoerlegging;II bij de in het licht van de omstandigheden van het geval te verrichten afweging van de belangen van partijen moet worden nagegaan of het belang van de degene die schorsing verzoekt bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de door hem verkregen veroordeling direct ten uitvoer te leggen; enIII bij deze belangenafweging dient de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.

Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing als hier bedoeld, geldt ook dat in beginsel moet worden uitgegaan van de beslissing van de vorige rechter en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen omtrent de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Dit kan anders zijn indien de bestreden beschikking, waarvan de verzoeker beroep heeft ingesteld, klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag dan wel indien na de bestreden beslissing feiten of omstandigheden zijn voorgevallen of aan het licht gekomen, die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

Voor de afweging van de belangen van partijen stelt het hof voorop dat de moeder bij de in eerste aanleg verkregen uitvoerbaarverklaring bij voorraad belang heeft. De uitvoerbaarheid bij voorraad heeft in het algemeen tot doel de gerechtigde niet langer te laten wachten op hetgeen hem of haar – althans voorshands na een volledig en afgesloten onderzoek in eerste aanleg – toekomt. Het belang van de vader is kennelijk daarin gelegen dat hij niet in een – volgens hem aanwezige – financiële noodtoestand komt te verkeren bij de uitvoering van het bepaalde in de bestreden beschikking.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de bij de bestreden beschikking bepaalde door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige grotendeels is gebaseerd op door de moeder gestelde en, bij gebreke van volledig inzicht in de werkelijke inkomsten van de vader, door de rechtbank aangenomen zwarte inkomsten van de vader. De rechtbank begroot die inkomsten op € 800,- netto per maand. Het hof acht voorshands, voor zover in het kader van deze procedure te overzien, de onderbouwing daarvan in de bestreden beschikking summier en stelt vast dat het hoger beroep van de vader zich ook daartegen richt. Het hof acht het tegen die achtergrond denkbaar dat voor wat betreft (de hoogte van) genoemd bedrag van € 800,- sprake is van een feitelijke misslag van de rechtbank, met als gevolg dat de vader bij tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking in een noodtoestand geraakt. Daar de moeder echter belang heeft bij betaling van enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige en thans nog niet vaststaat of al dan niet sprake is van enige zwarte inkomsten, zal het hof in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking schorsen voor zover de daarin bepaalde door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige het bedrag van € 150,- per maand te boven gaat.

Kostenveroordeling

In alimentatiezaken is het, net als in overige familiezaken, gebruikelijk dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. Slechts in uitzonderingsgevallen wordt van dit standpunt afgeweken.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde in zijn beschikking van 30 mei 2013 ( ECLI:NL:GHARL:2013:3927 ( FJR 2014/7.14 )) de man (in twee instanties) in de kosten wegens nodeloos procederen. De man heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep wijziging verzocht van de overeengekomen kinder- en partneralimentatie op grond van feiten en omstandigheden die in het licht van het wettelijk toetsingskader en (de uitleg van) de afspraken van partijen in het echtscheidingsconvenant niet tot wijziging hebben geleid en hebben kunnen leiden. De wijze van procederen aan de zijde van de man waarbij de vrouw nodeloos veel kosten heeft moeten maken, geeft het hof aanleiding van de gebruikelijke compensatie van de kosten af te wijken. Het hof zal de man als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep. Anders dan de vrouw bepleit, zal het hof deze kosten echter berekenen aan de hand van het liquidatietarief en niet uitgaan van de werkelijke door haar gemaakte kosten. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat de man is begonnen aan deze (kansloze) procedure, kennelijk met het enige doel om de vrouw op kosten te jagen.

Inkomensafhankelijke combinatiekorting co-ouder

De enkelvoudige belastingkamer van de Rechtbank Noord-Nederland oordeelde in haar tamelijk strikt aandoende beslissing van 23 april 2013 ( ECLI:NL:RBNNE:2013:CA0212 ( FJR 2014/7.15 )) dat een co-ouder geen recht had op inkomensafhankelijke combinatiekorting. In artikel 8.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet) (tekst 2009) is bepaald wanneer recht bestaat op inkomensafhankelijke combinatiekorting. Eén van de voorwaarden voor het verkrijgen van inkomensafhankelijke combinatiekorting is dat er in het kalenderjaar ten minste zes maanden op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige een kind jonger dan twaalf jaar staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens.

In het geval van co-ouderschap zou één van de ouders niet aan de onder punt 3 bedoelde inschrijvingseis kunnen voldoen, omdat het kind maar op één woonadres kan worden ingeschreven. Daarom is in artikel 44b , eerste volzin, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (UR) (tekst 2009) bepaald dat bij deze ouder gedurende de periode dat het kind tegelijkertijd tot het huishouden van beide ouders heeft behoord, niet aan de inschrijvingseis behoeft te worden voldaan.

Volgens de tweede volzin van artikel 44b van de UR behoort het kind tegelijkertijd tot het huishouden van beide ouders indien het kind doorgaans ten minste drie gehele dagen per week tot het huishouden van de belastingplichtige en voor de overige tijd doorgaans tot het huishouden van de andere ouder behoort.

Volgens de toelichting op artikel 44b van de UR (Toelichting ministeriële regeling van 20 december 2001, nr. WDB 2001/760M, Stcrt. 2001, 250), is bij het opnemen van de onder punt 5 bedoelde tweede volzin aansluiting gezocht bij de jurisprudentie. Daarbij wordt in de toelichting onder meer verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 2 november 2001, LJN AD5044. In dit arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat niet gezegd kan worden dat een kind behoort tot het huishouden van een belastingplichtige als het verblijf van dat kind bij die belastingplichtige te bijkomstig is. Ingeval een kind van niet-samenwonende ouders behoort tot het huishouden van één der ouders, kan slechts worden aangenomen dat het verblijf bij de andere ouder niet te bijkomstig is in deze zin – en derhalve dat het kind ook behoort tot het huishouden van die andere ouder – indien het kind in gelijke of vrijwel gelijke mate, dat wil zeggen doorgaans ten minste 3 tot 3,5 dag per week, in het huishouden van die andere ouder heeft verbleven. De Hoge Raad heeft verder geoordeeld dat de omstandigheid dat de dochter gemiddeld 3 tot 3,5 dagen per week bij belanghebbende heeft verbleven, niet meebrengt dat de dochter doorgaans ten minste 3 tot 3,5 dag per week in het huishouden van belanghebbende heeft verbleven.

Eiser heeft gesteld dat de kinderen in het jaar 2009 buiten de vakanties om 40% van de tijd bij hem hebben verbleven. Met het verblijf bij hem tijdens de vakanties daarbij opgeteld, hebben de kinderen in het jaar 2009 volgens eiser meer dan 42,86% bij hem verbleven. Aldus is volgens eiser voldaan aan de in de tweede volzin van artikel 44b van de UR neergelegde eis dat de kinderen ten minste drie hele dagen per week, of wel ten minste 42,86%, tot zijn huishouden hebben behoord. De rechtbank verwerpt dit betoog van eiser. Hoewel de rechtbank er niet aan twijfelt dat de kinderen in het jaar 2009 meer dan 42,86% van de tijd bij eiser verbleven, brengt dit niet mee dat daarmee ook is gezegd dat de kinderen doorgaans ten minste drie gehele dagen per week tot zijn huishouden behoorden. Hierbij wijst de rechtbank eiser op het onder punt 6 bedoelde arrest van de Hoge Raad. Naar het oordeel van de rechtbank moet de tweede volzin van artikel 44b van de UR overeenkomstig dit arrest worden uitgelegd, omdat dit artikel hierop is gebaseerd. Uit dit arrest van de Hoge Raad volgt dat het erom gaat dat de kinderen doorgaans ten minste drie gehele dagen per week bij eiser hebben verbleven. Niet van belang is of de kinderen gemiddeld meer dan drie dagen per week bij eiser hebben verbleven. De kinderen moeten volgens dit arrest dus iedere week gewoonlijk ten minste drie dagen bij eiser zijn geweest. Gelet op de onder punt 1.2 vermelde omgangsregeling, acht de rechtbank niet aannemelijk dat hiervan in eisers geval sprake is geweest. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een andere conclusie zouden kunnen leiden.

Nu niet kan worden gezegd dat de kinderen in het jaar 2009 doorgaans ten minste drie gehele dagen per week tot eisers huishouden behoorden, heeft eiser geen recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

[1]

Mr. C. de Bie-Koopman is advocaat te Alkmaar en (jurisprudentie)medewerker van FJR.

Mr. P. Dorhout is advocaat te Egmond aan den Hoef en (jurisprudentie)medewerker van FJR.

FaLang translation system by Faboba