Kroniek relatievermogensrecht FJR 2014-34.2

In deze kroniek over het relatievermogensrecht wordt aandacht besteed aan een aantal uitspraken die het afgelopen jaar zijn gedaan op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van het beëindigen van het huwelijk/de samenleving. Wij behandelen uitspraken die praktische handvatten kunnen geven in veel voorkomende situaties.

De behandelde uitspraken zijn voorzien van een FJR-vindplaats (bijv. FJR 2014/34.2 ), waardoor de uitspraak ook online beschikbaar komt.

Kroniek relatievermogensrecht

Vernietiging convenant

Wanneer de verdelingsafspraken zijn vastgelegd in een convenant, dan speelt soms de vraag hoe men eventuele vergissingen of onjuistheden kan corrigeren. Omdat het sluiten van een convenant een rechtshandeling is tussen de deelgenoten waarop de bepalingen van titel 2 van Boek 3 BW van toepassing zijn, is een beroep op het ontbreken van wilsovereenstemming (bijvoorbeeld wegens een ‘geestelijke stoornis’) of een beroep op wilsgebreken mogelijk. We zien in de praktijk wel dat één van de deelgenoten achteraf vindt dat hij/zij op het moment van de totstandkoming van het convenant zo ondersteboven was van de echtscheiding dat hij/zij niet in staat was zijn/haar wil te bepalen, of dat hij/zij door de ander zo onder druk is gezet dat hij/zij maar heeft ingestemd.

Het wilsgebrek dwaling ( art. 6:228 BW) is bij de verdeling niet van toepassing ( art. 3:199 BW). Hiervoor geldt een eigen regeling, namelijk de mogelijkheid een verdeling te vernietigen bij een dwaling in de waarde die een benadeling met meer dan een vierde heeft veroorzaakt ( art. 3:196 BW).

In de zaak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 november 2013 ( ECLI:NL:GHARL:2013:8448 ) ( FJR 2014/34.1 ) hebben partijen ter gelegenheid van hun echtscheiding afspraken vastgelegd in een convenant, waaronder een nihilbeding ter zake de partneralimentatie en het afzien van verevening van de pensioenrechten. Vervolgens is de echtscheiding uitgesproken, waarbij het convenant is gehecht aan de beschikking. De vrouw komt hiervan in beroep. Zij stelt dat ter zake van de afspraken ten aanzien van de partneralimentatie en de pensioenrechten geen sprake is geweest van wilsovereenstemming omdat zij de gevolgen van die overeenkomst niet heeft (kunnen) overzien, althans dat sprake is geweest van wilsgebreken (bedrog en/of misbruik van omstandigheden), en dat om die reden aan deze afspraken voorbij moet worden gegaan. De vrouw verzoekt alsnog een bedrag aan partneralimentatie vast te stellen en vraagt een verklaring voor recht dat verevening van het pensioen conform de WVP dient plaats te vinden. Ter zitting heeft de vrouw haar verzoek om alsnog partneralimentatie vast te stellen ingetrokken, omdat zij inmiddels zelf in haar behoefte kon voorzien.

Het hof heeft ter zitting allereerst ambtshalve de vraag aan de orde gesteld of de vrouw kan worden ontvangen in het door haar ingestelde hoger beroep nu haar verzoeken, die voor het eerst in hoger beroep zijn gedaan, betreffende de vernietiging van een overeenkomst hun grondslag vinden in art. 3:33 , 3:34 en 3:44 BW, zijnde rechtsvorderingen die gebruikelijk met een dagvaarding moeten worden ingeleid.

Het hof laat zich in zijn beschikking eerst uit over de verzochte vernietiging van de alimentatie-afspraak (het nihilbeding). In zaken van levensonderhoud, verschuldigd krachtens Boek 1 BW, moet het volgen van een verzoekschriftprocedure als dwingend voorgeschreven worden beschouwd, ook indien tussen partijen een alimentatieovereenkomst is gesloten. Uit jurisprudentie blijkt dat voor de vernietiging van een (alimentatie)overeenkomst geen afzonderlijke, bij dagvaarding in te leiden, procedure is vereist. Verder worden aan het beroep in rechte op een vernietigingsgrond geen nadere eisen gesteld. Het beroep kan, met inachtneming van de regels van een goede procesorde, worden gedaan in elk stadium van de procedure, ook voor het eerst in hoger beroep. De vrouw is dus ontvankelijk in haar verzoek betreffende de alimentatie.

Vervolgens komt het hof bij de ontvankelijkheid van de verzochte vernietiging van de pensioenafspraak en overweegt daarover het volgende. De afspraken over de pensioenrechten, zoals vastgelegd in het convenant, vinden in de kern genomen hun grondslag in art. 1:155 BW. In het licht van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen omtrent het beroep op een vernietigingsgrond, kan de door de vrouw verzochte vernietiging van de gemaakte afspraken ten aanzien van de pensioenaanspraken en haar verzoek om een verklaring voor recht ( art. 3:302 BW) dat overeenkomstig art. 1:155 BW recht op pensioenverevening bestaat, in de onderhavige procedure worden meegenomen als nevenvoorziening als bedoeld in art. 827 lid 1 sub f Rv.

Dan komt het hof bij de inhoudelijke beoordeling van het pensioenverzoek, en overweegt het volgende. Uit de verklaringen van partijen over en weer omtrent de totstandkoming van het convenant is gebleken dat partijen voor de afwikkeling van de echtscheiding, en het vastleggen van de afspraken over de gevolgen daarvan, een gezamenlijke advocaat hebben ingeschakeld. Geen van de partijen heeft in persoon met deze advocaat gesproken. De communicatie en de toezending van stukken over en weer geschiedde volledig door middel van mailberichten waarvoor de computer en het mailadres van de man werd gebruikt waartoe beiden toegang hadden. De vrouw heeft de advocaat betaald. De advocaat heeft aan partijen een standaardconvenant en ouderschapsplan ter beschikking gesteld waarin, voor zover hier aan de orde, ten aanzien van de pensioenaanspraken verschillende keuzemogelijkheden waren opgenomen waarbij telkens een korte toelichting werd gegeven.

Tussen partijen is in geschil of de vrouw, mede gezien haar geestestoestand, onder zodanige invloed heeft gestaan van de man c.q. verkeerde in een zodanige afhankelijke positie van hem dat moet worden aangenomen dat zij niet in staat is geweest haar wil te vormen en de man daarvan heeft geweten dan wel dat de man misbruik heeft gemaakt van de aan hem bekende omstandigheden waarin zij verkeerde dan wel haar tot het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant heeft bewogen. In dat verband heeft de vrouw gesteld dat de man leidend is geweest bij het maken van de afspraken, dat zij tijdens het huwelijk en ook bij de afwikkeling daarvan onder zijn invloed heeft gestaan en dat hij haar uitdrukkelijk niet heeft toegestaan de kwestie met derden te bespreken. Zij heeft dan ook alleen getekend, omdat zij niet durfde te weigeren. Ter onderbouwing van een en ander heeft zij gewezen op haar mentaal mindere weerbaarheid waarmee de man bekend is geweest omdat zij al jarenlang onder behandeling van een psycholoog stond.

De vernietigbaarheid en/of nietigheid van het convenant baseert de vrouw – naar het hof begrijpt – op de volgende gronden:

1. primair: er ontbreekt wilsovereenstemming omtrent de bepalingen zoals deze ten aanzien van de pensioenrechten in het convenant zijn vastgelegd (art. 3:33-3:35 in verbinding met art. 6:217 BW);2. subsidiair: het echtscheidingsconvenant is op het punt van de pensioenrechten tot stand gekomen onder invloed van een wilsgebrek, te weten bedrog en/of misbruik van omstandigheden ( art. 3:44 BW).

Uit art. 3:33 BW volgt dat voor het bestaan van een overeenkomst in beginsel noodzakelijk is dat er een op een rechtsgevolg gerichte wil is, die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Op de voet van het bepaalde in art. 3:35 BW dient verder te worden nagegaan of (in het onderhavige geval) de man naar aanleiding van verklaringen of gedragingen van de vrouw onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze erop mocht vertrouwen dat het de bedoeling van de vrouw was in te stemmen met de inhoud van het convenant voor wat betreft de daarin opgenomen bepalingen aangaande de partneralimentatie en de pensioenrechten. Of anders gezegd: had de man moeten begrijpen dat de vrouw, ondanks het feit dat ze een handtekening onder het opgestelde convenant plaatste, niet instemde met de inhoud ervan? Daarbij betrekt het hof in de beoordeling of de eventuele instemming van de vrouw met de afspraken (als uiting van haar wil) tot stand gekomen is onder invloed van misbruik van omstandigheden of bedrog. In dat geval kan haar instemming als rechtshandeling ingevolge het bepaalde in art. 3:44 BW, en daarmee de overeenkomst, worden vernietigd.

Wat betreft de vernietiging van een rechtshandeling op grond van misbruik van omstandigheden vereist art. 3:44 lid 4 BW:

a) dat sprake is van bijzondere omstandigheden zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid aan de zijde van de vrouw;b) dat hetgeen de man daarover weet of moet begrijpen hem van het tot stand komen van de rechtshandeling door de vrouw had behoren te weerhouden; enc) dat er een causaal verband is tussen de omstandigheden en het verrichten van de rechtshandeling.

De vrouw heeft geen medische verklaring in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat zij op het moment van het sluiten van het echtscheidingsconvenant als gevolg van haar psychische toestand mogelijk niet wist wat zij deed dan wel mentaal minder weerbaar c.q. sterk beïnvloedbaar was. De vrouw heeft daarover niets concreet aangegeven maar heeft volstaan met de – niet toereikende – mededeling dat zij in die periode labiel was.

Het hof heeft bij zijn oordeel verder laten meewegen dat uit het debat van partijen is gebleken dat zij over een langere periode hebben gesproken over de inhoud van het echtscheidingsconvenant alvorens het definitieve convenant – het exemplaar van 25 juni 2011 – is overeengekomen en ondertekend en dat in die periode tussen partijen ook eerdere concepten zijn besproken en door de vrouw zijn geparafeerd en ondertekend. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw in die betreffende periode niet haar werkzaamheden buitenshuis verrichtte en/of niet heeft deelgenomen aan het sociaal leven waardoor het hof aannemelijk acht dat zij voldoende in staat en in de gelegenheid is geweest om eventuele twijfels over de inhoud van het convenant op enigerlei wijze en/of ten aanzien van enig punt voor te leggen. In de eerdere concepten stonden nog de diverse (keuze) mogelijkheden ten aanzien van de partneralimentatie en de pensioenaanspraken opgenomen met een nadere toelichting, zoals deze in de standaard overeenkomst stonden. In het bijzonder ten aanzien van de pensioenaanspraken kan uit de verklaringen van de vrouw ter zitting worden afgeleid dat zij kennis heeft genomen van de in de eerdere concepten opgenomen algemene informatie over de opgebouwde pensioenaanspraken en de mogelijkheden om te kiezen voor verevening, conversie of afstand alsmede de aanbeveling om contact te zoeken met de verschillende pensioenfondsen en een pensioenadviseur in te schakelen, maar dat zij daartoe niet is overgegaan omdat zij zich daartoe niet in staat achtte. Gezien haar verklaring dat zij tot 2010 heeft kennisgenomen van de inhoud van de pensioenbrieven, die zij tot dat moment ontving en die later uitsluitend door middel van DigiD toegankelijk waren, acht het hof voorts aannemelijk dat de vrouw op dat moment, hoewel zij mogelijk niet op de hoogte is geweest van de actuele aanspraken van de man medio 2011, voldoende inzicht heeft gehad in de omvang van het door de man opgebouwde partnerpensioen, zodat haar ook redelijkerwijs voldoende bekend moet zijn geweest welke aanspraken zij prijs zou geven. Daar komt bij dat is gebleken dat de advocaat bij partijen, voorafgaand aan de ondertekening van partijen van het definitieve convenant, specifiek navraag heeft gedaan naar hun redenen om te kiezen voor het wederzijds afstand doen van iedere aanspraak op nabestaanden/partnerpensioen en dat partijen hem gezamenlijk, door middel van een door beiden op 21 juli 2012 ondertekende brief, hebben laten weten dat zij deze vraag, om hen moverende redenen, niet wensten te beantwoorden.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof onvoldoende aannemelijk geworden dat de vrouw gezien haar geestestoestand en/of haar jarenlang bestaande afhankelijkheid jegens hem niet in staat is geweest haar wil op rechtens relevante wijze te vormen, althans dat de man op het moment van ondertekening van het echtscheidingsconvenant op 25 juli 2012, dan wel tijdens de daaraan voorafgaande onderhandelingen heeft geweten, althans redelijkerwijs heeft behoren te weten dat vrouw weliswaar haar handtekening heeft gezet (ook) onder het definitieve echtscheidingsconvenant, maar de daarin opgenomen bepalingen ter zake van de partneralimentatie en de pensioenrechten niet haar instemming hadden. Evenmin acht het hof aannemelijk geworden dat de wil van de vrouw op gebrekkige wijze is gevormd, omdat de man wist van haar geestestoestand en/of haar afhankelijkheid en daarvan misbruik heeft gemaakt teneinde haar te laten instemmen met het convenant in het algemeen en de bepaling met betrekking tot de (alimentatie en de) pensioenrechten in het algemeen. Het heeft er veeleer alle schijn van dat de vrouw er bewust voor heeft gekozen om zich niet nader te laten informeren over de concreet aan haar toekomende aanspraken waarvan zij afstand heeft gedaan. Dit heeft de vrouw vrijgestaan, maar het rechtvaardigt geen beroep op misbruik van omstandigheden of zelfs bedrog.

Het hof wijst daarom het verzoek van de vrouw in hoger beroep ten aanzien van de ouderdomspensioenrechten af. Geconcludeerd kan worden dat een echtscheidingsconvenant waar een wilsgebrek aan kleeft vernietigd kan worden in de echtscheidingsprocedure als nevenvoorziening, maar dat de bewijslast bij degene ligt die stelt dat er een wilsgebrek is en dat het bewijs daarvan niet eenvoudig te leveren is.

Indien het echtscheidingsconvenant op één of meerdere onderdelen een vaststellingsovereenkomst omvat, dan gelden de bepalingen van boek 7 Titel 15 BW en kan op grond van art. 7:904 BW een beroep worden gedaan op het feit dat de beslissing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, waarbij gelet kan worden op zowel de wijze van totstandkoming alsook op de inhoud van het betreffende onderdeel in het convenant.

De Rechtbank Overijssel had daarover te beslissen op 28 januari 2014 ( ECLI:NL:RBOVE:2014:970 ) ( FJR 2014/34.2 ). Partijen zijn gehuwd geweest onder huwelijkse voorwaarden en hebben ter gelegenheid van hun echtscheiding afspraken gemaakt in een convenant. Partijen twisten nu over de vraag of het artikel in hun convenant betreffende de aanslagen en teruggaven Inkomstenbelasting moet worden vernietigd, althans moet worden aangepast. De vrouw is van mening dat de door partijen gemaakte afspraak over toedeling van teruggaven Inkomstenbelasting onredelijk is, geen grond heeft en afwijkt van wat in de huwelijksvoorwaarden is bepaald en dat de teruggaven alsnog bij helfte tussen partijen moeten worden verdeeld. De vrouw heeft zich ter onderbouwing daarvan beroepen op art. 7:904 BW, stellende dat uit niets blijkt dat een afwijking van wat in de rede zou hebben gelegen, te weten verdeling van de teruggaven in gelijke delen, gerechtvaardigd zou zijn en dat zij thans zwaar wordt benadeeld, terwijl elk weldenkend mens zal erkennen dat dienaangaande een fout is gemaakt.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van het eerste lid van art. 7:904 BW is een vaststellingsovereenkomst, zoals een convenant als in dit geval, vernietigbaar indien gebondenheid daaraan in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en onbillijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Deze bepaling is zodanig opgesteld dat gebondenheid regel is en strijd met redelijkheid en billijkheid een uitzondering. Conform de dienaangaande gevormde jurisprudentie geven alleen ernstige gebreken aanleiding tot een sanctie als vernietiging. Als de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen, niet zijn overschreden, is er geen reden om een vaststellingsovereenkomst aan te tasten.

Nu de vrouw zich erop beroept dat het convenant op grond van art. 7:904 BW vatbaar is voor partiële vernietiging, rust op haar, gelet op de hoofdregel van art. 150 Rv, de stelplicht en bewijslast ter zake.

De vrouw heeft echter onvoldoende feiten gesteld waaruit kan volgen dat gebondenheid aan art. 6.1 van het convenant in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar zou zijn. Zij heeft niets gesteld op grond waarvan moet aangenomen dat er serieus iets valt aan te merken op de totstandkoming van (het artikel van) het convenant. Het staat vast dat de vrouw en de man gezamenlijk een advocaat hebben benaderd, dat deze met partijen de afwikkeling van hun huwelijk heeft doorgesproken en dat aan de vrouw een concept-convenant is voorgelegd. Uit niets blijkt van tijdsdruk of haast waaronder de man aan de vrouw deze regeling heeft opgedrongen.

Wat betreft de inhoud heeft de vrouw niet meer gesteld dan dat de in art. 6.1 van het convenant neergelegde toedeling van teruggaven én aanslagen inkomstenbelasting aan de man afwijkt van wat partijen in art. 5 van hun huwelijksvoorwaarden hadden bepaald, te weten dat hetgeen na afloop van ieder jaar overbleef in gelijke delen tussen partijen diende te worden verdeeld. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, vermag de kantonrechter niet in te zien dat die afspraak in het convenant zou resulteren in een grove schending van de verhouding van partijen, te meer nu in het convenant tevens is opgenomen dat de man tot de verkoop van de woning de woonlasten zal dragen.

Huwelijkse voorwaarden

Ondanks het feit dat zich inmiddels in de jurisprudentie een min of meer vaste lijn heeft ontwikkeld hoe er moet worden omgegaan met (de interpretatie van) huwelijkse voorwaarden en periodieke verrekenbedingen, blijkt dat het toch de moeite blijft lonen om een afwijkend, maar voor de cliënt gunstig standpunt in te nemen.

In de zaak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 juli 2013 ( ECLI:NL:GHSHE:2013:3410 ) ( FJR 2014/34.3 ) zijn partijen voorafgaand aan het huwelijk huwelijkse voorwaarden overeengekomen met een uitsluiting van iedere gemeenschap en een (niet nagekomen) periodiek verrekenbeding.

Partijen hebben in 1996 de echtelijke woning gekocht. Deze woning stond alleen op naam van de man. De koopprijs voor deze woning bedroeg (zoals partijen zich menen te herinneren) ƒ 225.000,-. De koopprijs is indertijd volledig gefinancierd door een drietal hypotheken bij de Rabobank, waarop uitsluitend rentebetalingen gedaan zijn en dus niets is afgelost.

Partijen verschillen van mening over de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, de overwaarde van de woning in de verrekening betrokken dient te worden.

Vast is komen te staan dat de woning is verkocht voor een bedrag van € 190.000,- dat de hypothecaire geldleningen volledig zijn afgelost en dat de overwaarde van de woning, te weten € 78.604,32, aan de man is uitbetaald. Voorts staat vast dat de waardestijging van de woning een gevolg is van de stijging van prijzen van onroerend goed in de voorafgaande jaren en niet van doen heeft met investeringen in die woning van de zijde van de man dan wel de vrouw.

De vrouw heeft gesteld dat de keuze voor zowel de huwelijkse voorwaarden als de tenaamstelling van de echtelijke woning uitsluitend ingegeven is door het feit dat er mogelijk sprake was van schulden voortkomende uit haar eerste huwelijk. De bedoeling van partijen was dan ook nadrukkelijk de bescherming van het vermogen tegen derden. De vrouw is er altijd van uitgegaan dat een eventuele overwaarde van de woning gemeenschappelijk eigendom zou zijn. De vrouw wijst er verder nog op dat partijen gedurende enige tijd getracht hebben om de gevolgen van hun voorgenomen echtscheiding in onderling overleg te regelen en dat in dat kader een concept convenant opgesteld is waar evenzeer uitgegaan is van de verdeling bij helfte van de overwaarde van de echtelijke woning.

De man voert aan dat hij kan meegaan in de stelling van de vrouw dat de overwaarde van de woning tot het opgebouwde vermogen dient te worden gerekend, voor zover het aan de zijde van de vrouw opgebouwde vermogen tussen partijen wordt verdeeld. Blijkens zijn stellingen is de man van mening dat er aan de zijde van de vrouw sprake is van vermogensgroei, omdat zij nooit is aangesproken voor de aan haar kant (mogelijk) bestaande schulden uit haar eerste huwelijk tot een bedrag van ƒ 500.000,-.

Het hof kan de man in deze stelling niet volgen. Immers, gezien de huwelijkse voorwaarden ziet het periodiek verrekeningsbeding op overgespaard netto-inkomen en wordt onder netto-inkomen verstaan het inkomen onder aftrek van de daarover verschuldigde belasting op inkomen, premieheffing-volksverzekering en andere wettelijke inhoudingen of heffingen. Daarvan is in de situatie van de vrouw geen sprake geweest.

Het hof is van oordeel dat het niet aanvaardbaar is, indien de vrouw niet zou kunnen meedelen in de opbrengst van de woning. Het hof neemt hierbij in overweging:

– dat de aankoop van de woning volledig is gefinancierd met hypothecaire leningen ten name van beide partijen;– dat met overgespaard inkomen een polis levensverzekering is bekostigd die bedoeld was om te worden gebruikt voor de aflossingen van de hypothecaire leningen;– dat uit het verhandelde ter terechtzitting kan worden opgemaakt dat de woning uitsluitend slechts op naam van één van de echtgenoten is gesteld om eventueel verhaal van schuldeisers op de woning te beperken.

Het hof bepaalt vervolgens dat de helft van de opbrengst van de echtelijke woning aan de vrouw toekomt.

Wanneer er tijdens het huwelijk niet te verrekenen vermogen is overgeheveld van de ene echtgenoot naar de andere echtgenoot, kunnen er vergoedingsrechten ontstaan. Welke regels er dan gelden hangt af van het tijdstip waarop het vermogen van de ene echtgenoot naar de andere werd overgeheveld. Op 1 januari 2012 is de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen (28 867) ingevoerd (Derde Tranche van de wijziging van titel 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek). Indien het vermogen werd overgeheveld vóór 1 januari 2012 dan dient het overgehevelde vermogen nominaal te worden terugbetaald. De echtgenoot die het vermogen ter beschikking heeft gesteld krijgt dus een vergoedingsvordering ter grootte van het beschikbaar gestelde bedrag. Slechts in uitzonderlijke gevallen bestaat er ook recht op een deel van de vermogensopbouw (zie HR 12 juni 1987, NJ 1988/150 (Kriek/Smit)). Het draait dan met name om de vraag of degene die het geld ontving naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid mocht verwachten dat hij met de enkele teruggave van het ter beschikking gestelde bedrag kon volstaan.

Vond de overheveling plaats ná 1 januari 2012 dan geldt het nieuwe art. 1:87 BW, dat uit gaat van de evenredigheidsleer. Er ontstaat een plicht tot vergoeding ter hoogte van het evenredige gedeelte van de waarde van het goed ten tijde van het tijdstip van voldoen van de vordering, tenzij het een verbruiksgoed betreft of het zonder toestemming van de echtgenoot gebeurde. In dat laatste geval dient het bedrag nominaal te worden terugbetaald.

In de zaak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 oktober 2013 ( ECLI:NL:GHARL:2013:7820 ) ( FJR 2014/34.4 ) waren partijen gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een (Duitse) koude uitsluiting. In 1972 heeft de vrouw een perceel grond in eigendom verkregen. Vast staat dat de aankoopsom van dit perceel ƒ 80.000,- bedroeg en dat deze aankoopsom is gefinancierd met ƒ 45.000,- afkomstig uit een door partijen afgesloten hypothecaire geldlening en met ƒ 40.000,- afkomstig van de man. De investering van de man in dit perceel grond is 47% (ƒ 40.000,- / ƒ 85.000,-) van het geheel, te vermeerderen met de hypothecaire aflossingen ten bedrage tot de verkoop in 1978. De vrouw heeft niet weersproken dat zij in deze periode geen inkomen had, zodat geconcludeerd kan worden dat deze reguliere aflossingen door de man zijn betaald.

In 1974 heeft de vrouw de echtelijke woning gekocht en geleverd gekregen. De aankoopsom van de echtelijke woning bedroeg ƒ 160.000,- en deze is gefinancierd met een door partijen afgesloten hypothecaire lening van ƒ 160.000,-. Blijkens de notariële waren er bijkomende kosten van in totaal ƒ 12.517,25. De vrouw heeft gesteld dat de man dit bedrag heeft betaald bij de aanschaf van de echtelijke woning. De totale kosten die met de aankoop van de echtelijke woning waren gemoeid waren ƒ 172.517,25.

In 1978 is het perceel grond verkocht voor ƒ 400.000,-. De opbrengst van ƒ 400.000,- is aangewend voor de betalingen van hypotheekrente en aflossing van de hypothecaire schulden verbonden aan de echtelijke woning.

Het hof stelt het volgende voorop. Tot de inwerkingtreding van het huidige art. 1:87 BW op 1 januari 2012 konden tussen echtgenoten die bij hun huwelijkse voorwaarden elke gemeenschap van goederen hebben uitgesloten vergoedingsrechten ontstaan analoog aan de art. 1:95 lid 2 BW, 1:96 lid 2 BW en 1:127 BW doordat goederen die gedurende het huwelijk op naam van de een zijn verkregen, geheel of ten dele met geld van de ander zijn gefinancierd. Zodanige rechten strekken in beginsel tot vergoeding van een gelijk bedrag als destijds door de andere echtgenoot is verschaft, zonder verrekening van rente en zonder verrekening van waardewijzigingen die deze goederen hebben ondergaan, dit laatste behoudens de eventuele werking van de eisen van de goede trouw. In het bijzonder kan een uitzondering op haar plaats zijn in een geval waarin de betreffende gelden zijn gebruikt voor de aankoop van de echtelijke woning en vervolgens door ten tijde van die aankoop niet-voorziene omstandigheden, zoals de ontwikkeling van de Nederlandse onroerendgoedmarkt sedert die aankoop, een zo aanzienlijke waardevermeerdering van die woning heeft plaatsgevonden dat bij gebreke van enige correctie het gevolg daarvan zou zijn dat bij het uiteengaan van partijen als gevolg van echtscheiding het evenwicht tussen de vordering van de ene partij tot terugbetaling van de destijds verschafte, nadien in koopkracht verminderde geldsom en het uitzonderlijk gunstige resultaat van de belegging daarvan, dat aan de andere partij ten goede komt, geheel zou zijn verbroken. Daarbij zal het aankomen op de vraag of de betreffende onvoorziene omstandigheden van dien aard zijn dat de echtgenoot op wiens naam het huis staat, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag verwachten dat hij met enkele teruggave van de het destijds ter beschikking gestelde bedrag zonder enige verrekening van de waardevermeerdering van de woning kan volstaan.

Naar het oordeel van het hof mag van de vrouw worden verwacht dat zij niet enkel volstaat met terugbetaling van het door de man ter beschikking gestelde bedrag zonder enige verrekening van de waardevermeerdering van de echtelijke woning. Uit het voorgaande volgt dat de betreffende gelden van de man zijn gebruikt voor de aankoop van aanvankelijk een perceel grond, dat binnen een periode van 6 jaar ƒ 315.000,- in waarde is gestegen, welk bedrag vervolgens is geïnvesteerd in de echtelijke woning, die vervolgens door ten tijde van die aankoop niet voorziene omstandigheden, zoals de ontwikkeling van de Nederlandse onroerendgoedmarkt sedert die aankoop, eveneens aanzienlijk in waarde is gestegen. Bij gebreke van enige correctie zou het gevolg daarvan zijn dat bij het uiteengaan van partijen als gevolg van echtscheiding het evenwicht tussen de vordering van de man tot terugbetaling van de destijds verschafte, nadien in koopkracht verminderde geldsom en het uitzonderlijk gunstige resultaat van de belegging daarvan, dat aan de vrouw ten goede komt, geheel zou zijn verbroken. Gelet op het door de man geïnvesteerde bedrag in het perceel grond en de investering in de echtelijke woning, oordeelt het hof dat de toepasselijkheid van de tussen partijen overeengekomen (vergelijkbare) uitsluiting van elke huwelijksgoederengemeenschap in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit betekent dat de vrouw de helft van de waarde van de echtelijke woning aan de man moet voldoen.

Advocaatkosten

Over advocaatkosten ter zake de echtscheidingsprocedure is in het kader van de verdeling vaak een hoop te doen, en dan met name de vraag wie de nog openstaande nota’s dient te betalen. Ook komt het voor dat deze nota’s al zijn voldaan, maar dat daarvoor geld is geleend bij een derde. Er is in beide gevallen sprake van een openstaande schuld, die door de betreffende echtgenoot bij de verdeling kan worden ingebracht.

Het toedelen van schulden is naar Nederlands recht niet mogelijk aangezien een schuld geen goed is, en art. 3:182 BW bepaalt dat alleen goederen kunnen worden verdeeld. Van een schuld kan alleen worden bepaald voor wiens rekening deze dient te komen.

In beginsel zijn beide echtgenoten ieder voor de helft van een gemeenschapsschuld draagplichtig, tenzij anders is overeengekomen, óf er sprake is van een verknochtheid van de schuld ( art. 1:94 lid 3 BW) óf de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen dat het onaanvaardbaar is dat beide partijen ieder voor een gelijk deel draagplichtig zijn.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij verknochte schulden met name moet worden gedacht aan schulden die worden gemaakt met betrekking tot privégoederen. Vanaf 1 januari 2012 vallen dergelijke schulden overigens volgens de wet buiten de gemeenschap ( art. 1:94 lid 5 BW). Uit de rechtspraak blijkt dat de Hoge Raad, in tegenstelling tot de lagere rechtspraak, tot nog toe geen enkele schuld wegens advocaatkosten heeft aangemerkt als een verknochte schuld. In de lagere rechtspraak is wel aangenomen dat een schuld wegens advocaatkosten in de echtscheidingsprocedure als verknocht wordt aangemerkt (Hof Arnhem 15 juni 2004, RFR 2004/8 ).

Een beroep op de redelijkheid en billijkheid kan soms meer soelaas bieden. De redelijkheid en billijkheid, die de verhouding tussen deelgenoten van een gemeenschap beheersen ( art. 3:166 lid 3 BW), kunnen immers meebrengen dat een schuld aan een van beiden wordt 'toebedeeld' en dat de ander ten aanzien van die schuld geen of een geringere draagplicht heeft. Volgens de Hoge Raad kan dit niet dan in zeer uitzonderlijke gevallen worden aangenomen (laatstelijk HR 20 september 2013, RFR 2013/129 ). In de lagere rechtspraak zien we echter wel vaker dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een bepaalde schuld voor rekening van één van de echtgenoten blijft (bv. Rechtbank Zutphen 27 juni 2012, LJN BX4300 en Hof Amsterdam 14 mei 2013, LJN CA1866 ).

In de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 9 oktober 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:4416 ( FJR 2014/34.5 ), kiest het hof ook voor een afwijking van de verdeling van de gemeenschap bij helften op grond van de redelijkheid en billijkheid. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de man een lening bij zijn ouders is aangegaan ten behoeve van zijn advocaatkosten en dat deze lening ten onrechte in de verdeling is betrokken. Volgens de vrouw had de man destijds voldoende draagkracht en betaalde hij nog geen kinderalimentatie. Daarnaast zijn de door de man gestelde advocaatkosten disproportioneel hoog. Het zou in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid indien de vrouw zou moeten bijdragen aan de aflossing op deze lening. De man stelt dat hij zonder de lening de advocaatkosten niet kon betalen. Zijn advocaatkosten lopen op omdat de vrouw iedere medewerking weigert zodat telkenmale een rechterlijke uitspraak nodig is.

Het hof overweegt als volgt. De vrouw betwist het bestaan van voormelde lening niet. Deze gemeenschapsschuld dient in beginsel door beide partijen, ieder voor de helft, te worden gedragen. Op grond van de redelijkheid en billijkheid kan van deze hoofdregel worden afgeweken. Het hof acht in de onderhavige zaak daartoe termen aanwezig nu de vrouw ter terechtzitting naar voren heeft gebracht dat zij een alleenstaande moeder is met een bijstandsuitkering en schulden, terwijl de man een goed inkomen van € 90.000,- per jaar verdient. De man heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij een goed inkomen heeft. Gelet op deze aanzienlijke ongelijkheid in financiële posities van partijen acht het hof het niet redelijk en billijk dat de vrouw zou moeten meebetalen aan de schuld inzake de advocaatkosten van de man nu deze advocaatkosten betrekking hebben op de echtscheidingsprocedure.

[1]

Mr. C. de Bie-Koopman is advocaat te Alkmaar en (jurisprudentie)medewerker van FJR. Mr. P. Dorhout is advocaat te Egmond aan den Hoef en (jurisprudentie)medewerker van FJR.

FaLang translation system by Faboba
  • Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Duo enim genera quae erant, fecit tria. Igitur ne dolorem quidem. Nonne videmus quanta perturbatio rerum omnium consequatur, quanta confusio?
  • Certe, nisi voluptatem tanti aestimaretis. Ut necesse sit omnium rerum, quae natura vigeant, similem esse finem, non eundem. Duo Reges: constructio interrete.
  • Atque hoc loco similitudines eas, quibus illi uti solent, dissimillimas proferebas. Iam id ipsum absurdum, maximum malum neglegi. Cur deinde Metrodori liberos commendas?