085-0020809

Veroordeling van een zeventienjarige tot één jaar gevangenisstraf en tbs met toepassing van het meerderjarigenstrafrecht voor verkrachting FJR 2009-9

Essentie

Veroordeling van een zeventienjarige tot één jaar gevangenisstraf en tbs met toepassing van het meerderjarigenstrafrecht voor verkrachting, opzettelijke vrijheidsberoving, mishandeling en bedreiging, tbs; art. 77b , 77g-77g , 242 , 282 , 285 en 300 Sr

Uitspraak

Feiten

Verdachte heeft een vrouw verkracht, van haar vrijheid beroofd, bedreigd en mishandeld.

Rechtbank

De verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten zeventien jaar oud. In beginsel wordt ten aanzien van zeventienjarige daders het jeugdstrafrecht toegepast. Art. 77b Sr voorziet echter in de mogelijkheid om ten aanzien van jeugdigen het sanctierecht voor volwassenen toe te passen, mits aan ten minste een van de daar genoemde criteria is voldaan. De rechtbank acht in deze zaak met deze verdachte het jeugdstrafrecht niet toereikend.

Gronden daartoe vindt de rechtbank in:

— de ernst van de bewezen verklaarde feiten;— de omstandigheden waaronder deze feiten zijn gepleegd; het slachtoffer is urenlang vastgehouden en meermalen, onder bedreiging en mishandeling, gedwongen tot het ondergaan van diverse seksuele handelingen;— de persoonlijkheid van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit de omtrent de persoon van de verdachte uitgebrachte rapporten; de deskundigen kunnen zich niet uitlaten over een eventuele seksuele stoornis, hij krijgt onvoldoende steun van zijn familie, de afloop van de behandeling is onzeker en de kans op herhaling is groot.

Bij laatstgenoemd punt heeft de rechtbank laten meewegen dat uit de toelichting van de betreffende deskundigen en uit de problematiek die door hen in de rapportages geschetst wordt; een zeventienjarige zwakbegaafde jongen met een historie van gedragsproblemen, een aanzienlijke achterstand in cognitief, emotioneel en sociaal opzicht en met sterke aanwijzingen voor psychiatrische problematiek in engere zin en dissociatieve stoornissen, onvoldoende aannemelijk is geworden dat de maximale behandelingsduur van zes jaren in het kader van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen toereikend zal zijn. Na zes jaren is geen verlenging mogelijk indien de verdachte nog niet succesvol behandeld zou zijn en evenmin is bij de huidige wetgeving dan omzetting van een PIJ-maatregel in een tbs-maatregel mogelijk.

Bij deze overweging speelt nog mee dat over de vraag of er bij verdachte tevens sprake is van een seksuele stoornis geen duidelijkheid is verkregen, door verdachtes weigering om op dit punt mee te werken aan het persoonlijkheidsonderzoek. Nu het om een gewelddadig en seksueel delict gaat zal hierover in de toekomt meer duidelijkheid moeten worden verkregen en het is de vraag of die duidelijkheid en een eventueel noodzakelijke behandeling binnen een PIJ-termijn kan worden verkregen.

De volgens de deskundige (naar alle waarschijnlijkheid) nodige nazorg zou dan moeten plaatsvinden op basis van vrijwilligheid en kan derhalve als gevolg van de beperkte duur van de PIJ-maatregel niet gegarandeerd worden, hetgeen de rechtbank een onaanvaardbaar risico acht. Gelet op het negeren van de adviezen van de instelling waar verdachte verbleef tot zijn meerderjarigheid, namelijk om het verblijf aldaar te continueren, en het gebrek aan inzicht van de familie van verdachte in de problemen van verdachte, is het niet uit te sluiten dat verdachte op een gegeven ogenblik zijn PIJ-termijn, zonder zich verder open te stellen voor enige behandeling, uitzit om vervolgens opnieuw onvoldoende behandeld en begeleid naar huis terug te keren. In het kader van een terbeschikkingstelling kan in elk geval de garantie worden verkregen, gelet op onder meer het bepaalde in art. 38g Sr, dat de terugkeer naar de samenleving met de meest haalbare waarborgen voor de veiligheid van anderen gepaard gaat.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf uit oogpunt van vergelding en normhandhaving geïndiceerd is. Zou het sanctierecht voor jeugdigen worden toegepast dan is een maximale detentie van twee jaar mogelijk. Gelet op de mate van toerekenbaarheid, verminderd, zou in dat geval oplegging van een detentie van één jaar een zeer wel denkbare afdoening zijn (naast een eventueel op te leggen maatregel).

Nu de rechtbank de keuze van toepassing van het volwassen sanctierecht met name baseert op de op te leggen maatregel en niet om tot een langere vrijheidsstraf te kunnen komen dan in het jeugdstrafrecht mogelijk is, zal wat de duur van de op te leggen gevangenisstraf de jeugdige leeftijd van verdachte in grote mate worden meegewogen en korter zijn dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van één jaar met tbs.

Met noot van

P. Dorhout

Noot

Art. 77b Sr biedt de rechter de mogelijkheid om het volwassenenstrafrecht toe te passen op minderjarigen. Dit wordt alleen in ernstige gevallen gedaan, bijvoorbeeld bij de moord op Maja Bradaric en bij Murat S., die op zijn school een conrector vermoordde. Zowel de ernst van het misdrijf als de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder dit is gepleegd kan hiertoe aanleiding geven. In de praktijk blijkt voornamelijk bij vermogens- en geweldsmisdrijven hier gebruik van te worden gemaakt. In dit geval heeft de rechter vooral gekeken naar de mogelijkheid om de maatregel van tbs op te kunnen leggen, iets dat onder het jeugdstrafrecht niet mogelijk is. De wetsgeschiedenis verzet zich niet tegen toepassing van het volwassenenstrafrecht op deze grond, hoewel de wetgever in het bijzonder heeft gedacht aan de mate van volwassenheid van de dader.[1]

Prof. Weijers heeft in FJR 2007, 4 in zijn artikel ‘ Art. 77b Sr: weinig gebruikt maar slecht gemotiveerd’ een aantal onderzoeksbevindingen omtrent de toepassing van art. 77b Sr geschetst. De schrijver valt het op dat als de periodes 2000/01 en 2003/04 vergeleken worden betreffende toepassing van het algemeen strafrecht bij minderjarigen, het aantal gevallen bij de Rechtbank Zutphen is gestegen van 5 tot 35 per jaar. Dit laatste cijfer ligt in vergelijking tot andere rechtbanken in vergelijking tot de grootte twee tot drie maal zo hoog. De reden waarom Zutphen zo uitsteekt is niet bekend. In dit geval heeft de rechtbank het kennelijk als te onveilig beschouwd om te straffen volgens het jeugdstrafrecht, waarbij de dader in een veel te vroeg stadium weer op vrije voeten zou komen en dan een gevaar voor de maatschappij zou kunnen vormen.

PD

Voetnoten

[1]

Kamerstukken II 1989/90, 21 327, nr. 5, p. 3.

Onderkant formulier

Bovenkant formulier

Vindplaats:

FJR 2009, 9

Datum:

15-07-2008

Instantie:

Rechtbank Zutphen

Zaaknr:

06/580616-07

Magistraten:

Veroordeling van een minderjarige tot 1 jaar gevangenisstraf en TBS, met toepassing van het meerderjarigenstrafrecht, voor verkrachting, opzettelijke vrijheidsberoving, mishandeling en bedreiging. De verdachte heeft het slachtoffer ’s nachts van de fiets getrokken, haar onder bedreiging van geweld en mishandeling meegenomen, haar vervolgens urenlang vastgehouden en haar diverse malen en op diverse locaties gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen.

LJN:

BD7141

Conclusie:

-

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 06/580616-07

Uitspraak d.d.: 15 juli 2008

tegenspraak/ dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats, 1990],

wonende te [adres],

thans verblijvende in Rijksinrichting voor Jongens De Hartelborgt te Spijkenisse

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de achter gesloten deuren gehouden terechtzittingen van 15 april 2008 en 1 juli 2008.

Ter terechtzitting gegeven beslissingen

Ter terechtzitting zijn, naar aanleiding van verzoeken van de pers, het openen van de deuren dan wel het verlenen van bijzondere toegang, de volgende beslissingen gegeven:

De rechtbank is van oordeel dat het belang van de privacybescherming van verdachte dient te wijken voor het belang van openbaarheid, gelet op het geruchtmakende karakter van de zaak en de publieke aandacht die het al heeft getrokken. Echter, gelet op zijn nog jeugdige leeftijd en zijn geringe begaafdheid komt aan verdachte wel een zekere beslotenheid van de behandeling toe.

Derhalve wordt het verzoek van de media inzake algehele openbaarheid van de zitting afgewezen en verleent de rechtbank aan de pers bijzondere toegang tot het bijwonen van de terechtzitting, in die zin dat zij plaatsneemt in een andere zittingszaal en het proces kan volgen middels een videoverbinding. Aan familie en hulpverleners van het slachtoffer, een aantal politie ambtenaren die het opsporingsonderzoek hebben verricht en familie van verdachte wordt eveneens bijzondere toegang tot de zitting verleend.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op meerdere, althans één, tijdstip(pen) op of omstreeks 08 december 2007 te Zutphen

(telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], immers heeft verdachte (telkens):

- zijn, verdachtes, penis tegen de vagina, althans schaamstreek van die [slachtoffer] geduwd en/of

- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht/gestoken en/of (vervolgens) (hard) heen en weer bewogen en/of

- zijn, verdachtes, penis laten vastpakken door die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] zijn, verdachte's, penis in haar vagina laten brengen en/of

- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] gestopt/gebracht en/of

- zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer] gestopt/gebracht en/of

- in de borsten van die [slachtoffer] geknepen en/of die borsten betast en/of

- die [slachtoffer] op de mond gezoend en/of zijn, verdachtes, tong in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of (vervolgens) zijn tong heen en weer bewogen, althans die [slachtoffer] getongzoend, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte:

- die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) van haar fiets heeft getrokken en/of geduwd en/of

- de telefoon uit de handen van die [slachtoffer] heeft gegrist, althans heeft (af)gepakt en/of

- meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] in het gezicht, althans tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of

- voortdurend, althans meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] (met kracht) heeft vastgepakt en/of vastgepakt heeft gehouden en/of heeft meegetrokken en/of heeft geduwd en/of

- meermalen, althans eenmaal aan die [slachtoffer] al dan niet met een boze stem en/of dwingend en/of dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Sneller" en/of "Doorlopen" en/of "Broek uit" en/of "Ga me maar pijpen" en/of "Sneller, broek aan" en/of "Bukken" en/of "Ja ik wil je in je kont, dus ga maar over die kruiwagen hangen" en/of "ik wil dat je gaat hijgen" en/of "Ik wil in je plasgat/buis" en/of "jij moet hem er in stoppen" en/of "Zuigen, ik maak je

helemaal dood, je gaat er aan" en/of "Nu ga ik je heel hard nemen", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- voortdurend, althans meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] heeft belemmerd om te vertrekken, althans haar eigen weg te vervolgen en/of

- meermalen, althans eenmaal bovenop die [slachtoffer] is gaan liggen en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

2.

hij op of omstreeks 08 december 2007 te Zutphen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft verdachte opzettelijk wederrechtelijk:

- die [slachtoffer] vastgepakt en/of (vervolgens) van haar fiets getrokken en/of geduwd en/of

- meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] in het gezicht, althans tegen het lichaam geslagen en/of gestompt en/of

- voortdurend, althans meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] (met kracht) vastgepakt en/of vastgepakt gehouden en/of meegetrokken en/of geduwd en/of

- voortdurend, althans meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] belemmerd om haar eigen weg te vervolgen, althans belet dat die [slachtoffer] zich uit de macht/heerschappij van verdachte kon/zou onttrekken.

3.

hij op of omstreeks 08 december 2007 te Zutphen opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal tegen haar gezicht en/of hoofd en/of lichaam heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

4.

hij op meerdere, althans één, tijdstip(pen) op of omstreeks 08 december 2007 te Zutphen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met verkrachting en/of met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk voornoemde [slachtoffer] met een boze stem en/of dwingend en/of dreigend de woorden toegevoegd: "Broek uit" en/of "Ga me maar pijpen" en/of "Ja ik wil je in je kont, dus ga maar over die kruiwagen hangen" en/of "Ik wil in je plasgat/buis" en/of "Zuigen, ik maak je helemaal dood, je gaat er aan" en/of "Nu ga ik je heel hard nemen", althans (telkens) woorden van gelijke aard of strekking.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging (eindnoot 1)

1. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en

4 ten laste gelegde feiten. Zij verwijst naar de gedetailleerde en betrouwbare aangifte van

het slachtoffer, de (grotendeels bekennende) verklaringen van verdachte (ook ter

terechtzitting), de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4]

en [getuige 5] en de stukken van overtuiging die zich in het proces-verbaal van

sporenonderzoek bevinden.

2. De raadsman heeft in zijn pleidooi tot uitdrukking gebracht dat het onder 1 ten laste

gelegde, de verkrachting, wel bewezen kan worden verklaard, echter met

uitzondering van het gedachtenstreepje:”zijn, verdachtes, penis in de anus van die

[slachtoffer] gestopt/gebracht.” De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat, ondanks dat zijn

cliënt bij de politie heeft verklaard dat hij dit “mogelijk” gedaan zou kunnen hebben, hij

daarna en heden ter terechtzitting de anale penetratie stellig blijft ontkennen. Daarnaast

bevindt zich in het dossier hieromtrent geen technisch bewijs. Bovendien verklaren de

getuigen uitgebreid over de verkrachting, maar niemand heeft het over de anale penetratie.

Al met al is er, naast de verklaring van aangeefster, geen steunbewijs voor

bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging en moet verdachte op dit punt

worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde, de mishandeling en de woordelijke

bedreiging, is door de raadsman bepleit dat de bewijsmiddelen ontoereikend zijn om tot

een bewezenverklaring te kunnen komen en verzoekt de rechtbank verdachte hiervan vrij

te spreken. De raadsman voert daartoe aan dat naast de verklaring van aangeefster alleen de

ontkennende verklaring van verdachte ligt en dat de door de officier van justitie opgevoerde

verklaringen die dienen als steunbewijs; de verklaringen van [getuige 1] en de verklaring

van [getuige 2], de jongen die verdachte in het parketbusje sprak, niet als zodanig

meegenomen kunnen worden. De twee verklaringen van [getuige 1] verschillen op

bepaalde onderdelen van elkaar en van de verklaringen van verdachte. Bovendien heeft

deze zaak vanaf het begin veel media-aandacht gekregen en is het niet onmogelijk dat

[getuige 1] bepaalde onderdelen uit deze (media)bron heeft vernomen in plaats van dat hij deze

van verdachte gehoord zou hebben. Daarnaast heeft getuige [getuige 2] verklaard over feiten

die hij van verdachte heeft gehoord, echter, deze laatste had die dag net een uitgebreid

verhoor ondergaan waarin hem allerlei details zijn voorgehouden, waardoor het dus niet

onmogelijk is dat verdachte door dit verhoor van allerlei details op de hoogte was en deze

details dan ook aan [getuige 2] heeft verteld.

De rechtbank stelt vast dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat

verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde begaan, gelet op de verklaringen van

aangeefster (eindnoot 2) , het proces-verbaal en de foto’s betreffende het letsel (eindnoot 3) , de verklaringen van

[getuige 1] (eindnoot 4) , de verklaring van [getuige 2] (eindnoot 5) , de uitkomsten van het Forensisch Sporen

Onderzoek, betreffende de schoensporen (eindnoot 6) en het aantreffen van de gouden ring (eindnoot 7) op het veld

van Zutphania, de uitkomst van het DNA-onderzoek (eindnoot 8) en de (grotendeels) bekennende

verklaring van verdachte (eindnoot 9) zelf die (ook ter terechtzitting) heeft verklaard dat hij lopend van

een feestje in Leesten kwam en dat hij, toen hij bij het Graaf Ottobad liep, een meisje zag

fietsen. Dat hij vervolgens het meisje heeft vastgepakt waardoor zij op de grond is

gevallen. Dat hij het meisje weer heeft vastgepakt bij haar armen en haar heeft

meegenomen richting de Vijver, waar hij haar langs het fietspad heeft verkracht. Dat hij

haar daarna (wederom onder dwang) heeft meegenomen naar voetbalveld Zutphania, waar

aangeefster hem onder dwang heeft moeten pijpen en waar hij heeft geprobeerd haar

anaal te penetreren. Dat ze vervolgens door een gat in het hek zijn gekropen, de grote weg

zijn overgestoken en daar aangekomen bij een omheind landhuis, over het hek zijn

geklommen en zijn doorgelopen naar de paardenstal, waar hij haar nogmaals heeft

verkracht en haar, nadat hij daar was klaargekomen, met haar is teruggelopen naar het

fietspad bij de Vijver, en haar uiteindelijk heeft laten gaan.

Het verweer van de raadsman ter zitting, dat zijn cliënt zich niet schuldig heeft gemaakt

aan de anale penetratie van aangeefster, wordt verworpen, gelet op de verklaringen

hieromtrent van aangeefster (eindnoot 10) , waarin zij heeft verklaard:” Bij de kruiwagen wilde hij mij

anaal nemen. Hij zei:” Jij moet hem erin stoppen.” Ik hing voorover en ik kon dat niet

doen. Ik zei:” Dat gaat niet.” Hij werd echt heel boos.” en “ Hij stopt dan zijn piemel

in mijn kont.Wanneer zijn penis in mijn kont komt, voelt dit wel “vrij pijnlijk”. Maar de

pijn kan ik niet echt omschrijven. Het was meer een combinatie van emotionele en

lichamelijke pijn.” Daarnaast heeft verdachte hieromtrent verklaard (eindnoot 11) : ” Ik heb het

misschien anaal geprobeerd bij Zutphania, maar dat het niet gegaan is. U vraagt hoe ik het

probeerde het anaal te doen. Daar was iets, een grote doos, een prullenbak of container.

Zij bukt daaroverheen. U vraagt wie anaal wilde. Het kwam uit mij. Ik wilde het

proberen.”

De verklaringen van aangeefster zijn gedetailleerd, duidelijk en consistent, ook op het punt

van het anale contact. Daartegenover staan de wisselende verklaringen van verdachte

waarbij hij in elk geval bij de politie heeft verklaard dat hij heeft geprobeerd anaal contact

te krijgen. Tegen deze achtergrond hecht de rechtbank meer waarde aan de verklaringen

van aangeefster dan aan de verklaringen van verdachte.

Dit geldt ook ten aanzien van de ten laste gelegde feiten onder 3 en 4, waarvoor het bewijs

naar het oordeel van de rechtbank toereikend is.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op tijdstippen op 08 december 2007 te Zutphen telkens door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], immers heeft verdachte telkens:

- zijn, verdachtes, penis tegen de vagina van die [slachtoffer] geduwd en

- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en vervolgens hard heen en weer bewogen en

- zijn, verdachtes, penis laten vastpakken door die [slachtoffer] en die [slachtoffer] zijn, verdachte's, penis in haar vagina laten brengen en

- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] gestopt en

- zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer] gestopt en

- in de borsten van die [slachtoffer] geknepen en die borsten betast en

- die [slachtoffer] op de mond gezoend en zijn, verdachtes, tong in de mond van die [slachtoffer] gebracht en vervolgens zijn tong heen en weer bewogen en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld telkens hierin dat verdachte:

- die [slachtoffer] heeft vastgepakt en vervolgens van haar fiets heeft getrokken en

- de telefoon uit de handen van die [slachtoffer] heeft gegrist en

- meermalen die [slachtoffer] in het gezicht, althans tegen het lichaam heeft geslagen en

- voortdurend die [slachtoffer] met kracht heeft vastgepakt en vastgepakt heeft gehouden en heeft meegetrokken en heeft geduwd en

- meermalen aan die [slachtoffer] al dan niet met een boze stem en dwingend en dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Sneller" en "Doorlopen" en "Broek uit" en "Ga me maar pijpen" en "Sneller, broek aan" en "Bukken" en "Ja ik wil je in je kont, dus ga maar over die kruiwagen hangen" en "ik wil dat je gaat hijgen" en "Ik wil in je plasgat/buis" en "jij moet hem er in stoppen" en/ "Zuigen, ik maak je helemaal dood, je gaat er aan" en "Nu ga ik je heel hard nemen", en

- voortdurend die [slachtoffer] heeft belemmerd om te vertrekken, althans haar eigen weg te vervolgen en

- meermalen bovenop die [slachtoffer] is gaan liggen en aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

2.

hij op 08 december 2007 te Zutphen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft verdachte opzettelijk wederrechtelijk:

- die [slachtoffer] vastgepakt en vervolgens van haar fiets getrokken en

- meermalen die [slachtoffer] in het gezicht geslagen en

- voortdurend die [slachtoffer] met kracht vastgepakt en vastgepakt gehouden en meegetrokken en geduwd en

- voortdurend die [slachtoffer] belemmerd om haar eigen weg te vervolgen, althans belet dat die [slachtoffer] zich uit de macht/heerschappij van verdachte kon/zou onttrekken.

3.

hij op 08 december 2007 te Zutphen opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen, tegen haar gezicht en/of hoofd en/of lichaam heeft geslagen, waardoor deze [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

4.

hij op meerdere tijdstippen op 08 december 2007 te Zutphen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met verkrachting en met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, immers heeft verdachte telkens opzettelijk voornoemde [slachtoffer] met een boze stem en dwingend en dreigend de woorden toegevoegd: "Broek uit" en "Ga me maar pijpen" en "Ja ik wil je in je kont, dus ga maar over die kruiwagen hangen" en "Ik wil in je plasgat/buis" en "Zuigen, ik maak je helemaal dood, je gaat er aan" en "Nu ga ik je heel hard nemen".

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

- feit 1: verkrachting, meermalen gepleegd;

- feit 2: opzettelijk iemand van de vrijheid beroven of beroofd houden;

- feit 3: mishandeling;

- feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Over de persoon van verdachte is een rapport gedateerd 27 juni 2008 opgemaakt door mevrouw S. Went, psychiater en P.A.E.M.T. Cremers, psycholoog, van het NIFP, Locatie Pieter Baan Centrum (PBC). In dit rapport, waarvan de gehele inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, wordt, zakelijk weergegeven, het volgende geconstateerd.

Went voornoemd heeft, zakelijk weergegeven, het volgende opgemerkt:

“Betrokkene is een 18-jarige jongeman van Kroatische afkomst, die het PBC-onderzoek aanvankelijk weigerde, maar in de loop van het onderzoek is gaan meewerken. Betrokkene functioneert op de grens tussen zwakbegaafdheid en licht zwakzinnig niveau. Er is evidentie voor het bestaan van een psychiatrische stoornis, daar betrokkene bij momenten uit contact met de realiteit raakt. Het is niet geheel duidelijk of dit is in het kader van een psychotische stoornis, dan wel een dissociatieve stoornis. Voorts is er sprake van misbruik van meerdere middelen. Gezien betrokkene’s jonge leeftijd en het geheel aan stoornissen, is geen uitspraak te doen over een mogelijk zich ontwikkelende persoonlijkheidsstoornis.

Het ten laste gelegde dient dan ook te worden verklaard vanuit betrokkene’s beperkte verstandelijke vermogens (op de grens tussen zwakbegaafdheid en licht zwakzinnig niveau) en zijn ontwikkelingsachterstand en emotioneel en sociaal opzicht. Betrokkene is hierdoor niet in staat in een stressvolle situatie het overzicht te houden of op een juiste wijze met krenkingen om te gaan. Dit veroorzaakt sterke onmachtgevoelens en agressie bij betrokkene met verlies van controle op zijn impulsen. Zijn forse alcoholgebruik en mogelijk speedgebruik in de aanloop tot het ten laste gelegde hebben geleid tot verdere ontremmingen, waardoor een situatie is ontstaan waarin het ten laste gelegde kon plaatsvinden. Op grond hiervan achten wij betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar voor de hem ten laste gelegde feiten.”

Cremers voornoemd heeft, zakelijk weergegeven, het volgende opgemerkt:

“Betrokkene komt in het onderzoek naar voren als een kwetsbare, infantiele jongen

met verbale capaciteiten op licht zwakzinnig niveau. Dit hangt waarschijnlijk mede samen met het feit dat betrokkene met een taalachterstand het Nederlands onderwijs inging, deze achterstand vervolgens niet kon inlopen en veel later spijbelde. Er lijkt sprake te zijn van middelenmisbruik in gedwongen remissie. Er is een historie van gedragsproblemen, hij heeft een aanzienlijke achterstand in cognitief, emotioneel en sociaal opzicht en er zijn sterke aanwijzingen voor psychiatrische problematiek in engere zin, dissociatieve stoornissen (toestanden waarin functies als gevoel, identiteit, geheugen of bewustzijn van elkaar zijn losgekoppeld) maar met name psychotische symptomen, mogelijk in het kader van schizofrenie.

Stress, spanning en frustratie, in samenhang met zijn gebrekkige intellectuele capaciteiten en middelengebruik, zouden de verschijnselen van de stoornissen kunnen uitlokken. Betrokkene is vanuit de omgeving zeer beïnvloedbaar en lijkt wel te varen bij structuur en bescherming in een overzichtelijke en voorspelbare omgeving.

Kijkend naar het ten laste gelegde kan het volgende worden gesteld. Betrokkene stond, in verband met het beëindigen van de ondertoezichtstelling, op het punt om de zorginstelling “Kwadrant” te verlaten en weer bij zijn ouders te gaan wonen. Het is waarschijnlijk dat deze aanstaande grote verandering voor betrokkene veel stress opleverde. Daarbij komt dat zijn ouders weinig besef lijken te hebben van betrokkene’s problematiek, met het risico van overvraging van betrokkene door zijn ouders. Afgaand op betrokkene’s verklaring en verklaringen van getuigen, verkeerde betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde onder invloed van (veel) alcohol. Mogelijk verkeerde hij ook onder invloed van andere middelen (speed?) en had hij kort voorafgaande aan het ten laste gelegde ruzie met zijn broer. Door betrokkene’s zwakbegaafdheid is hij in voornoemde stressvolle situatie het overzicht kwijtgeraakt, waardoor hij ontregelde. Dit heeft geleid tot verlies van controle op zijn impulsen. Het alcohol- en (mogelijk) druggebruik hebben een verdergaande ontremmende werking gehad.”

Met de conclusie van dit rapport, te weten: dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten verminderd toerekeningsvatbaar was, kan de rechtbank zich verenigen. Zij neemt deze conclusie over.

De verdachte is dus strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

1. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte, onder toepassing van het

meerderjarigen strafrecht, een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van de

tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en de maatregel van

terbeschikkingstelling met dwangverpleging, wordt opgelegd. De officier van justitie

heeft daarnaast toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] tot een bedrag van € 12.681,17, vermeerderd met de wettelijke rente en met

oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van

Strafrecht, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 90 dagen hechtenis zal

kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt, en niet-

ontvankelijk verklaring voor het restant van de vordering. Voorts vordert zij teruggave

van de in beslag genomen goederen (nrs. 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19 en 20 op

de beslaglijst) aan de veroordeelde, teruggave van de in beslag genomen goederen (nrs.

1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 op de beslaglijst), aan het slachtoffer en verbeurd verklaring van de

in beslag genomen goederen (nrs. 23, 24, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35 en 36 op

de beslaglijst).

2. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, bij bewezen verklaring, moet

worden gekozen voor een minder ingrijpende optie, namelijk toepassing van het

minderjarigenstrafrecht en oplegging van de PIJ-maatregel –eventueel na beëindiging

van deze maatregel aangevuld door de regelingen uit de Wet BOPZ-, nu deze maatregel

voldoende instrumentarium kan bieden voor een afdoening die zowel voldoende

veiligheid voor de maatschappij biedt, als tegemoet komt aan de belangen van verdachte.

Bovendien was verdachte ten tijde van de door hem gepleegde feiten 17 jaar oud en

hebben de deskundigen van het PBC, die verdachte het langst en meest uitgebreid hebben

kunnen beoordelen, toepassing van het minderjarigenstrafrecht geadviseerd en tevens

geconcludeerd dat toepassing van het meerderjarigen strafrecht niet passend en zelfs

contra geïndiceerd is.

3. De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de

ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan mede

gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter

terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft hierbij in het bijzonder het volgende in

aanmerking genomen.

4. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkrachting, opzettelijke

vrijheidsberoving, mishandeling en bedreiging van [slachtoffer]. Hij heeft

het slachtoffer ’s nachts van de fiets getrokken, haar onder bedreiging van geweld

en mishandeling meegenomen, haar vervolgens urenlang vastgehouden en haar

diverse malen en op diverse locaties gedwongen tot het ondergaan van seksuele

handelingen.

Verdachte heeft, ter bevrediging van zijn eigen seksuele gevoelens op buitengewoon

brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het moet

voor haar een vernederende, kwetsende en beangstigende ervaring zijn geweest. Het is

een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers, zeker jeugdige, van dit soort feiten

nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen ondervinden.

5. De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat verdachte al meerdere malen is

veroordeeld en zelfs nog in een proeftijd liep van een eerdere veroordeling, hetgeen hem

er niet van heeft weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan. Voorts heeft de

rechtbank gelet op de hiervoor reeds vermelde verminderde toerekeningsvatbaarheid van

verdachte.

6. De rechtbank houdt met de afdoening van de strafzaak tegen verdachte rekening met het

hiervoor reeds vermelde rapport.

Door S. Went voornoemd wordt met betrekking tot de afdoening van de strafzaak,

zakelijk weergegeven, het volgende geconstateerd.

“Het recidiverisico wordt door het onderzoekend team als hoog ingeschat. Zo is het geheel aan stoornissen bij betrokkene blijvend aanwezig en is te verwachten dat hij in een ongestructureerde setting in situaties terecht zal komen, die hij vanwege zijn beperkingen niet kan overzien. Hierdoor ontstaat opnieuw het gevaar dat betrokkene vanuit gevoelens van onmacht en agressie tot controleverlies over zijn impulsen komt. Het middelengebruik vormt hierbij een extra risico. Hierbij zij ook vermeld dat er bij betrokkene weinig beschermende factoren zijn, zoals zelfinzicht en een stabiele, gestructureerde en steunende omgeving. De klinische inschatting van het recidivegevaar wordt ondersteund door de uitkomsten op het risicotaxatie-instrument, de HCR-20.

Het onderzoekend team is vanuit gedragskundig oogpunt van mening dat toepassing van volwassen strafrecht contra-geïndiceerd is. Betrokkene functioneert, gezien zijn gebrekkige ontwikkeling, op een veel lager niveau dan zijn kalenderleeftijd. Derhalve zijn op grond van de persoonlijkheid van betrokkene geen redenen om af te wijken van toepassing van het jeugdstrafrecht.

Op grond van bovenstaande adviseren wij een PIJ-maatregel op te leggen. Deze maatregel wordt tevens in het belang geacht van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van betrokkene.

Ons inziens kan de PIJ-maatregel het best ten uitvoer worden gelegd in een speciale SGLVG-instelling. We denken daarbij aan een instelling met een gesloten setting, zoals de justitiële jeugdinrichting Rentray of behandelcentrum voor Sterk Gedragsgestoorde Licht Verstandelijk Gehandicapte en zwakbegaafde mensen, Hoeve Boschoord te Vledder.

7. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het rapport van de Raad voor de

Kinderbescherming d.d. 30 juni 2008, waarin het volgende wordt geadviseerd.

Gelet op zijn kalenderleeftijd ten tijde van het delict en gelet op de aard en ernst van de stoornis, zijn beperkte verstandelijke vermogens en zelfinzicht en de hoge kans op

recidive, acht de Raad het gewenst dat het volwassenstrafrecht wordt toegepast, met als doel dat er geen grens is aan de behandeltermijn. Met de maatregel TBS blijft de behandeling gewaarborgd zo lang de deskundigen dit nodig achten. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert op bovenstaande gronden om de strafzaak tegen verdachte binnen het volwassenstrafrecht af te handelen en om verdachte TBS op te leggen.

8. De vraag die in deze zaak uitgebreide behandeling heeft gekregen, is of op de verdachte

het jeugd- of het volwassenstrafrecht dient te worden toegepast.

Ter terechtzitting heeft mevrouw S. Went, psychiater, verklaard dat men vanuit het Pieter

Baan Centrum met betrekking tot bovengenoemde vraag tijdens het onderzoek eigenlijk

alleen kijkt naar de verstandelijke vermogens/beperkingen van betrokkene, dus naar

gedragsmatige gronden om van het jeugdstrafrecht af te wijken. Aangezien betrokkene op

een veel lager niveau dan zijn kalenderleeftijd functioneert en gezien zijn gebrekkige

ontwikkeling zijn er haars inziens derhalve geen redenen om vanuit dit oogpunt af te

wijken van toepassing van het jeugdstrafrecht.

Anderzijds heeft zij verklaard niet te kunnen inschatten of een behandeling voor de duur

van zes jaren voldoende zal zijn. Een intensieve behandeling en een strakke en goede

begeleiding zal daarbij van groot belang zijn. Aangezien zijn verstandelijke beperkingen,

die altijd zullen blijven bestaan, zorgen voor controle verlies en een onvoorspelbare

reactie als hij in een stressvolle situatie komt, zal hem tijdens de behandeling door middel

van structuur en begeleiding geleerd worden hiermee om te gaan zodat hij stabieler zal

worden. Echter, hoogstwaarschijnlijk zal betrokkene zelfs na deze zes jaar altijd strakke

begeleiding nodig hebben.

Ter terechtzitting heeft mevrouw Vuurmans van de Raad voor de Kinderbescherming

verklaard dat zij kennis heeft genomen van het rapport van het Pieter Baan Centrum, maar

dat de Raad voor de Kinderbescherming toch van mening is dat, gelet op de

verstandelijke beperkingen en de psychische stoornis van verdachte en gelet op de aard en

ernst van het delict, een behandeling van zes jaar niet voldoende zal zijn om het risico van

herhaling te voorkomen en dat de Raad voor de Kinderbescherming daarom toepassing

van het volwassen strafrecht adviseert. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert aan

verdachte TBS op te leggen, waarbij verdachte, gelet op zijn stoornis en niveau het best

op zijn plaats zal zijn in Hoeve Boschoord.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten 17 jaar oud. In

beginsel wordt ten aanzien van 17-jarige daders het jeugdstrafrecht toegepast. Artikel 77b

van het Wetboek van Strafrecht voorziet echter in de mogelijkheid om ten aanzien van

jeugdigen het sanctierecht voor volwassenen toe te passen, mits aan tenminste één van de

daar genoemde criteria is voldaan.

De rechtbank acht in deze zaak met deze verdachte het jeugdstrafrecht niet toereikend en

zal aan artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht toepassing geven en de artikelen 77g

tot en met 77gg van dat wetboek buiten toepassing laten.

Gronden daartoe vindt de rechtbank in:

- de ernst van de bewezenverklaarde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze feiten zijn gepleegd – het slachtoffer is urenlang

vastgehouden en meermalen, onder bedreiging en mishandeling, gedwongen tot het

ondergaan van diverse seksuele handelingen -;

- de persoonlijkheid van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit de omtrent de persoon

van de verdachte uitgebrachte rapporten –de deskundigen kunnen zich niet uitlaten

over een eventuele seksuele stoornis, hij krijgt onvoldoende steun van zijn familie, de

afloop van de behandeling is onzeker en de kans op herhaling is groot -.

Bij laatstgenoemd punt heeft de rechtbank laten meewegen dat uit de toelichting van de

betreffende deskundigen en uit de problematiek die door hen in de rapportages geschetst

wordt – een 17-jarige zwakbegaafde jongen met een historie van gedragsproblemen, een

aanzienlijke achterstand in cognitief, emotioneel en sociaal opzicht en met sterke

aanwijzingen voor psychiatrische problematiek in engere zin en dissociatieve

stoornissen- onvoldoende aannemelijk is geworden dat de maximale behandelingsduur

van zes jaren in het kader van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor

jeugdigen toereikend zal zijn. Na zes jaren is geen verlenging mogelijk indien de

verdachte nog niet succesvol behandeld zou zijn en evenmin is –bij de huidige wetgeving-

dan omzetting van een PIJ-maatregel in een TBS-maatregel mogelijk.

Bij deze overweging speelt nog mee dat over de vraag of er bij verdachte tevens sprake is

van een seksuele stoornis geen duidelijkheid is verkregen, door verdachtes weigering om

op dit punt mee te werken aan het persoonlijkheidsonderzoek. Nu het om een

gewelddadig en seksueel delict gaat zal hierover in de toekomt meer duidelijkheid moeten

worden verkregen en het is de vraag of die duidelijkheid en een eventueel noodzakelijke

behandeling binnen een “PIJ termijn” kan worden verkregen.

De volgens de deskundige (naar alle waarschijnlijkheid) nodige nazorg zou dan moeten

plaatsvinden op basis van vrijwilligheid en kan derhalve als gevolg van de beperkte duur

van de PIJ-maatregel niet gegarandeerd worden, hetgeen de rechtbank een

onaanvaardbaar risico acht.

Gelet op het negeren van de adviezen van de instelling waar verdachte verbleef tot zijn

meerderjarigheid, namelijk om het verblijf aldaar te continueren, en het gebrek aan inzicht

van de familie van verdachte in de problemen van verdachte, is het niet uit te sluiten dat

verdachte op een gegeven ogenblik zijn “PIJ termijn”, zonder zich verder open te stellen

voor enige behandeling, uitzit om vervolgens opnieuw onvoldoende behandeld en

begeleid naar huis terug te keren.

In het kader van een terbeschikkingstelling kan in elk geval de garantie worden

verkregen, gelet op onder meer het bepaalde in artikel 38g van het Wetboek van

Strafrecht, dat de terugkeer naar de samenleving met de meest haalbare waarborgen

voor de veiligheid van anderen gepaard gaat.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke

gevangenisstraf uit oogpunt van vergelding en normhandhaving geïndiceerd is. Zou het

sanctierecht voor jeugdigen worden toegepast dan is een maximale detentie van twee jaar

mogelijk. Gelet op de mate van toerekenbaarheid, verminderd, zou in dat geval oplegging

van een detentie van één jaar een zeer wel denkbare afdoening zijn (naast een eventueel

op te leggen maatregel).

Nu de rechtbank de keuze van toepassing van het volwassen sanctierecht met name

baseert op de op te leggen maatregel en niet om tot een langere vrijheidsstraf te kunnen

komen dan in het jeugdstrafrecht mogelijk is, zal wat de duur van de op te leggen

gevangenisstraf de jeugdige leeftijd van verdachte in grote mate worden meegewogen en

korter zijn dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank zal de verdachte een

gevangenisstraf opleggen voor de duur van één jaar.

De aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de veiligheid van anderen en de

algemene veiligheid van personen eisen het opleggen van de maatregel tot

terbeschikkingstelling van de verdachte, met bevel dat de verdachte van overheidswege

wordt verpleegd.

De maatregel wordt gegrond op de door de verdachte begane misdrijven, die behoren tot

de misdrijven genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Nu voldaan is aan de wettelijke voorwaarden zal de rechtbank de terbeschikkingstelling

gelasten en bevelen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

De rechtbank adviseert dringend de maatregel van terbeschikkingstelling ten uitvoer te

leggen in Hoeve Boschoord te Vledder (Drenthe), dan wel een andere inrichting die de

capaciteiten heeft om jongeren in ontwikkeling te behandelen. Hoeve Boschoord heeft

expertise met (zwakbegaafde) jongeren als de verdachte en in deze inrichting verblijven

ook meerdere jongeren.

In beslag genomen voorwerpen

De inbeslaggenomen voorwerpen, genoemd onder nummers 23, 24, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35 en 36 op de beslaglijst, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaat, nu van deze voorwerpen niet kan worden vastgesteld aan wie zij toebehoren.

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de na te melden voorwerpen, genoemd onder nummers 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19 en 20 op de beslaglijst, aan de veroordeelde.

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de na te melden voorwerpen, genoemd onder nummers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 op de beslaglijst, aan het slachtoffer.

Aan dit vonnis is een kopie van de beslaglijst gehecht, waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer], p/a mr. A. van Bon-Moors, Postbus 1295, 6501 BG

Nijmegen, heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 14.025,45

(€ 7.500,- inzake voorschot immateriële schade en € 6.525,45 inzake materiële schade),

vermeerderd met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het ten laste

gelegde.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe te

wijzen tot een bedrag van € 12.681,17 (€ 7.500,- inzake voorschot immateriële schade en

€ 5.181,17 inzake immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente en daarbij de

maatregel tot schadevergoeding.

De raadsman heeft zich met betrekking tot de immateriële schade op het standpunt gesteld dat, ondanks de ernst van de zaak, de omvang van de psychische schade momenteel niet eenvoudig is vast te stellen en dat daarnaast de als voorschot gevorderde immateriële schade te fors is.

Met betrekking tot de materiële schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de rechtstreekse schade niet eenvoudig is vast te stellen cq. onvoldoende is onderbouwd en dat de vordering van de benadeelde partij derhalve niet-onvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen naast materiële schade ad € 5.181,17 tevens immateriële schade heeft geleden, die naar redelijkheid en billijkheid tot op heden kan worden begroot op € 7.500,- , waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is, zodat dit bedrag, als voorschot, zal worden toegewezen.

Dit is als volgt opgebouwd:

- kilometerkosten 15.883,6 km (20.857,6 km minus 4974 km

inzake gemaakte km sociale contacten) x 0,22 = € 4.588,67

- kleding (minus € 70,- inzake teruggegeven schoudertas) € 422,50

- telefoonkosten € 100,--

- voorschot smartengeld € 7.500,--

Totaal € 12.681,17

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu zij van oordeel is dat dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat dit deel van de vordering zich leent voor afdoening in het strafgeding. De benadeelde partij kan derhalve haar resterende vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 55, 57, 77b, 242, 282, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

* Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

* Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

* Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

* Verklaart van toepassing het meerderjarigenstrafrecht.

* Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar.

* Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

* Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, waarbij de rechtbank een sterke voorkeur heeft voor TBS-kliniek Hoeve Boschoord te Vledder.

* Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], p/a mr. A. van Bon-Moors, Postbus 1295, 6501 BG

Nijmegen van een bedrag van € 12.681,17, vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2007.

* Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

* Legt aan veroordeelde tevens de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] voornoemd, een bedrag van € 12.681,17 te betalen, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 90 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

* Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

* Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven

voorwerpen, te weten:

- 1 stuk telefoontoestel, oortelefoon vermoedelijk GSM (nr. 23 op de lijst van in

beslag genomen voorwerpen);

- 1 stuk tapeband, stukje grijze tape, kleur grijs (nr. 24 op de lijst van in beslag

genomen voorwerpen);

- 1 blikje, oranje met “panter”-opdruk (nr. 26 op de lijst van in beslag genomen

voorwerpen);

- 1 condoom (nr. 27 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen);

- 1 stuk ondergoed, damesslip, grijs/rode bloempjes, kleur grijs/rood (nr. 28 op de

lijst van in beslag genomen voorwerpen);

- 1 stuk bustehouder, sluiting dicht, maat 80c, kleur rood (nr. 29 op de lijst van in

beslag genomen voorwerpen);

- 1 stuk broek, betreft legging, kleur zwart (nr. 30 op de lijst van in beslag genomen

voorwerpen);

- 1 stuk hemd, donkerkleurig, maat S (nr. 31 op de lijst van in beslag genomen

voorwerpen);

- 1 stuk sok, donkerkleurig (nr. 32 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen);

- 1 stuk laken, doek, vierkant shawl (nr. 33 op de lijst van in beslag genomen

voorwerpen);

- 1 stuk shirt, t-shirt, lange mouw, donkerkleurig (nr. 34 op de lijst van in beslag

genomen voorwerpen);

- 1 stuk sjaal, breed/lang, franje einden (nr. 35 op de lijst van in beslag genomen

voorwerpen);

- 1 stuk ondergoed, slip gedeelte, donkerkleurig, knipsporen (nr. 36 op de lijst van in

beslag genomen voorwerpen).

* Gelast de teruggave aan de verdachte van de navolgende voorwerpen:

- 1 jas, JEANIOUS, tekst geschreven E.M.A.G., kleur donkerblauw (nr. 9 op de

lijst van in beslag genomen voorwerpen);

- 1 stuk schoeisel, NIKE, maat 43, kleur wit/zwart (nr. 10 op de lijst van in beslag

genomen voorwerpen);

- 1 broek, MONOPOL, spijkerbroek blauw met riem zwart merk Monopol, kleur

blauw (nr.11 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen);

- 1 vest, UMBRO, maat S, kleur blauw (nr. 12 op de lijst van in beslag genomen

voorwerpen);

- 1 tas, sporttas met kleding “Borculo” o.a. blauwe spijkerbroek (nr. 13 op de lijst

van in beslag genomen voorwerpen);

- 1 schrijfmap, schrijfblok ringband rood kaft met handgeschreven (nr. 14 op de lijst

van in beslag genomen voorwerpen);

- 1 paar sokken, kleur wit (nr. 15 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen);

- diverse witte sokken (nr. 16 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen);

- 1 doos, NIKE Revengeanc, betreft schoenendoos (nr. 17 op de lijst van in beslag

genomen voorwerpen);

- 1 agenda, cultuuragenda 2007 (nr. 18 op de lijst van in beslag genomen

voorwerpen);

- 1 stuk papier, aantal notitieblaadjes (nr. 19 op de lijst van in beslag genomen

voorwerpen);

- 1 zegelring, gouden zegelring met in vierkant boven op ring “F”, kleur goud (nr. 25

op de lijst van in beslag genomen voorwerpen).

* Gelast de teruggave aan het slachtoffer van de navolgende voorwerpen:

- 1 spijkerbroek met bruine riem (nr. 1 op de lijst van in beslag genomen

voorwerpen);

- 1 stuk ondergoed HIPSTER, betreft slip, kleur groen/geel (nr. 2 op de lijst van in

Beslag genomen voorwerpen);

- 1 jas, halflang, kleur zwart (nr. 3 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen);

- 2 stukken sokken, kleur grijs (nr. 4 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen);

- 1 shirt, kleur zwart/wit (nr. 5 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen);

- 1 bustehouder, kleur groen/geel (nr. 6 op de lijst van in beslag genomen

voorwerpen);

- 1 shirt, kleur zwart (nr. 7 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen);

- 1 shirt, kleur grijs (nr. 8 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen).

Aldus gewezen door mrs. Krijger, voorzitter, tevens kinderrechter, Borgerhoff Mulder en Morsink, rechters, in tegenwoordigheid van Vriezekolk, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 juli 2008.

(eindnoot 1) Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen verbaal, als bijlagen opgenomen bij (Stam) proces-verbaal nr. PL0630/08-112065, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, Divisie Recherche, gesloten en getekend op 14 maart 2007

(eindnoot 2) Proces-verbaal van verhoor van aangeefster, pagina 297-340

(eindnoot 3)Proces-verbaal Sporenonderzoek, pagina 361-367

(eindnoot 4)Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], pagina 748-754

(eindnoot 5) Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], apart bij het dossier gevoegd en niet genummerd

(eindnoot 6)Verslag van schoensporendeskundige Veldwijk met betrekking tot onderzoek van het aangetroffen schoenspoor (schriftelijk bescheiden), pagina 1520

(eindnoot 7) Proces-verbaal van speurhondgeleiders Tieks en Osinga, pagina 1383

(eindnoot 8) Deskundigenrapport van het NFI van ing. Slycke met betrekking tot de DNA-match (schriftelijk

bescheiden), pagina 1551

(eindnoot 9) Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 836-956

(eindnoot 10) Proces-verbaal van verhoor van aangeefster, pagina 315 en 322

(eindnoot 11) Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 952-953

 

FaLang translation system by Faboba