Kroniek alimentatie 2012 tot 1 mei verdiencapaciteit FJR 2012-67

Hieronder geven we de laatste stand van zaken over het onderwerp alimentatie, waarbij we de meest interessante uitspraken op dit gebied die in de eerste maanden van 2012 zijn gewezen kort behandelen. Met behulp van de LJN’s kunnen de uitspraken worden opgezocht op rechtspraak.nl.

Kroniek alimentatie 2012 tot 1 mei

Verdiencapaciteit

Alimentatie wordt bepaald op grond van draagkracht en behoefte. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de draagkracht wordt bepaald door het inkomen verminderd met de noodzakelijke kosten. In beginsel hoeft alimentatie niet te worden betaald uit vermogen. Bij kinderalimentatie kan dat anders zijn, mede gelet op de op 1 maart 2009 ingevoerde voorrangsregeling voor kinderalimentatie. Het Hof Leeuwarden overwoog in haar beschikking van 6 maart 2012 dat ‘Gelet op de hoge prioriteit van de kinderalimentatie en mede in aanmerking genomen het feit dat het in dit geval om relatief geringe kinderbijdragen gaat, het hof van oordeel is dat van de man in redelijkheid kan worden verwacht dat hij inteert op het vermogen dat hij binnen afzienbare tijd zal ontvangen, teneinde de kinderbijdragen te (kunnen) blijven voldoen.’ Hof Leeuwarden 6 maart 2012, LJN BV9981

Noodzakelijke kosten

De vraag welke kosten de alimentatiegerechtigde heeft die zo noodzakelijk zijn dat ze vóór de alimentatieverplichting gaan, is bij vrijwel iedere alimentatieprocedure een bron van onenigheid.

Het Hof ’s-Hertogenbosch heeft in haar uitspraak van 23 januari 2012 de kosten die de man maakt in het kader van de zorgregeling op een hoger bedrag bepaald dan het forfait van vijf euro per kind per dag uit het Tremarapport. Hof ’s-Hertogenbosch 23 januari 2012, LJN BV6813

De rechter moet wel voldoende informatie hebben om een goede afweging te maken. Omdat partijen onvoldoende financiële gegevens hebben aangedragen, gaat het hof ervan uit dat ieder van partijen de helft van de totale kosten van het kind voor zijn rekening neemt. Hof ’s-Hertogenbosch 1 februari 2012, LJN BV2622

Voldoening door de alimentatieplichtige van een onderhoudsbijdrage aan een kind dat ouder is dan 21 jaar wordt gezien als een dringende morele verplichting van de man jegens zijn kind en met deze last wordt daarom rekening gehouden bij de bepaling van de draagkracht van de man. Hof ’s-Hertogenbosch 12 april 2012, LJN BW2221

Behoefte

De beperkende factor bij de vaststelling van alimentatie is meestal de draagkracht. Regelmatig wordt echter ook de behoefte aan alimentatie door de alimentatieplichtige betwist. De wijze van berekening van de behoefte is veel minder uitgerijpt dan die van de vaststelling van de draagkracht. Naarmate de gezinsverbanden gecompliceerder worden, wordt het ook exponentieel moeilijker de behoefte te berekenen. Voor de bepaling van de behoefte van de kinderen volstaat meestal de tabel kosten/kinderen; voor die van ex- echtgenoten staat de hofnorm echter ter discussie ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad van 3 september 2010, NJ 2010/473 .

De feitenrechters daarentegen werken nog graag met de hofnorm om discussies over uitgavenpatronen te vermijden. Het Hof ’s-Hertogenbosch stelt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vast overeenkomstig de 60%-regel. Hof ’s-Hertogenbosch 26 januari 2012, LJN BV2099. Zie ook Rb. ’s-Gravenhage, 10 november 2011, LJN BU4673.

Bij de vaststelling van de draagkracht van de man houdt de rechtbank rekening met een lagere bijstandsnorm, nu de man in Suriname woont waar het levenspeil ligt op ongeveer twee derde van het levenspeil in Nederland, berekend aan de hand van de zogenoemde Big Mac-index. Kennelijk zijn partijen niet op de hoogte van het bestaan van veel nauwkeuriger methoden om de koopkrachtpariteit te berekenen dan de Big Mac, de Tall Latte, de iPod, of de Billy-index, bijvoorbeeld met behulp van gegevens van de Wereld Bank op Index Mundi. Rechtbank Middelburg 11 januari 2012, RFR 2012/49

De bepaling van de behoefte van jongmeerderjarigen levert bijna altijd pijnlijke discussies op, ook omdat de procedures tussen ouder en kind moeten worden gevoerd. De Rechtbank Groningen constateert dat omdat er geen landelijke richtlijnen zijn waaruit de behoefte van jongmeerderjarigen kan worden afgeleid, zoals dit voor minderjarigen wel het geval is, in iedere afzonderlijke situatie de omvang van de behoefte dient te worden bepaald. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de onderhoudsplicht van ouders jegens hun meerderjarige kinderen, in tegenstelling tot de onderhoudsplicht van ouders jegens hun minderjarige kinderen, niet is uitgezonderd van de aan de rechter verleende matigingsbevoegdheid van art. 1:399 BW, inhoudende dat de rechter de verplichting van bloed- en aanverwanten tot levensonderhoud kan matigen op grond van zodanige gedragingen van de tot onderhoud gerechtigde dat verstrekking van levensonderhoud naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd. Rb. Groningen 24 januari 2012, LJN BV2864, JPF 2012, 55

De wet bepaalt in art. 1:392 lid 2 BW dat de onderhoudsverplichting van ouders ten opzichte van hun meerderjarige kinderen geldt, ook als de behoeftigheid niet is aangetoond. Het Hof Leeuwarden oordeelde in zijn uitspraak van 17 januari 2012 dan ook dat van een jongmeerderjarige tot de 21ste verjaardag niet kan worden gevergd in het eigen levensonderhoud te voorzien. Het meisje was inmiddels gestopt met studeren, had haar kamer opgezegd en was fulltime als caissière bij een tuincentrum gaan werken. Op grond van de redelijkheid en billijkheid kan rekening worden gehouden met eigen inkomsten van de jongmeerderjarige. Hof Leeuwarden 17 januari 2012, LJN BV2127

Een heel interessante uitspraak over de bepaling van de behoefte is die van het Hof ’s-Hertogenbosch van 14 februari 2012. Het hof overweegt dat de behoefte van het kind aan de hand van het Tremarapport in dit geval niet in verhouding staat tot het lage inkomen van de moeder en de bijdrage die zij ontvangt voor de andere in het gezin van de moeder verblijvende kinderen. De man had aangevoerd dat de vast te stellen bijdrage in dit gezin nooit in haar geheel bij de minderjarige terecht zou kunnen komen. De vrouw heeft het hof desgevraagd niet duidelijk kunnen maken of en zo ja op welke wijze het bedrag geheel ten behoeve van het kind zal worden aangewend. Bovendien dienen naar het oordeel van het hof de kosten welke gemaakt zouden worden indien de zoon in de gezinssituatie bij de vader zou verblijven, maar welke kosten in de gezinssituatie bij de moeder niet worden gemaakt, bij de bepaling van de behoefte niet te worden meegerekend. Deze uitspraak stelt geheel nieuwe eisen aan de bepaling van de behoefte van kinderen. Alimentatieplichtige vaders stellen dikwijls dat de bijdrage voor de kinderen niet bij hen terechtkomt. Tot nu toe werden deze verweren nooit gehonoreerd, omdat de moeders zelf moeten kunnen bepalen hoe de bijdrage wordt besteed. In dit geval heeft de moeder niet aannemelijk kunnen maken dat het verzochte bedrag bij het kind terecht zou komen. Tot zover is de uitspraak nog begrijpelijk. De tweede overweging strookt echter niet met de vaste jurisprudentie en het Tremarapport waarin uit wordt gegaan van het beginsel dat het kind niet (financieel) hoeft te lijden onder de echtscheiding van zijn ouders. Hopelijk is van deze uitspraak cassatieberoep bij de Hoge Raad ingesteld. Hof ’s-Hertogenbosch, 14 februari 2012, LJN BV3856, RFR 2012/58

Bij minderjarigen die uit huis geplaatst zijn, wordt de behoefte begrensd door de kosten die de verzorgende ouder daadwerkelijk maakt. Tot die kosten behoren ook de ouderbijdragen als bedoeld in art. 72 WJZ. Bij het vaststellen van de ouderbijdrage is er rekening mee gehouden dat de ouders nog andere kosten voor het kind maken, zoals bezoekkosten, schoolgeld, verzekeringen of verblijfkosten in het weekend of tijdens vakanties. Voor vaststelling van de omvang van de behoefte van de minderjarige kan van de verzorgende ouder worden gevergd dat hij of zij alle kosten aannemelijk maakt die uitgegeven worden voor de minderjarige. Rb. Roermond 21 maart 2012, LJN BV9243

Co-ouderschap

De bepaling van de kosten van de kinderen bij co-ouderschap is niet eenvoudig. Er zijn verschillende methoden ontwikkeld. Daarbij is duidelijk dat het heel moeilijk is om rekening te houden met alle individuele omstandigheden van het geval. Zo is er meestal sprake van wel of niet-gehuwde nieuwe partners en nieuwe (stief-)kinderen in een of beide gezinnen. Voorts is de uitvoering van een verdeling van de kosten ook niet eenvoudig. Wie betaalt het schoolkamp en wie de balletlessen? De Rechtbank Dordrecht worstelde met een ingewikkelde kwestie over het co-ouderschap, waarbij eerst de kwestie van de ontvankelijkheid op grond van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven aan de orde kwam. De rechtbank overwoog dat als gevolg van onjuist inzicht van partijen in de betekenis van de wettelijke maatstaven, een door de rechter vast te stellen onderhoudsbijdrage zich niet zou verhouden (duidelijke wanverhouding) tot de onderhoudsbijdrage die partijen zijn overeengekomen, zoals vastgelegd in de overeenkomst.

Verder werd door de man verzocht om bij de berekeningsmethode van de bijdrage van partijen in de kosten van het kind de methode van het Hof Amsterdam (15 juni 2010, LJN BN1850) dan wel de Methode Bol te hanteren. Voor beide methoden is echter samenwerking en overleg tussen partijen met betrekking tot de verdeling tot de kosten noodzakelijk. De rechtbank volgt daarom de berekeningsmethode zoals deze is opgenomen in de Tremanormen. Rb. Dordrecht 21 maart 2012, LJN BV9624

Matiging alimentatieverplichting

De alimentatieverplichting kan worden verminderd op grond van ‘wangedrag’ van de meerderjarige alimentatiegerechtigde. In dat geval kan niet meer van de alimentatieplichtige worden gevergd dat hij nog langer (volledig) voorziet in de kosten van levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er misdrijven zijn gepleegd door de alimentatiegerechtigde tegen de alimentatieplichtige. Onderscheid moet worden gemaakt tussen gedrag dat de alimentatieverplichting doet verminderen en gedrag dat zo ernstig is dat de alimentatieverplichting geheel niet meer aanwezig wordt geacht. De eerste vorm wordt ten onrechte minder vaak aangevoerd en door de rechter van toepassing geacht dan de tweede vorm. De Rechtbank ’s-Gravenhage moest in haar uitspraak van 17 januari 2012 oordelen over een ernstig geval van stalking door de alimentatiegerechtigde en oordeelde dat het stalkingsgedrag van de vrouw dermate ontwrichtend werkt op het leven van de man en de minderjarige en een zodanig grote psychische druk bij hen beiden oplevert dat sprake is van het vervallen van lotsverbondenheid. De rechtbank ziet daarin aanleiding de partneralimentatie op nihil te stellen. Rb. ’s-Gravenhage 17 januari 2012, LJN BV6097

Een steeds terugkerend probleem is de geringe draagkracht van de onderhoudsplichtige ouder, waardoor de ouder bij wie de kinderen verblijven, en die ook geen draagkracht heeft, toch zelf voor alle kosten van de kinderen opdraait. Op 23 februari 2012 oordeelde het Hof ’s-Hertogenbosch over een kinderalimentatieverzoek waarbij bij beide ouders weinig draagkracht aanwezig was dat het gebrek aan draagkracht over beide partijen gelijk moest worden verdeeld. Het hof zag in deze situatie aanleiding om af te wijken van hetgeen gebruikelijk is op grond van de Tremarichtlijnen, nu de financiële positie van beide partijen zodanig was dat partijen gezamenlijk niet in de volledige behoefte van de kinderen kunnen voorzien en het hof het redelijk achtte dat de man in ieder geval op bijstandsniveau kan voorzien in de kosten van de bij hem verblijvende zoon van beide partijen. Hof ’s-Hertogenbosch 23 februari 2012, LJN BV6846

Vroeger gold dat als een vrouw ging samenleven met een gehuwde man dit niet het einde van haar recht op alimentatie betekende, omdat – zo werd geredeneerd – de vrouw dan niet samenleefde met een man als waren zij gehuwd. Met het vervallen van de wettelijke samenwoonverplichting is deze regel op losse schroeven komen te staan. Het onderscheid tussen samenwoningsrelaties waarbij een van de partners gehuwd is en die waarbij beide partners ongehuwd zijn en aldus het recht op alimentatie van rechtswege zou vallen kan niet langer worden gerechtvaardigd. Ook het Hof ’s-Hertogenbosch ging in zijn beschikking van 8 maart net als in andere gevallen de criteria die de Hoge Raad heeft gesteld voor het bestaan van een situatie van samenleving als waren de partners gehuwd één voor één na. Het hof oordeelt dat in de gegeven omstandigheden de samenleving van de onderhoudsgerechtigde met een gehuwde man valt onder de reikwijdte van art. 1:160 BW en stelt vast dat de alimentatieverplichting van de ex-echtgenoot is komen te vervallen. Hof ’s-Hertogenbosch 8 maart 2012, LJN BV9239

Verlenging alimentatieverplichting

Het uitgangspunt bij verlenging van de alimentatietermijnen in nieuwe gevallen is volgens de parlementaire geschiedenis dat een verzoek slechts bij uitzondering wordt toegewezen. Daarbij spelen de financiële omstandigheden, de vraag of de behoefte huwelijksgerelateerd is en de vraag of de alimentatiegerechtigde voldoende heeft gedaan om de behoefte te beperken een grote rol. Het hof constateert in de uitspraak van 3 april eerst dat de inkomensachteruitgang ingrijpend is. Het feit dat de vrouw anderhalf jaar na de ontbinding van het huwelijk arbeidsongeschikt is verklaard en om die reden na het verstrijken van de termijn van twaalf jaren niet in haar levensonderhoud kan voorzien, is op zichzelf beschouwd geen bijzondere omstandigheid die noopt tot verlenging van de termijn. Nu ook niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, wordt het verzoek tot verlenging afgewezen. In de uitspraak van 25 april, waarin de vrouw reeds voor het huwelijk arbeidsongeschikt was, wordt het verzoek tot verlenging ook afgewezen onder meer omdat de behoefte van de vrouw niet aan het huwelijk gerelateerd kon worden, er geen traditioneel huwelijk was en er geen kinderen waren geboren. Het aantal (nieuwe) verzoeken tot verlenging van de alimentatietermijn dat wordt toegewezen is bijzonder gering. Hof ’s-Hertogenbosch 3 april 2012, LJN BW0820 en Hof ’s-Hertogenbosch 25 april 2012, LJN BW4020

Het Hof ’s-Hertogenbosch heeft zich in twee beschikkingen van respectievelijk 3 en 25 april 2012 uitgesproken over de invloed van arbeidsongeschiktheid van de alimentatiegerechtigde vrouw op de toewijsbaarheid van het verzoek tot verlenging van de alimentatietermijn in nieuwe gevallen.

Wijziging alimentatie

Op grond van het bepaalde in art. 1:159 BW kunnen partijen overeenkomen dat een alimentatieovereenkomst niet zou kunnen worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden. De Rechtbank ’s-Hertogenbosch moest oordelen over een verzoek tot verlaging van onder meer kinderalimentatie waarbij een niet-wijzigingsbeding was overeengekomen. De voormalig echtelijke woning van partijen stond veel langer te koop dat zij hadden verwacht en de man was zijn baan verloren. De rechtbank overwoog dat een niet-wijzigingsbeding ter zake kinderalimentatie op gespannen voet zou staan met het bepaalde in art. 1:400 lid 2 BW, te weten dat niet kan worden afgezien van de volgens de wet verschuldigde kinderalimentatie. Het honoreren van een niet-wijzigingsbeding zou immers tot gevolg kunnen hebben dat, ondanks een stijging van de inkomens van (één der) partijen, de kinderalimentatie ongewijzigd zou blijven. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door partijen overeengekomen niet-wijzigingsbeding in strijd is met de wet en derhalve geen gelding heeft, aldus de Rechtbank ’s-Hertogenbosch in haar beschikking van 16 maart 2012, LJN BV9760. Er kunnen nog wel wat vraagtekens worden gezet bij deze uitspraak. Ondanks dat er eisen worden gesteld aan de vaststelling en wijziging van kinderalimentatie, is deze niet meer/nog steeds niet van openbare orde. Als niet om kinderalimentatie wordt verzocht komt de kwestie niet aan de orde. Als partijen het eens zijn over een bepaald bedrag, wordt dit niet door de rechter getoetst. Tenslotte kunnen partijen een goede reden hebben gehad om een niet-wijzigingsbeding af te spreken bij de vaststelling van kinderalimentatie. Als ouders vinden dat procedures over kinderalimentatie zo veel mogelijk moeten worden vermeden in het belang van de kinderen, kan dat een goede reden zijn om een niet-wijzigingsbeding op te nemen in een convenant.

[1]

Mr. P. Dorhout is advocaat te Den Helder en (jurisprudentie)medewerker van FJR.

Mr. C. de Bie-Koopman is advocaat te Alkmaar en (jurisprudentie)medewerker van FJR.

FaLang translation system by Faboba