085-0020809

Gezag, wijziging gezag na huwelijk in eenhoofdig gezag, geen enkele communicatie tussen partijen mogelijk, geen onaanvaardbaar risico op klem of verloren raken FJR 2009-73

Bovenkant formulier

Essentie

Gezag, wijziging gezag na huwelijk in eenhoofdig gezag, geen enkele communicatie tussen partijen mogelijk, geen onaanvaardbaar risico op klem of verloren raken; art. 1:251a BW

Uitspraak

Procesverloop

De rechtbank heeft in april 2006 reeds de echtscheiding uitgesproken en de behandeling van de nevenvoorzieningen ten aanzien van het gezag en de omgang tussen de man en de twee kinderen van partijen van 9 en 10 jaar zijn aangehouden in afwachting van het verloop van de hulpverlening door Stichting De Praktijk, gericht op het herstel van het contact met hun vader. De stichting heeft meegedeeld dat zij de opdracht niet kan uitvoeren. Ook het Lorentzhuis heeft getracht hulp te verlenen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft op grond van de onopgeloste conflicten tussen de ouders geadviseerd geen omgang vast te stellen, nu dat niet langer in het belang van de minderjarigen kan worden geacht. De Raad voor de Kinderbescherming vindt de bestaande communicatieproblemen tussen de ouders dusdanig ernstig dat de kinderen klem blijven zitten tussen de ouders. De Raad voor de Kinderbescherming verwacht hierin binnen afzienbare tijd geen verbetering.

De man heeft zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling ingetrokken, gaat akkoord met vaststelling van het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw en verzoekt de vrouw een informatieverplichting op te leggen zoals door de Raad voor de Kinderbescherming is geadviseerd. Hij verweert zich tegen het verzoek van de vrouw om eenhoofdig gezag.

De vrouw heeft haar verzoek om het eenhoofdig gezag onderbouwd met de stelling dat tussen partijen een dermate verstoorde verstandhouding bestaat dat het belang van de kinderen in het gedrang komt en voorts dat het agressieve gedrag van de man jegens de kinderen voor hen een dermate groot risico is dat een toewijzing van het gezag aan de vrouw alleen gewenst is. Ter zitting heeft de vrouw nog aangevoerd dat de communicatieproblemen tussen de ouders zo ernstig zijn dat de minderjarigen daadwerkelijk klem zitten. De angst van de kinderen voor hun vader door hun ervaringen in het verleden is volgens de vrouw zo groot dat zij dagenlang van slag zijn als zij maar denken hem te hebben gezien.

De man betwist dat zijn handelen aanleiding zou kunnen zijn hem het gezag te ontnemen. Hij ontkent dat geen enkele communicatie tussen partijen mogelijk is. Hij heeft uitgelegd dat hij aan het ouderlijke gezag blijft hechten om naar de kinderen toe helder te houden dat hij alles heeft geprobeerd om het contact met hen te herstellen en op die manier, zonder de vrouw op welke wijze dan ook te dwarsbomen, bij de kinderen betrokken te blijven.

Rechtbank

Het uitgangspunt van de wet (zoals met ingang van 1 maart jl. gewijzigd) is dat de ouders die tijdens het huwelijk gezamenlijk het gezag uitoefenden na een echtscheiding belast blijven met dat gezamenlijke gezag, tenzij er, op de voet van art. 1:251a BW, (a) een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De rechtbank constateert dat de hulpverlenende instanties geen omstandigheden hebben geconstateerd die zouden kunnen rechtvaardigen dat de man zijn gezag wordt ontnomen. De vrouw heeft niet kunnen aantonen dat de man zich ten opzichte van haar of de kinderen heeft schuldig gemaakt aan grensoverschrijdend agressief gedrag. De aangiften van de vrouw bij de politie omtrent mishandeling hebben zowel wat betreft haarzelf als de kinderen in hoger beroep tot vrijspraak geleid.

De jarenlange inzet van de professionele hulpverlening was erop gericht het zorgenbarende conflict tussen de ouders beheersbaar te maken en het contact tussen de man en de minderjarigen te herstellen. Het wantrouwen tussen de ouders, de procedures over en weer en het feit dat zij op betrekkingsniveau in de verhouding staan van ‘slachtoffer’ en ‘dader’ hebben het echter onmogelijk gemaakt om de contacten tussen de kinderen en vader te herstellen.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft voorts met spijt vastgesteld dat een gezamenlijk gezag niet langer in het belang van de minderjarigen is te achten, maar dat geen andere mogelijkheid meer openstaat, omdat alles wat gedaan kan worden zonder resultaat is geprobeerd en de verstandhouding tussen partijen nog immer ernstig verstoord is.

De rechtbank is echter van oordeel dat de intrekking door de man van zijn verweer ten aanzien van de verblijfplaats van de minderjarigen in hun belang is te achten en dat zijn afzien van enig contact met hen een betekenisvolle wijziging van omstandigheden inhoudt. De man heeft ter zitting verklaard zich neer te leggen bij de omstandigheid dat de vrouw in feite het leeuwendeel in de zeggenschap over de kinderen heeft en zich dienaangaande terughoudend op te stellen. Hij heeft voorts verklaard zonder dralen zijn toestemming te verlenen wanneer die is vereist, zoals in het kader van het volgen van onderwijs, bij eventuele benodigde medische ingrepen en de verkrijging van paspoorten, maar daar tegenover op de hoogte te willen worden gehouden omtrent het wel en wee van de kinderen om op die manier enige band met hen te kunnen houden.

Naar het oordeel van de rechtbank is het niet uitsluitend aan de man te wijten — die immers al jaren geen contact meer met zijn kinderen heeft — dat het slechte vaderbeeld dat de kinderen hebben nog onverkort in stand is gebleven. Toewijzing van het verzoek van de vrouw zou betekenen dat de man een nog kleinere rol zou spelen in het leven van de kinderen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank thans niet in hun belang is. De rechtbank is onder de hiervoor genoemde omstandigheden van oordeel dat door het handhaven van het gezamenlijke gezag de minderjarigen niet verder in het conflict tussen de ouders worden betrokken dan ze nu al zijn.

De rechtbank is na een weging van de standpunten, met name gelet op het thans vrijwillige terugtreden van de man uit de strijd met de vrouw, niet tot de overtuiging kunnen komen dat een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarigen klem of verloren zouden kunnen raken tussen de ouders of dat een wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is. De door de vrouw en de Raad voor de Kinderbescherming aangedragen onderbouwing is, ook gelet op de nadere toelichting ter zitting, naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf onvoldoende om nu tot een ander oordeel te komen. De rechtbank is derhalve op grond van het voorgaande van oordeel dat het verzoek van de vrouw om haar met het eenhoofdige gezag te belasten in het belang van de kinderen afgewezen dient te worden.

Wat betreft de door de man verzochte informatieplicht, zoals nader gespecificeerd ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, heeft de vrouw mondeling verklaard daarmee geen problemen te hebben. Haar advocaat heeft de noodzaak van een daarbij op te leggen dwangsom ter discussie gesteld.

De rechtbank acht begrijpelijk dat de man, gelet op de duur en het verloop van de procedure, weinig vertrouwen meer heeft in de medewerking van de vrouw, maar ziet thans geen reden tot het opleggen van een dwangsom.

Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en het verdere verhandelde ter zitting in beschouwing genomen, zal de rechtbank een informatieplicht opleggen.

Partijen hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling toegezegd met behulp van hun raadslieden te bezien hoe de man kan omgaan met de door hem te ontvangen informatie en hoe de vrouw de minderjarigen kan ondersteunen en stimuleren open te staan voor een rol van hun vader in hun leven.

De rechtbank verwacht dat partijen elkaar daarbij als ouders van dezelfde kinderen zullen respecteren en met een positieve instelling jegens hun kinderen het belang van contact met beide ouders zullen benadrukken.

De minderjarigen zullen alleen dan de gelegenheid krijgen een reëel beeld van zowel hun moeder als hun vader te vormen, hetgeen van groot belang is bij hun opgroeien tot stabiele volwassenen die zich in de maatschappij staande weten te houden.

Met noot van

P. Dorhout

Noot

De rechtbank heeft geoordeeld dat de kinderen niet klem of verloren kunnen komen als er geen contact is tussen de vader en de kinderen en hij belooft steeds zijn toestemming te zullen verlenen bij gezagsbeslissingen. De noodzaak om hem het gezag te ontnemen vervalt daarmee. Toch is dit natuurlijk een pyrrusoverwinning. Wat houdt het gezag nu in als er geen contact is tussen de vader en de kinderen en het gezag over hen niet door hem wordt uitgeoefend? De wet bepaalt in art. 1:247 BW dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder omvat om zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. In casu is dat een dode letter, en gaat de vader geen enkele betekenisvolle rol spelen in het leven van zijn kinderen. De vader heeft betoogd dat zijn kinderen hem later niets kunnen verwijten, omdat hij er alles aan heeft gedaan om het contact te herstellen en bij hen betrokken te blijven. De rechtbank honoreert deze wens. Ik denk echter dat het van belang zou zijn om de feitelijke en de juridische situaties met elkaar in overeenstemming te brengen. Niet alleen wordt de vader blij gemaakt met een dode mus, ook hollen dergelijke uitspraken het gezamenlijk gezag uit tot nog minder dan de toeziende voogdij eens was voor de afschaffing daarvan.

PD samen met mr. Corinne de Bie, advocaat te Alkmaar.

Onderkant formulier

Bovenkant formulier

Vindplaats:

FJR 2009, 73

Datum:

23-04-2009

Instantie:

Rechtbank Alkmaar

Zaaknr:

76686/ESRK04-1355

Magistraten:

-

LJN:

BL8395

Conclusie:

-

Dit brondocument is niet beschikbaar.

Onderkant formulier

FaLang translation system by Faboba