Strafrecht, het niet afgeven van een kind voor de omgangsregeling levert een misdrijf op, onttrekking aan het gezag FJR 2010-24

Essentie

Strafrecht, het niet afgeven van een kind voor de omgangsregeling levert een misdrijf op, onttrekking aan het gezag; art. 279 Sr

Uitspraak

Rechtbank

Verdachte is geboren in 1971. De rechtbank heeft zich ambtshalve gebogen over de vraag of deze situatie, te weten het niet afgeven van het kind ter uitvoering van een door de rechter opgelegde omgangsregeling, valt onder de reikwijdte van art. 279 Sr. Meer specifiek is de vraag of onder ‘onttrekken’ in de zin van dit artikel ook kan worden begrepen het niet meegeven van het kind door een met het wettig gezag beklede ouder aan de andere, eveneens met wettig gezag beklede ouder. In 2000 heeft de Staatssecretaris van Justitie, naar aanleiding van de vraag of het niet nakomen van een omgangsregeling bij een apart wetsartikel strafbaar moest worden gesteld, nog verklaard dat strafrechtelijke vervolging van een ouder niet in het belang van het kind zou zijn (brief van 11 februari 2000 bij wetsontwerp 25 451).

Op 15 februari 2005 ( NJ 2005, 218 , LJN AR8250) heeft de Hoge Raad echter overwogen dat degene die mede het gezag over een minderjarig kind uitoefent, dit kind desondanks aan het gezag en/of het opzicht van een ander kan onttrekken, bijvoorbeeld door zich niet te houden aan een bij rechterlijke beslissing vastgestelde omgangsregeling. In dit arrest betrof het een situatie waarbij de vader het kind niet volgens de omgangsregeling terugbracht bij de moeder bij wie het kind zijn hoofdverblijf had. De Hoge Raad achtte strafrechtelijke vervolging op grond van art. 279 Sr mogelijk.

Het onderhavige geval heeft betrekking op de omgekeerde situatie, namelijk dat de moeder, bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, zich niet houdt aan de vastgestelde omgangsregeling door het kind niet met de vader mee te laten gaan. De strekking van art. 279 Sr is om degenen die het wettig gezag uitoefenen over een minderjarige in staat te stellen hun taak uit te oefenen. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank ook te gelden voor de met het ouderlijk gezag belaste niet-verzorgende ouder, zoals hier de vader. De bescherming van het kind staat hierbij centraal.

Gelet op deze strekking en de bewoordingen van het hiervoor genoemde arrest, is de rechtbank van oordeel dat art. 279 Sr ook op een situatie als de onderhavige van toepassing is. De wederpartij heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het haar telastegelegde nu er geen sprake is geweest van opzet bij verdachte bij het niet naleven van de omgangsregeling.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de hieronder weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat verdachte zich vanaf het begin verzet heeft tegen een omgangsregeling en dat diverse gerechtelijke procedures noodzakelijk waren om haar te dwingen daaraan mee te werken. Vervolgens blijkt dat in de telastegelegde periode geen enkele maal de opgelegde omgangsregeling is uitgevoerd. Zo heeft verdachte een aantal malen besloten niet thuis te zijn. Daarmee heeft zij willens en wetens de omgangsregeling niet nageleefd. Dat dit, zoals verdachte stelt, is gebeurd op advies van de politie en/of jeugdzorg, doet hier niet aan af. Het is verdachte zelf geweest die heeft besloten weg te gaan en de omgangsregeling niet na te komen.

De stelling van de raadsvrouw dat de vader zelf is weggegaan toen bleek dat zijn zoon niet meteen meeging, doet hier eveneens niet aan af. De vader kwam om zijn zoon mee te nemen en toen hem duidelijk was dat hij hem niet meekreeg, kon niet van hem worden verwacht dat hij de volle duur van de omgangsregeling voor de woning van verdachte door zou brengen met pogingen om alsnog zijn zoon mee te krijgen. Desgevraagd heeft de raadsvrouw meegedeeld dat er door verdachte geen beroep op een schuld- of strafuitsluitingsgrond wordt gedaan.

De bewijsmiddelen

De rechtbank past met betrekking tot het telastegelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe:

De verklaring van de vrouw: ‘In 2001 ben ik gescheiden van verdachte. Wij hebben samen een zoon, geboren op geboortedatum. Mijn ex-vrouw heeft letterlijk tegen mij gezegd dat ik mijn zoon nooit meer zou zien. Het gerechtshof in Leeuwarden heeft op 27 maart 2007 een omgangsregeling uitgesproken met ingang van 6 mei 2007. Uit een schrijven van haar advocaat bleek dat mijn ex-vrouw hieraan niet mee wilde werken. De voorzieningenrechter heeft op 4 mei 2007 uitspraak gedaan, inhoudende dat mijn ex-vrouw moest meewerken aan de omgangsregeling. Op 6 mei 2007 heb ik mij gemeld bij het adres van mijn ex-vrouw in Franeker. Zij wilde mijn zoon niet meegeven. Op 20 mei 2007 heeft dit zich herhaald en ik kreeg wederom mijn zoon niet mee. Op 3 juni 2007 heeft zich hetzelfde afgespeeld waarna de politie een bemiddelingspoging heeft gedaan maar mijn ex-vrouw wilde wederom geen medewerking verlenen.’

Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van de vader houdt onder meer in — zakelijk weergegeven — als zijn verklaring: ‘Alle keren dat ik, van 17 juni 2007 tot 15 november 2007, bij mijn ex-vrouw ben geweest om mijn zoon op te halen, gaf zij hem niet mee of waren zij zelfs niet thuis. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte houdt onder meer in — zakelijk weergegeven — als haar verklaring: Op 10 mei 2001 ben ik gescheiden van de vader. Wij hebben beiden het ouderlijk gezag over de zoon. De verstandhouding is vanaf die tijd slecht geweest. Het gerechtshof heeft besloten dat de vader recht had op omgang met zijn zoon. Op 6 mei 2007, 20 mei 2007 en 3 juni 2007 kwam de vader om de zoon op te halen. De zoon is niet meegegaan en de vader is vertrokken. Hierna ben ik gebeld door de politie. Op 14 juni 2007 is er een zitting geweest en mijn verzoek om een begeleide omgangsregeling is afgewezen. Op 17 juni 2007 heb ik ervoor gekozen niet thuis te blijven. Op 1 juli 2007 is de vader vermoedelijk ook aan de deur geweest. Op 15 juli 2007 heb ik besloten niet aanwezig te zijn. Bureau Jeugdzorg heeft de Raad voor de Kinderbescherming verzocht onderzoek te doen naar een ondertoezichtstelling omdat wij er op vrijwillige basis niet uitkwamen. Op 23 september 2007 ben ik weggegaan omdat ik niet wil dat de vader langskomt in het bijzijn van de politie. Op 7 oktober 2007 was ik niet thuis. Op 20 oktober 2007 belde de vrouw van de vader; ik heb opgehangen.’

De beschikking van het gerechtshof van 27 maart 2007 in de zaak van de vader tegen verdachte, houdt onder meer in als overweging van het gerechtshof: Niet is gebleken dat contact tussen de vader en de zoon, ten gevolge van gedragingen van de vader, nadelig zou zijn voor de zoon; de omgang stuit uitsluitend af op het feit dat de ouders niet met elkaar overweg kunnen en, met name, de halsstarrige, weigerachtige houding van de moeder. Gelet op het uitsluitend door de moeder gefrustreerde verloop van het door de rechtbank vastgestelde proefcontact is er geen reden om aan te nemen dat de moeder tot andere gedachten kan worden gebracht. Het dictum van de beschikking luidt: Stelt tussen de vader en zoon een omgangsregeling vast in die zin dat hij gerechtigd is de minderjarige bij zich te ontvangen met ingang van 6 mei 2007 voor de duur van twee maanden: eenmaal per twee weken; met ingang van 1 juli 2007 voor de duur van één maand: eenmaal per twee weken; met ingang van 12 augustus 2007 voor de duur van twee maanden: eenmaal per twee weken en vervolgens met ingang van 7 oktober 2007: een weekend per twee weken.

Het vonnis in kort geding van de Rechtbank Leeuwarden van 4 mei 2007 in de zaak van de vader tegen verdachte houdt onder meer in als overweging van de voorzieningenrechter: ‘De inzet van dit geding is de niet nakoming door de vrouw van de omgangsregeling zoals die is vastgesteld bij beschikking van het gerechtshof van 27 maart 2007. De vrouw heeft de man doen weten dat zij de door het gerechtshof vastgestelde omgangsregeling niet zal nakomen. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw buiten staat is, dan wel dat het haar onmogelijk is de omgangsregeling na te komen. Het is niet onbegrijpelijk dat de zoon juist bij de vrouw, die vanaf de aanvang al erg veel moeite heeft gehad met en zich verzet heeft tegen een omgangsregeling van de zoon met zijn vader en dit al zes jaar heeft weten tegen te houden, vertelt dat hij niet naar zijn vader wil. De vrouw heeft desgevraagd verklaard niet vrijwillig bereid te zijn de omgangsregeling na te komen. Veroordeelt de vrouw haar medewerking te verlenen aan de omgangsregeling zoals beschreven in de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 27 maart 2007, bepaalt dat de vrouw voor iedere dag dat zij weigert haar medewerking te verlenen aan de man een dwangsom verbeurt; machtigt de man dit vonnis zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer te leggen.’

De rechtbank acht het telastegelegde bewezen, met dien verstande dat zij in de periode van 6 mei 2007 tot en met 14 november 2007, te Franeker, meermalen, telkens opzettelijk, een minderjarige, te weten de zoon, telkens heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag door telkens, op de data en tijdstippen zoals genoemd in de omgangsregeling de minderjarige niet af te geven aan de vader en die vader niet in staat te stellen de minderjarige bij zich te ontvangen, en aldus de minderjarige telkens buiten bereik van de vader te houden, zulks terwijl de minderjarige telkens beneden de twaalf jaren oud was. De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Het bewezene levert op het misdrijf: Opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, meermalen gepleegd. De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan onttrekking van haar destijds negenjarige zoon aan het wettig gezag. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft bij beschikking van 27 maart 2007 een omgangsregeling vastgesteld tussen de zoon en zijn vader. De vader was evenals verdachte belast met het gezag over de zoon. Het Hof heeft, rekening houdend met het feit dat de zoon en zijn vader elkaar lange tijd niet hebben gezien, een opbouw in de regeling opgenomen. Verdachte heeft echter aangegeven deze omgangsregeling niet te zullen nakomen en heeft het arrest van het hof en, in het verlengde daarvan, het vonnis in kort geding van 4 mei 2007 eenvoudigweg naast zich neergelegd. De zoon en de vader hebben elkaar ongeveer zeven jaar niet meer gezien en verdachte heeft hierbij een kwalijke rol gespeeld.

In dit verband verwijst de rechtbank naar de overwegingen in het arrest van het hof: ‘… is het hof van oordeel dat de moeder geen relevante gronden heeft aangevoerd, laat staan gesubstantieerd, die de conclusie rechtvaardigen dat de vader de omgang met zijn zoon moet worden ontzegd. Niet is gebleken dat contact tussen de vader en de zoon, ten gevolge van gedragingen van de vader, nadelig zou zijn voor de zoon; de omgang stuit uitsluitend af op het feit dat de ouders niet met elkaar overweg kunnen en, met name, de halsstarrige, weigerachtige houding van de moeder. Het vaststaande feit dat de zoon daardoor in een ernstig loyaliteitsconflict verzeild raakt, is onvoldoende reden om hem het contact met zijn vader te ontzeggen. (…) Het aanbod van de raad ter zitting om alsnog proefcontacten ten kantore van de raad te laten plaatsvinden, waarna (de gedragdeskundige van) de raad nog nader kan rapporteren en adviseren, passeert het hof, mede gelet op deze uitlatingen en toevoeging dat zij zich ‘never nooit’ voor dit doel naar de raad zal begeven. Gelet op het uitsluitend door de moeder gefrustreerde verloop van het door de rechtbank vastgestelde proefcontact is er geen reden om aan te nemen dat de moeder tot andere gedachten kan worden gebracht.’

Het hof liet er geen misverstand over bestaan: het is verdachte die de omgangsregeling frustreert en tegenwerkt. Verdachte heeft de zoon als instrument gebruikt in het conflict met haar ex-partner. De bezorgdheid over de zoon die duidelijk in de aangehaalde rechterlijke beslissingen is verwoord, vond bij verdachte geen enkele weerklank.

Verdachte lijkt zich thans te willen verschuilen achter de weigerachtige houding van de zoon, waarmee zij haar verantwoordelijkheid als verzorgende ouder uit de weg gaat. Van verdachte als verzorgende ouder mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspant om de omgang met de niet verzorgende ouder voor het kind zo plezierig mogelijk te laten plaatsvinden, dat zij haar kind goed op het verblijf bij de vader voorbereidt en laat merken dat zij het hem gunt dat hij eindelijk weer zijn vader ontmoet. Daarbij had verdachte te vermijden dat zij zich naar de zoon toe in negatieve zin over de vader uitliet. Het persoonlijk conflict tussen de ouders diende ondergeschikt te worden gemaakt aan het belang van het kind. Het tegendeel was echter het geval. De opmerking van verdachte dat de zoon geroepen zou hebben dat hij zijn vader haatte, geeft geen blijk van een stimulerend optreden door verdachte, gelet op het feit dat de zoon zijn vader nog maar nauwelijks heeft ontmoet. Het lijkt eerder zo te zijn dat verdachte ervoor heeft gezorgd dat er bij de zoon een negatieve beeldvorming is ontstaan over de vader. Dat de belangen van de zoon in ernstige mate tekort worden gedaan door hem het recht op contact met zijn vader te ontzeggen, acht de rechtbank uiterst kwalijk. Dat daarmee ook het recht van de vader op omgang met zijn minderjarige zoon tekort gedaan wordt, acht de rechtbank eveneens uiterst kwalijk. Het is de rechtbank weliswaar bekend dat het hof onlangs de omgangsregeling heeft opgeschort, maar dat was in het belang van de zoon en maakt de laakbaarheid van het gedrag van verdachte in de telastegelegde periode er niet minder op.

Het mag duidelijk zijn dat beslissingen van rechterlijke colleges nageleefd dienen te worden. In aangehaald arrest en vonnis in kort geding is getracht een rustig begin te maken met de omgangsregeling, nu verdachte daartoe zelf niet in staat was. Desalniettemin bleef verdachte een geheel eigen koers varen, niet gehinderd door gerechtelijke uitspraken die haar niet bevielen. Het feit dat de raadsvrouw van verdachte ter zitting heeft verklaard dat bovenaangehaalde uitspraak van het hof onjuist zou zijn, is juridisch gezien opmerkelijk en zal verdachte zeker niet bewogen hebben daaraan het gezag toe te kennen dat bij een rechterlijke beslissing hoort.

Nu het negeren van de beslissing van het hof met zich meebrengt dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het misdrijf onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag, zal de rechtbank haar een straf opleggen. Gelet op de aard van de onderliggende materie en het feit dat verdachte geen strafblad heeft, zou in beginsel nog overwogen kunnen worden om met een geheel voorwaardelijke straf te volstaan. Nu echter via de civielrechtelijke weg meerdere malen geprobeerd is om verdachte tot andere gedachten te brengen, maar verdachte volhardend blijft in haar weigering, acht de rechtbank een deels onvoorwaardelijke straf op zijn plaats. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een werkstraf voor de duur zoals hierna te bepalen. De proeftijd zal, anders dan de officier van justitie heeft geëist, worden bepaald op twee jaar gezien art. 14b lid 2 Sr.

De rechtbank heeft gelet op art. 14a , 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 279 Sr en veroordeelt verdachte tot een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 100 uren onbetaalde arbeid.

Met noot van

P. Dorhout

Noot

Al eerder zijn er veroordelingen uitgesproken vanwege het onttrekken van kinderen aan het gezag bij omgang. Ik wijs hierbij op een uitspraak van de Rechtbank Maastricht van 20 februari 2009 (niet gepubliceerd). De vrouw die weigerde de omgangsregeling na te komen werd veroordeeld tot 120 uur taakstraf, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Ook de Rechtbank Haarlem veroordeelde op 6 maart 2009 (LJN BH7614) een vrouw tot een voorwaardelijke taakstraf van 30 uur in de vorm van een werkstraf, met een proeftijd van twee jaren.

PD

FaLang translation system by Faboba
  • Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Duo enim genera quae erant, fecit tria. Igitur ne dolorem quidem. Nonne videmus quanta perturbatio rerum omnium consequatur, quanta confusio?
  • Certe, nisi voluptatem tanti aestimaretis. Ut necesse sit omnium rerum, quae natura vigeant, similem esse finem, non eundem. Duo Reges: constructio interrete.
  • Atque hoc loco similitudines eas, quibus illi uti solent, dissimillimas proferebas. Iam id ipsum absurdum, maximum malum neglegi. Cur deinde Metrodori liberos commendas?