In strijd met het gezagsrecht met de kinderen is verhuisd FJR 2013-45

Bovenkant formulier

Essentie

De voorzieningenrechter veroordeelt een moeder die zonder toestemming en in strijd met het gezagsrecht met de kinderen is verhuisd, om terug te verhuizen naar de plaats van de echtelijke woning.

Uitspraak

Feiten en procesverloop

Partijen zijn met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren, die thans 9 en 10 jaar oud zijn. De man en de vrouw hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen. De vrouw heeft een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt. Partijen leven sinds april 2012 gescheiden. Partijen zijn onderling overeengekomen dat de man in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd is tot contact met de kinderen een weekend per 14 dagen van vrijdag 18:00 uur tot zondag 20:00 uur alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties. De vrouw is tussen Kerstmis en Oud en Nieuw 2012 zonder medeweten en zonder zijn toestemming van de man verhuisd van Nispen naar Oosterhout (40 kilometer). De vrouw heeft weliswaar enige tijd daarvoor tijdens een viergesprek de wens geuit naar Oosterhout te willen verhuizen, maar de man heeft hierop uitdrukkelijk te kennen gegeven dit niet goed te zullen keuren.

De man vordert in kort geding, de vrouw te veroordelen te verhuizen naar een woning gelegen binnen een straal van 15 km van de echtelijke woning te Nispen, zulks op straffe van een dwangsom, met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding.

De man voert daartoe aan dat nu partijen het gezamenlijk gezag over de kinderen hebben, de vrouw alvorens naar Oosterhout te verhuizen, toestemming van de man had moeten verkrijgen dan wel vervangende toestemming van de rechtbank. Door zonder (vervangende) toestemming te verhuizen heeft de vrouw naar de mening van de man onrechtmatig gehandeld. Ze heeft hierdoor ook een situatie gecreëerd waardoor aan het door de man gewenste co-ouderschap moeilijker vorm kan worden gegeven. Nog afgezien daarvan is de man van mening dat na afweging van alle in het geding zijnde belangen de vrouw onvoldoende belang heeft bij een verhuizing naar Oosterhout althans dat de noodzaak daarvan niet is komen vast te staan. Daartoe wijst de man erop dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat de woning in Essen, waar de vrouw na het uiteengaan van partijen heeft verbleven, in een slechte staat verkeert en dat zij geen financiën heeft om een andere woning in de buurt van de echtelijke woning te betrekken. Verder acht de man het niet in het belang van de kinderen om elke dag vanuit Oosterhout op en neer naar hun school in België te reizen. In dit kader wijst de man er nog op dat partijen er destijds bewust voor hebben gekozen om de kinderen in België op school te doen. Verder betwist de man dat hij een alcoholprobleem heeft.

De vrouw voert aan dat zij enige tijd geleden al in een viergesprek heeft aangekondigd dat zij met de kinderen bij haar broer in Oosterhout haar intrek kon nemen. Ook tijdens het opmaken van het ouderschapsplan is deze verhuizing ter sprake gekomen. De man is door de verhuizing derhalve allerminst overvallen. De vrouw is dan ook van mening dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld door naar Oosterhout te verhuizen. Verder voert de vrouw aan dat de woning in Essen een ongezonde leefomgeving en een te zware financiële belasting voor haar vormde. De vrouw heeft nog in de omgeving van de echtelijke woning gekeken naar andere woningen, maar veel woningen zijn te duur voor haar. De woningen die ze wel kan betalen, betreffen kleine appartementen waar de kinderen niet hun eigen kamer hebben. De vrouw acht het niet in het belang van de kinderen om daar te wonen. De vrouw geeft er daarbij de voorkeur aan om in Oosterhout te wonen. Ze heeft sinds 2009 een fulltime baan in Oosterhout, haar familie woont in Oosterhout en door op afstand van de man te wonen is zij beter in de gelegenheid om haar eigen leven weer op te bouwen. De woning van haar broer, waar zij thans verblijft, betreft een grote woning met eigen kamers voor de kinderen. De vrouw kan daar vooralsnog wonen zonder een financiële tegenprestatie te leveren. Dit stelt haar in staat financieel orde op zaken te stellen. De vrouw bevestigt dat partijen er destijds voor hebben gekozen om de kinderen in België naar school te doen. De kinderen gaan nog steeds naar deze school. Zij ervaren het halen en brengen niet als bezwaarlijk. De vrouw geeft wel aan dat de kinderen naar verwachting op den duur naar een school in Oosterhout zullen gaan. Verder voert de vrouw aan dat de man niet goed met alcohol kan omgaan en dat hierdoor het vertrouwen van de vrouw in de man is geschaad. De vrouw voelt zich ook niet veilig in de buurt van de man.

De Voorzieningenrechter

De vrouw is zonder toestemming van de man dan wel vervangende toestemming van de rechtbank naar Oosterhout verhuisd. Zij heeft dit gedaan vanwege haar werk, sociale omgeving en financiën. De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelijkwaardigheid van partijen met betrekking tot de verzorging en opvoeding van de kinderen ook na scheiding uitvloeisel is van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de opvoeding en ontwikkeling van de kinderen. De voorzieningenrechter acht gelijkwaardig overleg over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan ook van essentieel belang voor de echtscheidingsprocedure van partijen, ongeacht wat de uitkomst hiervan zal zijn. Door de verhuizing van de vrouw naar Oosterhout is behoorlijk en gelijkwaardig overleg hierover onvoldoende mogelijk geworden. Om een gelijkwaardig overleg over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken mogelijk te maken dient de vrouw dan ook terug te verhuizen naar een woning in de buurt van de echtelijke woning van partijen. De omstandigheid dat dit extra kosten voor de vrouw zal meebrengen komt voor haar rekening en risico. Zij had immers niet zonder toestemming mogen verhuizen.

De gevraagde voorziening ligt dan ook voor toewijzing gereed, met dien verstande dat de voorzieningenrechter de vrouw zal bevelen binnen acht weken te verhuizen naar een woning binnen een straal van 20 km van de echtelijke woning van partijen. In de houding van de vrouw ziet de voorzieningenrechter aanleiding om aan het bevel tot verhuizen een dwangsom te verbinden. De voorzieningenrechter zal de dwangsom vaststellen op € 500 per dag dat de vrouw in gebreke mocht blijven aan dit bevel te voldoen. Zij zal daaraan een maximum verbinden van € 10.000.

Met noot van

P. Dorhout

Noot

De voorzieningenrechter stelt vast dat de vrouw in strijd met het mede aan de man toekomende gezagsrecht met de kinderen is verhuisd op grond waarvan de vrouw tot een verhuizing wordt veroordeeld. Dit is opmerkelijk, daar de man en de vrouw gezamenlijk met het ouderlijk gezag zijn belast over de kinderen en het ouderlijk gezag niets bepaalt over het recht van de vrouw om te verhuizen naar een andere woonplaats. Dat zou ook niet mogelijk zijn, nu het recht om te verhuizen is geborgd in internationale verdragen, zoals in art. 12 van het BuPo-verdrag, dat het recht op vrije verplaatsing en vrije vestiging beschermt. De vrouw heeft in beginsel volledige vrijheid haar leven naar eigen goeddunken in te richten en haar woonplaats te kiezen. Iets anders is dat ingevolge het gezamenlijk gezag dat partijen over de kinderen uitoefenen zij een belangrijke beslissing ten aanzien van de kinderen, zoals het verhuizen van de kinderen naar een andere woonplaats is, alleen gezamenlijk kunnen nemen. Verder rust op de vrouw de wettelijke verplichting om het contact tussen de kinderen en de man in stand te houden. Dit contact wordt weliswaar bemoeilijkt door de verhuizing, maar is zeker niet onmogelijk. De vrouw heeft de kinderen in strijd met het gezagsrecht laten verhuizen. De vordering ziet er echter op dat de vrouw terugverhuist met de kinderen naar een plaats minder dan 15 km verwijderd van de echtelijke woning. Deze vordering kan niet worden toegewezen op basis van het gezamenlijk gezagsrecht van de ouders over de kinderen. De man had beter kunnen vorderen dat de kinderen terug zouden verhuizen naar de echtelijke woning.

De man had eventueel kunnen aanvoeren dat de vrouw jegens hem een onrechtmatige daad heeft begaan door in strijd met het gezamenlijk gezagsrecht de kinderen te laten verhuizen. Daartoe moet worden voldaan aan vijf vereisten, te weten: de daad moet onrechtmatig zijn, de daad moet kunnen worden toegerekend aan de dader, er moet schade zijn ontstaan, er is een causaal verband tussen de daad en de schade en de geschonden norm moet strekken tot bescherming van degenen die er een beroep op doet en of tot bescherming tegen de door hem geleden schade. In deze casus is aan de meeste vereisten wel voldaan, het is echter de vraag of de man enige schade heeft geleden zoals de wet vereist. Hij zou kunnen aanvoeren dat hij door de verhuizing extra kosten moet maken om het contact met de kinderen in stand te houden. Als er een onrechtmatige daad geconstateerd kan worden, kan de man van de vrouw vorderen dat zij de vorige toestand herstelt. Op grond hiervan zou de voorzieningenrechter eventueel de vrouw kunnen veroordelen om terug te verhuizen naar de omgeving van de echtelijke woning.

Nu een onrechtmatige daad niet als grond is aangevoerd door de man, lijkt mij dat de beslissing van de voorzieningenrechter geen steun in het recht vindt. Het is ook zeer de vraag of de ‘niet-verzorgende ouder’ het recht heeft om te verhuizen, nu de wet geen onderscheid maakt tussen verzorgende ouder en niet-verzorgende ouder en alleen spreekt over de verdeling van de zorg tussen beide ouders. Op grond van de wet heeft daarom de ene ouder dezelfde rechten en plichten als de andere ouder.

De advocaat van de man heeft de eis om te ageren tegen deze verhuizing verkeerd geformuleerd. De advocaat van de vrouw heeft er in het verweer kennelijk niets over gezegd. Beide advocaten zouden moeten weten dat het de vrouw zelf in beginsel vrijstond om te verhuizen.

Onderkant formulier

Bovenkant formulier

Vindplaats:

FJR 2013/45

Datum:

12-02-2013

Instantie:

Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Voorzieningenrechter)

Zaaknr:

258788 KG ZA 13-30

Magistraten:

LJN:

BZ2097

Conclusie:

-

Partijen

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Jeugdrecht

Breda

voorzieningenrechter

Zaaknummer: 258788 KG ZA 13-30

12 februari 2013

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van

[naam eiser],

wonende te Nispen, gemeente Roosendaal

e i s e r bij dagvaarding van 22 januari 2012,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. C.G.A. Matheussens,

t e g e n :

[gedaagde],

wonende te Oosterhout,

g e d a a g d e,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.J.B. Brits.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de navolgende door partijen voor het wijzen van vonnis overgelegde stukken:

- de dagvaarding,- de pleitnota van mr. J.J.B. Brits en de door deze in het geding gebrachte producties.

Partijen hebben voorts ter terechtzitting van 29 januari 2013 hun stellingen mondeling nader toegelicht.

De voorzieningenrechter heeft de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarigen dit eiste.

2. Het geschil

De man vordert bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat, de vrouw te veroordelen althans te gebieden binnen 14 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis te verhuizen naar een woning gelegen binnen een straal van 15 km van de echtelijke woning, zulks op straffe van een dwangsom, met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding.

De vrouw spreekt deze vordering tegen.

3. De beoordeling

3.1

Tussen partijen staat blijkens de stellingen en overgelegde stukken het volgende vast.

- Partijen zijn met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn geboren de minderjarigen:1. [naam kind 1] geboren te Roosendaal op 4 mei 2002,2. [naam kind 2], geboren te Roosendaal op 24 augustus 2003.

- De man en de vrouw hebben gezamenlijk het gezag over deze kinderen.- De vrouw heeft een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank.- Partijen leven sinds april 2012 gescheiden.- Partijen zijn onderling overeengekomen dat de man in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd is tot contact met de kinderen een weekend per 14 dagen van vrijdag 18:00 uur tot zondag 20:00 uur alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties.

3.2

De man legt aan zijn vordering ten grondslag dat de vrouw tussen Kerstmis en Oud en Nieuw 2012 zonder zijn medeweten en zonder zijn toestemming is verhuisd naar Oosterhout. De vrouw heeft weliswaar enige tijd daarvoor tijdens een viergesprek de wens geuit dat ze naar Oosterhout wil verhuizen, maar de man heeft hierop uitdrukkelijk te kennen gegeven dit niet goed te zullen keuren. Nu partijen het gezamenlijk gezag over de kinderen hebben, had de vrouw alvorens naar Oosterhout te verhuizen, toestemming van de man moeten verkrijgen dan wel vervangende toestemming van de rechtbank. Door zonder (vervangende) toestemming te verhuizen heeft de vrouw naar de mening van de man onrechtmatig gehandeld. Ze heeft hierdoor ook een situatie gecreëerd waardoor aan het door de man gewenste co-ouderschap moeilijker vorm kan worden gegeven. Nog afgezien daarvan is de man van mening dat na afweging van alle in het geding zijnde belangen de vrouw onvoldoende belang heeft bij een verhuizing naar Oosterhout althans dat de noodzaak daarvan niet is komen vast te staan. Daartoe wijst de man erop dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat de woning in Essen, waar de vrouw na het uiteengaan van partijen heeft verbleven, in een slechte staat verkeert en dat zij geen financiën heeft om een andere woning in de buurt van de echtelijke woning te betrekken. Verder acht de man het niet in het belang van de kinderen om elke dag vanuit Oosterhout op en neer naar hun school in België te reizen. In dit kader wijst de man er nog op dat partijen er destijds bewust voor hebben gekozen om de kinderen in België op school te doen. Verder betwist de man dat hij een alcoholprobleem heeft.

3.3

De vrouw voert aan dat zij enige tijd geleden al in een viergesprek heeft aangekondigd dat zij met de kinderen bij haar broer in Oosterhout haar intrek kon nemen. Ook tijdens het opmaken van het ouderschapsplan is deze verhuizing ter sprake gekomen. De man is door de verhuizing derhalve allerminst overvallen. De vrouw is dan ook van mening dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld door naar Oosterhout te verhuizen. Verder voert de vrouw aan dat de woning in Essen een ongezonde leefomgeving en een te zware financiële belasting voor haar vormde. De vrouw heeft nog in de omgeving van de echtelijke woning gekeken naar andere woningen, maar veel woningen zijn te duur voor haar. De woningen die ze wel kan betalen, betreffen kleine appartementen waar de kinderen niet hun eigen kamer hebben. De vrouw acht het niet in het belang van de kinderen om daar te wonen. De vrouw geeft er daarbij de voorkeur aan om in Oosterhout te wonen. Ze heeft sinds 2009 een fulltime baan in Oosterhout, haar familie woont in Oosterhout en door op afstand van de man te wonen is zij beter in de gelegenheid om haar eigen leven weer op te bouwen. De woning van haar broer, waar zij thans verblijft, betreft een grote woning met eigen kamers voor de kinderen. De vrouw kan daar vooralsnog wonen zonder een financiële tegenprestatie te leveren. Dit stelt haar in staat financieel orde op zaken te stellen. De vrouw bevestigt dat partijen er destijds voor hebben gekozen om de kinderen in België naar school te doen. De kinderen gaan nog steeds naar deze school. Zij ervaren het halen en brengen niet als bezwaarlijk. De vrouw geeft wel aan dat de kinderen naar verwachting op den duur naar een school in Oosterhout zullen gaan. Verder voert de vrouw aan dat de man niet goed met alcohol kan omgaan en dat hierdoor het vertrouwen van de vrouw in de man is geschaad. De vrouw voelt zich ook niet veilig in de buurt van de man.

3.4

Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen staat het spoedeisend belang van de man bij zijn vordering vast.

3.5

De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen in een echtscheidingsprocedure verwikkeld zijn en dat zij het gezamenlijk gezag hebben over de kinderen. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat de vrouw zonder toestemming van de man dan wel vervangende toestemming van de rechtbank naar Oosterhout is verhuisd. Zij heeft dit gedaan vanwege haar werk, sociale omgeving en financiën.

3.6

De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelijkwaardigheid van partijen met betrekking tot de verzorging en opvoeding van de kinderen ook na scheiding uitvloeisel is van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de opvoeding en ontwikkeling van de kinderen. De voorzieningenrechter acht gelijkwaardig overleg over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan ook van essentieel belang voor de echtscheidingsprocedure van partijen, ongeacht wat de uitkomst hiervan zal zijn. Door de verhuizing van de vrouw naar Oosterhout is behoorlijk en gelijkwaardig overleg hierover onvoldoende mogelijk geworden. Om een gelijkwaardig overleg over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken mogelijk te maken dient de vrouw dan ook terug te verhuizen naar een woning in de buurt van de echtelijke woning van partijen. De omstandigheid dat dit extra kosten voor de vrouw zal meebrengen komt voor haar rekening en risico. Zij had immers niet zonder toestemming mogen verhuizen.

3.7

De gevraagde voorziening ligt dan ook voor toewijzing gereed, met dien verstande dat de voorzieningenrechter de vrouw zal bevelen binnen acht weken te verhuizen naar een woning binnen een straal van 20 km van de echtelijke woning van partijen. In de houding van de vrouw ziet de voorzieningenrechter aanleiding om aan het bevel tot verhuizen een dwangsom te verbinden. De voorzieningenrechter zal de dwangsom vaststellen op € 500,= per dag dat de vrouw in gebreke mocht blijven aan dit bevel te voldoen. Zij zal daaraan een maximum verbinden van € 10.000,=.

3.8

Nu partijen echtgenoten zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter

beveelt de vrouw binnen 8 weken te verhuizen naar een woning binnen een straal van 20 km van de echtelijke woning van partijen, gelegen aan de Holland Diepstraat 5 te Nispen;

bepaalt dat de vrouw een dwangsom van € 500,= (vijfhonderd euro) per dag zal verbeuren indien zij in gebreke mocht blijven aan dit bevel te voldoen, met bepaling dat aan dwangsommen maximaal € 10.000,= (tienduizend euro) kan worden verbeurd;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Tempelaar, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van 12 februari 2013,

in tegenwoordigheid van mr. Venekamp-Vriends, griffier.

verzonden op:

Onderkant formulier

FaLang translation system by Faboba