085-0020809

Behoefte kind vaststellen aan de hand van Trema onbillijk FJR 2012-39

Bovenkant formulier

Essentie

Behoefte kind vaststellen aan de hand van Trema onbillijk door het lage inkomen van de moeder waardoor de alimentatie niet geheel aan het kind zal worden besteed.

Uitspraak

Feiten en procesverloop

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, binnen welke relatie partijen nooit hebben samengewoond. In 2009 is een zoon geboren. De vader heeft de zoon erkend, en partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over hem uit. De zoon heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder. In geschil is onder andere de hoogte van de behoefte van de zoon. De vader heeft aangegeven dat de becijfering van de rechtbank van de behoefte van de zoon op zichzelf genomen juist is, en in overeenstemming is met het Tremarapport. De vader stelt echter dat er in casu sprake is van een uitzondering die maakt dat het onverkort vasthouden aan voornoemd rapport tot een onbillijke uitkomst leidt. Het inkomen van de moeder is namelijk dusdanig gering, dat een bijdrage van de man van € 440,00 per maand voor de zoon feitelijk niet in zijn geheel aan de zoon kan worden besteed, waardoor de vader gaat bijdragen in het levensonderhoud van de moeder en de twee andere in het gezin van de moeder en de zoon verblijvende kinderen, terwijl hij ten opzichte van hen niet onderhoudsplichtig is.

Gerechtshof

Het hof volgt de man in zijn stelling. De vrouw heeft het hof desgevraagd niet duidelijk kunnen maken of en zo ja op welke wijze het bedrag van € 440,00 geheel ten behoeve van de zoon zal worden aangewend. De vader heeft ter zitting zijn verzoek aangepast in die zin dat hij bereid is een bedrag van € 275,00 per maand te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon, hetgeen naar het oordeel van het hof alleszins redelijk is. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de door de rechtbank bepaalde behoefte van de zoon van € 440,00 per maand niet in verhouding staat tot het inkomen van de moeder van € 980,00 per maand en een bedrag van € 137,00 per kind per maand aan onderhoudsbijdrage voor de twee andere in het gezin van de moeder en de zoon verblijvende kinderen. Bovendien dienen naar het oordeel van het hof de kosten welke gemaakt zouden worden indien de zoon in de gezinsituatie bij de vader zou verblijven, maar welke kosten in de gezinssituatie bij de moeder niet worden gemaakt, bij de bepaling van de behoefte niet te worden meegerekend.

Met noot van

C. de Bie-Koopman en P. Dorhout

Noot C.J. de Bie-Koopman

Volgens de wettelijke maatstaven moet bij het vaststellen van kinderalimentatie niet alleen rekening worden gehouden met de draagkracht van de onderhoudsplichtige ouder, maar ook met de behoefte van het kind ( art. 1:397 BW). Voor de vaststelling van die behoefte zijn sinds 1994 tabellen gepubliceerd in Trema, welke tabellen in de praktijk worden toegepast. Aanvankelijk is er nog gediscussieerd over de vraag of de tabel bij een inkomen van meer dan € 5000 lineair zou moeten worden doorgetrokken, en wat er moest gelden als de ouders nimmer hadden samengewoond. Die discussies zijn inmiddels kortgesloten. De discussies die in procedures wel nog worden gevoerd gaan meestal over de hoogte van het nettogezinsinkomen tijdens het huwelijk (of de relatie), en de vraag of de uit de tabel volgende behoefte naar boven toe moet worden gecorrigeerd op grond van bijzondere kosten, zoals bijvoorbeeld de kosten van een gehandicapt kind of extra hoge schoolkosten.

In het onderhavige geval gaat de discussie over het naar beneden bijstellen van de uit de tabel volgende behoefte. Partijen hebben nimmer samengewoond, en de behoefte is (kennelijk) bepaald aan de hand van het gemiddelde van de behoefte op basis van het inkomen van de beide ouders apart. De vader heeft vervolgens met succes betoogd dat dit bedrag naar beneden toe moet worden bijgesteld, omdat aannemelijk is dat de moeder vanwege haar lage inkomen het geld voor andere zaken zal aanwenden dan de kosten van het betreffende kind zelf. Dat is opmerkelijk te noemen. In de praktijk wordt immers nimmer duidelijk, en hoeft ook niet duidelijk te worden gemaakt, waaraan de verzorgende ouder de kinderalimentatie zal uitgeven. Het komt bij herhaling voor dat de betalende ouder opmerkt dat de ontvangende ouder het geld toch niet (geheel) aan de kinderen uitgeeft. Omdat in de onderhavige zaak de moeder een laag inkomen heeft, is het aannemelijk dat ze een deel van de kinderalimentatie zal moeten of willen aanwenden voor andere kosten binnen het gezin, en speelt dat plotseling een belangrijke rol. Dat het betreffende kind meeprofiteert van de ‘inkomensaanvulling’ van zijn moeder (als het goed gaat met het gezin, gaat het immers ook beter met het kind) is kennelijk niet van belang. Niet ondenkbaar is dat hiermee een nieuw tijdperk van discussies wordt ingeleid.

Overigens is ook in een eerder geval door een vader betoogd, en door de betreffende moeder erkend, dat de moeder vanwege haar lage inkomen de ontvangen kinderalimentatie voor een deel aan het eigen levensonderhoud besteedde (Hof ‘s-Hertogenbosch 3 februari 2011, LJN BP5807). In die zaak is echter de behoefte niet naar beneden gecorrigeerd, maar is bepaald dat de vader de helft in natura (kosten sport, kleding, bijlessen, enz.) mag voldoen.

Noot P. Dorhout

De vaststelling van kinderalimentatie geschiedt volgens de wettelijke maatstaven van draagkracht en behoefte. Voor de bepaling van de behoefte wordt gebruik gemaakt van de NIBUD-tabellen, die gebaseerd zijn op wat twee samenwonende ouders gemiddeld uitgeven aan hun kinderen. Door het gebruik van de tabel worden uitspraken voorspelbaarder en eensluidender. Een voorwaarde daarvoor is dat de tabellen zo vaak als mogelijk worden toegepast. De rechter is echter verplicht om daarvan af te wijken als hij of zij meent dat die niet in overeenstemming zijn met de wet.

Over de toepassing van de tabellen staan richtlijnen in het Tremarapport. Deze zijn echter niet altijd in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Een voorbeeld hiervan is de (sympathieke) regel dat een kind niet hoeft te lijden onder de scheiding en dat de behoefte niet kan dalen en dat de behoefte bij ouders die niet hebben samengeleefd het gemiddelde bedraagt van de behoefte bij ieder van de ouders. In dit geval werd namens de vader terecht gesteld dat de kinderalimentatie redelijkerwijs niet aan het kind kon worden uitgegeven, omdat het inkomen van de moeder zo laag was. Daarmee wordt de behoefte van het kind volgens de Tremanormen in het betreffende gezin in twijfel getroffen. Enerzijds is het een sympathieke gedachte dat een kind mag profiteren als het een rijke niet-verzorgende ouder heeft. Anderzijds staat deze regel te ver af van de realiteit. Dit zou pijnlijk duidelijk worden als de moeder nog een kind zou hebben gehad zonder onderhoudsplichtige vader en met dus een behoefte op bijstandsniveau.

Het is juist als de rechter afwijkt van de Tremanormen als die in het specifieke geval niet in overeenstemming zijn met de wet. Dit moet dan wel duidelijker gemotiveerd worden.

Onderkant formulier

Bovenkant formulier

Vindplaats:

FJR 2012/39

Datum:

14-02-2012

Instantie:

Hof 's-Hertogenbosch (Familiekamer)

Zaaknr:

HV 200.082.663/01

Magistraten:

Mrs. C.D.M. Lamers, P.C.G. Brants, A.A.P. Draijer-Udo

LJN:

BV3856

Conclusie:

-

Partijen

in de zaak in hoger beroep (zaaknummer HV 200.082.663/01) van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. E.S. Florijn,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.F.G. Mulders,

alsmede in de zaak in hoger beroep (zaaknummer HV 200.082.487/01) van:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.F.G. Mulders,

tegen

[X.],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. E.S. Florijn.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's‑Hertogenbosch van 19 november 2010.

2. Het geding in hoger beroep

In de zaak bekend onder zaaknummer HV 200.082.663/01

2.1.

Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 18 februari 2011, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen, voor zover daarbij een beslissing is genomen met betrekking tot de contactregeling gedurende de vakanties en de te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarige en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

— voor de vakanties een contactregeling vast te stellen zoals in het beroepschrift weergegeven;— te bepalen dat de vader gehouden zal zijn tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 137,00 per maand, althans een bedrag dat het hof redelijk acht.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 5 april 2011, heeft de moeder verzocht het verzoek van de vader af te wijzen. Tevens heeft de moeder incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen naar het hof begrijpt voor zover daarbij een beslissing is genomen met betrekking tot de contactregeling gedurende de vakanties en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor de vakanties, Vaderdag en Moederdag een contactregeling vast te stellen zoals in haar beroepschrift weergegeven.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 17 mei 2011, heeft de vader verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen.

In de zaak bekend onder zaaknummer HV 200.082.487/01

2.3.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 februari 2011, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen, voor zover het betreft de vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige over de periode van 1 april 2009 tot 1 mei 2010, en, opnieuw rechtdoende en zonodig onder aanvulling van de rechtsgronden, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dient te voldoen een bedrag van € 440,00 per maand.

2.4.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 18 april 2011, heeft de vader verzocht de moeder in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren met veroordeling van de moeder in de proceskosten in hoger beroep, dan wel haar verzoek af te wijzen.

In de zaken bekend onder zaaknummers HV 200.082.663/01 en HV 200.082.487/01

2.5.

Gelet op de verknochtheid van de onder nummer HV 200.082.663/01 en HV 200.082.487/01 ter griffie ingeschreven zaken, heeft het hof beide zaken gevoegd, opdat zij gezamenlijk zullen worden behandeld en beslist in één door het hof te geven beschikking.

2.6.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 januari 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

— de vader, bijgestaan door mr. E.S. Florijn;— de moeder, bijgestaan door mr. M.F.G. Mulders;— de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw E.A.P. van den Dam.

2.7.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

— de brief met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 30 december 2011;— de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 5 januari 2012.

3. De beoordeling

In de zaken bekend onder zaaknummers HV 200.082.663/01 (in het principaal en incidenteel appel) en HV 200.082.487/01

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, binnen welke relatie partijen nooit hebben samengewoond.

Uit de relatie van partijen is geboren:

— [Z.] (ook te noemen: [[zoon]), op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats].

De vader heeft [zoon] erkend. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [zoon] uit. [zoon] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij de bestreden — uitvoerbaar bij voorraad verklaarde — beschikking, heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de vader met ingang van 1 mei 2010 bij vooruitbetaling aan de moeder moet voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon] een bedrag van € 440,00 per maand en over de periode van 1 april 2009 tot 1 mei 2010 een totaalbedrag van € 2.500,00. Voorts heeft de rechtbank een contactregeling vastgesteld zoals in deze beschikking is weergegeven.

3.3.

Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan afzonderlijk in hoger beroep gekomen.

In de zaak bekend onder zaaknummer HV 200.082.663/01

3.4.

De vader voert in zijn beroepschrift, kort samengevat, het volgende aan. De rechtbank is er ten onrechte van uitgegaan dat in goed onderling overleg afspraken gemaakt kunnen worden over een geleidelijke uitbreiding van het contact gedurende de vakanties. Omdat dit niet mogelijk blijkt, verzoekt de vader een concrete regeling vast te stellen teneinde zoveel mogelijk meningsverschillen te voorkomen.

3.5.

De moeder voert in haar verweerschrift tevens houdende incidenteel appel, kort samengevat, het volgende aan. De moeder is van mening dat de door de rechtbank vastgestelde contactregeling duidelijk en in het belang van [zoon] is. Omwille van de duidelijkheid verzoekt de moeder wel de opbouw tijdens de vakanties vast te stellen.

3.6.

De vader voert in zijn verweerschrift in incidenteel appel, kort samengevat, aan dat hij zich niet kan verenigen met het verzoek van de moeder, voor zover dat afwijkt van zijn verzoek.

3.7.

De raad heeft ter zitting aangegeven dat [zoon] in de toekomst zeker last gaat krijgen van de wijze waarop de ouders met elkaar communiceren, voor zover bij hem thans niet al sprake is van een loyaliteitsconflict. Het is voor [zoon] van essentieel belang dat de ouders op een goede manier met elkaar leren communiceren.

3.8.1.

Ter zitting hebben partijen erkend dat het belang van partijen bij het verzoek tot het vaststellen van een contactregeling voor het jaar 2011 door tijdsverloop is komen te vervallen.

3.8.2.

Vervolgens hebben partijen ter zitting uitvoerig gedebatteerd over de invulling van de contactregeling gedurende de vakanties en — met name — de mogelijkheden om de tussen partijen verstoorde communicatie te verbeteren. Partijen hebben het hof gevraagd de zitting te onderbreken, aan welk verzoek het hof gehoor heeft gegeven. Na hervatting van de zitting hebben partijen aangegeven bereid te zijn deel te nemen aan de module ‘(V)echtscheiding’ van de Herlaarhof te [vestigingsplaats] en de daarvoor benodigde stappen, zoals het verkrijgen van een indicatiebesluit via de Stichting Bureau Jeugdzorg, te zullen ondernemen.

3.8.3.

Partijen hebben tevens afspraken gemaakt over het contact gedurende de carnavals- en meivakantie. Partijen hebben het hof voorts gevraagd een beslissing te nemen ten aanzien van de contactregeling voor de zomervakantie 2012. De moeder opteert voor om en om een week en de vader voor twee weken aaneengesloten en één week los. Gezien de leeftijd van [zoon] en het feit dat er tussen [zoon] en zijn vader al langere tijd regelmatig contact is, ziet het hof geen enkele aanleiding om het voorstel van de vader niet toe te wijzen.

3.9.

Op grond van het vorenstaande zal het hof een voorlopige contactregeling vaststellen en de verdere behandeling van de zaak vier maanden aanhouden, en wel tot 12 juni 2012 pro forma, teneinde de resultaten van de module ‘(V)echtscheiding’ af te wachten. De raadslieden van partijen worden verzocht het hof vóór genoemde datum schriftelijk te informeren over het verloop en de resultaten van de deelname van partijen aan de module ‘(V)echtscheiding’ en het door partijen gewenste verdere verloop van de onderhavige procedure.

In de zaak bekend onder zaaknummer HV 200.082.487/01

3.10.

De moeder voert in haar beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank vastgesteld dat de vader over de periode van 1 april 2009 tot 1 mei 2010 in totaal een bedrag van € 2.500,00 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon] verschuldigd is. Immers, de vader stelt zich thans op het standpunt dat hij op dat bedrag nog slechts een klein bedrag van € 150,00 hoefde te voldoen omdat hij over die periode al een bijdrage voor [zoon] geleverd heeft van € 2.350,00 totaal. Indien de vrouw geweten had dat de man meende tot deze verrekening over te mogen gaan zou zij nooit haar verzoek in eerste aanleg op deze wijze geformuleerd hebben.

3.11.

De vader voert in zijn verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat, het volgende aan. De vader stelt primair dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar beroep, nu zij in beroep komt tegen een beslissing waar zij zelf om heeft gevraagd, dan wel door de moeder in beroep een nieuw verzoek wordt gedaan.

De vader stelt zich op het standpunt dat is afgesproken dat over de periode van 1 april 2009 tot 1 mei 2010 door de vader een bijdrage zou worden betaald van € 2.500,00, welk bedrag door hem is voldaan. De vader verzet zich tegen het met terugwerkende kracht vaststellen c.q. verhogen van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon]. Er is geen reden om af te wijken van het gebruikelijke oordeel dat een dergelijke vaststelling pas mogelijk is vanaf het moment van indiening van het daartoe strekkende verzoek.

3.12.

Voor zover de vader betoogt dat de moeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek betreffende de vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon] over de periode van 1 april 2009 tot 1 mei 2010, kan het hof de vader daarin niet volgen. Uit de toelichting van de moeder op deze grief blijkt duidelijk dat zij haar verzoek in eerste aanleg onvoldoende duidelijk heeft geformuleerd tengevolge waarvan de rechtbank tot de bestreden beslissing gekomen is. Nu het hoger beroep er ook voor is om omissies uit de eerste aanleg te herstellen kan de moeder hierin ontvangen worden.

Ingangsdatum

3.13.

De ingangsdatum van de verzochte onderhoudsbijdrage, zijnde 1 april 2009, is tussen partijen niet in geschil.

Behoefte kind

3.14.1.

De vader heeft aangegeven dat de becijfering van de rechtbank van de behoefte van [zoon] op zichzelf genomen juist is, want in overeenstemming met hetgeen in het zogeheten Trema rapport op deze situatie van toepassing is. De vader stelt echter dat er in casu sprake is van een uitzondering die maakt dat het onverkort vasthouden aan voornoemd rapport tot een onbillijke uitkomst leidt. Het inkomen van de moeder is namelijk dusdanig gering, dat een bijdrage van de man van € 440,00 per maand voor [zoon] feitelijk niet in zijn geheel aan [zoon] kan worden besteed, waardoor de vader gaat bijdragen in het levensonderhoud van de moeder en de twee andere in het gezin van de moeder en [zoon] verblijvende kinderen, terwijl hij ten opzichte van hen niet onderhoudsplichtig is.

3.14.2.

Het hof zal de man in deze stelling volgen. De vrouw heeft het hof desgevraagd niet duidelijk kunnen maken of en zo ja op welke wijze het bedrag van € 440,00 geheel ten behoeve van [zoon] zal worden aangewend.

De vader heeft ter zitting zijn verzoek aangepast in die zin dat hij bereid is een bedrag van € 275,00 per maand te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon], hetgeen naar het oordeel van het hof alleszins redelijk is. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de door de rechtbank bepaalde behoefte van [zoon] van € 440,00 per maand niet in verhouding staat tot het ‘inkomen’ van de moeder van € 980,00 per maand en een bedrag van € 137,00 per kind per maand aan onderhoudsbijdrage voor de twee andere in het gezin van de moeder en [zoon] verblijvende kinderen. Bovendien dienen naar het oordeel van het hof de kosten welke gemaakt zouden worden indien [zoon] in de gezinsituatie bij de vader zou verblijven, maar welke kosten in de gezinssituatie bij de moeder niet worden gemaakt, bij de bepaling van de behoefte niet te worden meegerekend.

3.14.3.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de behoefte van [zoon] bepalen op € 275,00 per maand.

Draagkracht

3.15.

Tussen partijen staat vast dat de moeder draagkracht mist om enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon] te voldoen en dat de vader in de gehele behoefte van [zoon] kan voorzien.

3.16.

De beschikking waarvan beroep, dient dus gedeeltelijk te worden vernietigd.

4. De beslissing

Het hof:

In de zaken bekend onder zaaknummers HV 200.082.663/01 (in het principaal en incidenteel appel) en HV 200.082.487/01 vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank 's‑Hertogenbosch van 19 november 2010, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon] dient te voldoen een bedrag van € 440,00 per maand;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de vader aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon] zal voldoen een bedrag van € 275,00 per maand met ingang van 1 april 2009, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verzoekt partijen het hof op de onder 3.9 aangegeven wijze te berichten;

stelt een voorlopige contactregeling voor de vakanties vast, inhoudende dat er tussen de vader en [zoon] contact plaatsvindt:

— tijdens de carnavalsvakantie 2012: van maandag 20 februari 2012 tot en met woensdag 22 februari 2012 om 9.00 uur;— tijdens de meivakantie 2012: van vrijdag 20 april 2012 tot en met zaterdag 28 april 2012 om 9.00 uur, alsmede vanaf zondag 6 mei 2012 om 9.00 uur;— tijdens de zomervakantie 2012: gedurende twee aaneengesloten weken, alsmede gedurende één aaneengesloten week, door partijen in onderling overleg te bepalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 12 juni 2012.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, P.C.G. Brants en A.A.P. Draijer-Udo en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2012.

Onderkant formulier

FaLang translation system by Faboba