Voorlopige ondertoezichtstelling in verband met levensvatbaarheidsgrens ongeboren vrucht FJR 2012-50

Essentie

Afwijzing verzoek voorlopige ondertoezichtstelling in verband met levensvatbaarheidsgrens ongeboren vrucht.

Uitspraak

Feiten en procesverloop

De Raad verzoekt de ongeboren vrucht als reeds geboren, althans levensvatbaar te verklaren omdat zijn belang dit vordert. Hoewel moeder slechts zestien weken zwanger is, stelt de Raad dat er sprake is van een dusdanige ernstige bedreiging dat de ongeboren vrucht dringend en onverwijld beschermd dient te worden middels een voorlopige ondertoezichtstelling. Voorts stelt de Raad dat de ontwikkelingsbedreiging er uit bestaat dat de moeder en de ongeboren vrucht in een situatie verkeren waarbij eerdreiging speelt en de kans dat aan moeder en de ongeboren vrucht geweld wordt toegebracht zeer groot is. De ongeboren vrucht is voor de familie van moeder niet te accepteren doordat moeder, voordat zij gehuwd is, zwanger is geworden. De familie zal er alles aan doen om de zwangerschap voortijdig te beëindigen; zij legt (psychische) druk op de moeder om abortus te laten plegen en wanneer moeder niet tot dit besluit komt zal de familie op illegale wijze de zwangerschap voortijdig beëindigen (middels trappen, mishandelen of snijden), hetgeen ook ernstige gevolgen heeft voor de gezondheid van de moeder. Moeder ziet de eerdreiging niet en is op 1 februari 2012 – na een periode van uithuisplaatsing op een geheime plek – teruggekeerd naar de regio waar ook haar familie woont, om bij haar vriend te gaan wonen.

Het BJZ maakt zich ernstige zorgen over de veiligheid van de moeder en daarmee de veiligheid van de ongeboren vrucht. De moeder is in de periode van 1 december 2011 tot 29 januari 2012 (de dag waarop de moeder meerderjarig is geworden) voorlopig onder toezicht gesteld en in dat kader uit huis geplaatst op een geheime plek in verband met de dreiging van eerwraak. De ouders van moeder vinden de zwangerschap van moeder – nu zij niet gehuwd is – een schande is voor de eer van de familie, zodat het ‘bastaard’ kind nooit geaccepteerd kan worden binnen de familie en dat zij er alles aan zullen doen om het kind niet geboren te laten worden. In de periode dat moeder voorlopig onder toezicht stond, was moeder gevoelig voor de autoriteit van de gezinsvoogd. Tegen haar 18e verjaardag nam moeder steeds minder aan van de gezinsvoogd en is moeder uiteindelijk ingetrokken bij haar vriend, die in dezelfde regio als haar familie woonachtig is.

De rechtbank

De moeder is op het moment van de uitspraak zeventien weken zwanger van de ongeboren vrucht. Derhalve dient beoordeeld te worden of de ongeboren vrucht reeds bescherming toekomt, als bedoeld in artikel 1:2 van het Burgerlijk Wetboek. De meeste mensenrechtenverdragen bieden bescherming aan het leven. De verplichting het menselijk leven te beschermen vangt aan vanaf de geboorte, maar het is aan verdragsstaten of zij ook ongeborenen onder het beschermingsbereik van dit recht willen laten vallen. Mensenrechten bevatten immers minimumnormen. Bij de totstandkoming van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) is geprobeerd een voor iedereen aanvaardbaar compromis te vinden over de juridische status van de ongeborene. Dit heeft zijn neerslag gevonden in de preambule van het IVRK, waarin is bepaald dat het kind ‘bijzondere bescherming en zorg nodig heeft, met inbegrip van geëigende wettelijke bescherming, zowel voor als na zijn geboorte’. Een preambule schept geen juridische verplichtingen voor verdragsstaten, maar biedt een basis voor interpretatie van de verdragsbepalingen en verduidelijkt de doelen van het verdrag ( art. 31 lid 2 Weens Verdragenverdrag). Artikel 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermt het recht op leven van eenieder. In de zaak Herz benadrukt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de Staat het leven niet opzettelijk mag beroven, maar dat de foetus geen zelfstandig recht op leven toekomt. Het Hof sluit niet uit dat in bepaalde verdragsstaten de foetus wel bescherming geniet onder artikel 2 EVRM. Vanaf welk moment het leven begint, valt binnen de ‘margin of appreciation’ die verdragsstaten toekomt.

De foetus zelf is volgens het Nederlands recht geen drager van rechten. Hij heeft noch recht op zwangerschapsafbreking, noch recht op leven. Strafbaar is alleen de zwangerschapsafbreking na de levensvatbaarheidsgrens: ‘Onder een ander (…) van het leven beroven wordt begrepen: het doden van een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat is buiten het moederlichaam in leven te blijven’ ( artikel 82a van het Wetboek van Strafrecht). Door de medische wetenschap in Nederland is de levensvatbaarheidsgrens thans vastgesteld op 24 weken nadat de bevruchting heeft plaatsgevonden. Na deze termijn kan, met behulp van de medische wetenschap, een foetus van 24 weken in leven worden gehouden.

De zelfstandige levensvatbaarheid van een foetus, en daarmee de duur van de zwangerschap, is gelet op het voorgaande bepalend voor de vraag of aan de ongeboren vrucht op enige wijze bescherming toekomt. Nu de moeder zeventien weken zwanger is, komt de ongeboren vrucht geen bescherming toe en kan een maatregel van voorlopige ondertoezichtstelling niet worden uitgesproken. Toewijzing van het onderhavige verzoek zou thans impliceren – nu de ongeboren vrucht de levensvatbaarheidsgrens nog niet gepasseerd heeft – een voorlopige ondertoezichtstelling van de meerderjarige moeder, welke maatregel geen steun vindt in het recht. De verzoeken tot ondertoezichtstelling en voorlopige ondertoezichtstelling zullen dan ook worden afgewezen.

De kinderrechter wijst de verzoeken af.

Met noot van

P. Dorhout

Noot

Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. De rechtbank worstelt met de vraag wanneer een ongeboren kind recht heeft op bescherming. De rechter zoekt daarbij aansluiting bij (de jurisprudentie over) de bepalingen in het IVRK en het EVRM komt dan tot de conclusie dat voor de beantwoording van deze vraag van belang is wanneer de foetus levensvatbaar is. Met behulp van de in het strafrecht ontwikkelde normen voor zwangerschapsbeëindiging concludeert de rechter dat de foetus in dit geval nog niet levensvatbaar is en wijst het verzoek daarom af.

De rechter miskent daarmee dat het criterium van de levensvatbaarheid wordt gebruikt bij de vraag wanneer abortus provocatus toegestaan is volgens het strafrecht. In dergelijke gevallen is er echter sprake van een botsing van grondrechten: namelijk het recht op bescherming van het ongeboren kind en het recht van de moeder om niet te hoeven te bevallen van een ongewenst kind. In dit geval lopen de belangen van het kind en de moeder echter parallel. De moeder wil een gezond kind ter wereld brengen en de foetus heeft bescherming nodig tegen de familie van de vader. Ik ben van mening dat dan alleen gekeken hoeft te worden naar art. 1:2 BW. Het verzoek is dan in beginsel toewijsbaar, omdat de gezondheid van de foetus ernstig wordt bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

De rechter overweegt dat toewijzing van het verzoek impliceert dat de meerderjarige moeder in feite zelf onder toezicht komt te staan en dat dat niet kan vanwege haar meerderjarigheid. Dat laatste is juist, maar de maatregel van ondertoezichtstelling is juist gegeven in die gevallen waarin andere middelen hebben gefaald of zullen falen. Kennelijk was de dreiging voor de moeder zelf nog niet zo groot dat een maatregel tot bescherming van de meerderjarige moeder kon worden genomen. Nu aannemelijk is dat de ondertoezichtstelling van de foetus het gewenste effect zou hebben gehad, vind ik dat het verzoek had moeten worden toegewezen.

Onderkant formulier

Bovenkant formulier

Vindplaats:

FJR 2012/50

Datum:

07-02-2012

Instantie:

Rechtbank Dordrecht (Kinderrechter)

Zaaknr:

96657 / JE RK 12-89

Magistraten:

Mr. A. EerdhuijzenAfwijzing voorlopige ondertoezichtstelling in verband met levensvatbaarheidsgrens van ongeboren vrucht.

LJN:

BV6246

Conclusie:

-

Partijen

Beschikking van de kinderrechter van 7 februari 2012

op verzoek van

Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuid-Holland Zuid en Zeeland,

locatie Dordrecht,

gevestigd te 3311 GR Dordrecht, Spuiboulevard 356–358,

hierna te noemen: de Raad,

met betrekking tot

de ongeboren vrucht

van

[aanstaande moeder],

verblijvende op een geheime plek,

hierna te noemen: de moeder.

Naast de moeder wordt als belanghebbende aangemerkt:

Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,

gevestigd te 3311 KJ Dordrecht, Johan de Wittstraat 40,

hierna te noemen: het BJZ.

1. Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft op 1 februari 2012 kennis genomen van het mondelinge verzoek van de Raad strekkende tot voorlopige ondertoezichtstelling van de ongeboren vrucht van de moeder. Op 2 februari 2012 heeft de rechtbank kennis genomen van het verzoekschrift, met bijlagen, van de Raad. De beslissing op het verzoek is aangehouden in afwachting van een mondelinge behandeling.

1.2.

De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting met gesloten deuren van 3 februari 2012. Verschenen en gehoord zijn:

— de Raad, vertegenwoordigd door [raadsonderzoeker1] en [raadsonderzoeker2];— het BJZ, vertegenwoordigd door [medewerkster BJZ];— de moeder.

1.3.

Aan [partner van aanstaande moeder], partner van de moeder, is bijzondere toegang tot de mondelinge behandeling verleend.

2. Het verzoek

2.1.

De Raad verzoekt:

— de ongeboren vrucht als reeds geboren of althans als levensvatbaar te verklaren;— de ongeboren vrucht onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar voorafgegaan door een voorlopige ondertoezichtstelling voor de duur van drie maanden. Daarbij verzoekt de Raad de uitvoering van de (voorlopige) ondertoezichtstelling op te dragen aan het BJZ.

2.2.

De Raad verzoekt de ongeboren vrucht als reeds geboren, althans levensvatbaar te verklaren omdat zijn belang dit vordert. Hoewel moeder slechts zestien weken zwanger is, stelt de Raad dat er sprake is van een dusdanige ernstige bedreiging dat de ongeboren vrucht dringend en onverwijld beschermd dient te worden middels een voorlopige ondertoezichtstelling.

2.3.

Voorts stelt de Raad dat de ontwikkelingsbedreiging er uit bestaat dat de moeder en de ongeboren vrucht in een situatie verkeren waarbij eerdreiging speelt en de kans dat aan moeder en de ongeboren vrucht geweld wordt toegebracht zeer groot is. De ongeboren vrucht is voor de familie van moeder niet te accepteren doordat moeder, voordat zij gehuwd is, zwanger is geworden. De familie zal er alles aan doen om de zwangerschap voortijdig te beëindigen; zij legt (psychische) druk op de moeder om abortus te laten plegen en wanneer moeder niet tot dit besluit komt zal de familie op illegale wijze de zwangerschap voortijdig beëindigen (middels trappen, mishandelen of snijden), hetgeen ook ernstige gevolgen heeft voor de gezondheid van de moeder. Moeder ziet de eerdreiging niet en is op 1 februari 2012 — na een periode van uithuisplaatsing op een geheime plek — teruggekeerd naar de regio waar ook haar familie woont, om bij haar vriend te gaan wonen.

2.4.

Dringend en onverwijld ingrijpen is noodzakelijk omdat de dreiging vanuit de familie zo ernstig is dat wanneer moeder in contact komt met haar familie dit ernstige gevolgen zal hebben voor de gezondheid en veiligheid van moeder en de ongeboren vrucht. Er is sprake van een onveilige situatie nu moeder in de regio verblijft waar tevens haar familie woont, waardoor de kans groot is dat moeder op korte termijn in contact komt met haar familie.

2.5.

De bedreiging kan niet op andere wijze worden weggenomen omdat de dreiging en de onveiligheid van de ongeboren vrucht zo ernstig zijn, dat deze de dood tot gevolg kunnen hebben. Het vrijwillige hulpverleningskader is ontoereikend gebleken. Bovendien was moeder — in de periode vanaf 1 december 2011 tot 29 januari 2012 waarin zij zelf voorlopig onder toezicht stond — gevoelig voor het gezag van haar gezinsvoogd. Moeder hield zich aan de afspraken en aanwijzingen van de gezinsvoogd. Een voorlopige ondertoezichtstelling van de ongeboren vrucht heeft een meerwaarde doordat de gezinsvoogd een coördinerende rol ten opzichte van de hulpverlening en de overige ketenpartners op zich kan nemen. Van belang is dat er met spoed een veiligheidsplan wordt opgesteld, met duidelijke afspraken waaraan de moeder en haar vriend zich zullen moeten houden.

3. Het standpunt van het BJZ

Het BJZ heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het verzoek van de Raad onderschrijft. Het BJZ maakt zich ernstige zorgen over de veiligheid van de moeder en daarmee de veiligheid van de ongeboren vrucht. De moeder is in de periode van 1 december 2011 tot 29 januari 2012 (de dag waarop de moeder meerderjarig is geworden) voorlopig onder toezicht gesteld en in dat kader uit huis geplaatst op een geheime plek in verband met de dreiging van eerwraak. Op 10 januari 2012 is er onder begeleiding van het BJZ, de politie en het Landelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld een gesprek geweest tussen de moeder en haar ouders. Tijdens dit gesprek hebben de ouders van moeder te kennen gegeven dat de zwangerschap van moeder — nu zij niet gehuwd is — een schande is voor de eer van de familie, dat het ‘bastaard’ kind nooit geaccepteerd kan worden binnen de familie en dat zij er alles aan zullen doen om het kind niet geboren te laten worden. De volgende dag is er een gesprek geweest tussen de ouders van moeder en de partner van moeder en gaven de ouders van moeder te kennen dat het kind welkom was in de familie. De politie neemt de eerder geuite dreigingen serieus en vreest voor de veiligheid van de moeder wanneer zij in contact komt met haar familie.

In de periode dat moeder voorlopig onder toezicht stond ,was moeder in beginsel gevoelig voor de autoriteit van de gezinsvoogd. Naar mate het einde van de maatregel — in verband met de meerderjarigheid van moeder — naderde, nam moeder steeds minder aan van de gezinsvoogd en is moeder uiteindelijk na haar 18e verjaardag tegen de adviezen van het BJZ in ingetrokken bij haar vriend, die in dezelfde regio als haar familie woonachtig is.

4. Het standpunt van de moeder

De moeder heeft ter terechtzitting ingestemd met het verzoek. Echter, hoewel zij de zorgen van de Raad en het BJZ begrijpt, meent de moeder dat zij en de ongeboren vrucht geen gevaar lopen. De moeder verwacht dat haar familie, onder druk van alle betrokken instanties, haar geen kwaad zal doen. Bovendien zijn moeder en haar partner voornemens om op 6 februari 2012 voor het geloof te gaan trouwen waardoor de ongeboren vrucht alsnog geaccepteerd wordt door de ouders van moeder en de overige familie geen argwaan zal krijgen.

5. De beoordeling

5.1.

De moeder is op het moment van de uitspraak zeventien weken zwanger van de ongeboren vrucht. Derhalve dient voorafgaand aan de vraag of een voorlopige ondertoezichtstelling — hangende het beschermingsonderzoek van de Raad — geboden is, beoordeeld te worden of de ongeboren vrucht reeds bescherming toekomt, als bedoeld in artikel 1:2 van het Burgerlijk Wetboek.

5.2.

De meeste mensenrechtenverdragen bieden bescherming aan het leven. De verplichting het menselijk leven te beschermen vangt aan vanaf de geboorte, maar het is aan verdragsstaten of zij ook ongeborenen onder het beschermingsbereik van dit recht willen laten vallen. Mensenrechten bevatten immers minimumnormen. Bij de totstandkoming van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) is geprobeerd een voor iedereen aanvaardbaar compromis te vinden over de juridische status van de ongeborene. Dit heeft zijn neerslag gevonden in de preambule van het IVRK, waarin is bepaald dat het kind ‘bijzondere bescherming en zorg nodig heeft, met inbegrip van geëigende wettelijke bescherming, zowel voor als na zijn geboorte’. Een preambule schept geen juridische verplichtingen voor verdragsstaten, maar biedt een basis voor interpretatie van de verdragsbepalingen en verduidelijkt de doelen van het verdrag (art. 31 lid 2 Weens Verdragenverdrag). Artikel 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermt het recht op leven van eenieder. In de zaak Herz benadrukt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de Staat het leven niet opzettelijk mag beroven, maar dat de foetus geen zelfstandig recht op leven toekomt. Het Hof sluit niet uit dat in bepaalde verdragsstaten de foetus wel bescherming geniet onder artikel 2 EVRM. Vanaf welk moment het leven begint, valt binnen de ‘margin of appreciation’ die verdragsstaten toekomt.

5.3.

De foetus zelf is volgens het Nederlands recht geen drager van rechten. Hij heeft noch recht op zwangerschapsafbreking, noch recht op leven. Strafbaar is alleen de zwangerschapsafbreking na de levensvatbaarheidsgrens: ‘Onder een ander (…) van het leven beroven wordt begrepen: het doden van een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat is buiten het moederlichaam in leven te blijven’ (artikel 82a van het Wetboek van Strafrecht). Door de medische wetenschap in Nederland is de levensvatbaarheidsgrens thans vastgesteld op 24 weken nadat de bevruchting heeft plaatsgevonden. Na deze termijn kan, met behulp van de medische wetenschap, een foetus van 24 weken in leven worden gehouden.

5.4.

De zelfstandige levensvatbaarheid van een foetus, en daarmee de duur van de zwangerschap, is gelet op het voorgaande bepalend voor de vraag of aan de ongeboren vrucht op enige wijze bescherming toekomt. Nu de moeder zeventien weken zwanger is, komt de ongeboren vrucht geen bescherming toe en kan een maatregel van voorlopige ondertoezichtstelling niet worden uitgesproken. Toewijzing van het onderhavige verzoek zou thans impliceren — nu de ongeboren vrucht de levensvatbaarheidsgrens nog niet gepasseerd heeft — een voorlopige ondertoezichtstelling van de meerderjarige moeder, welke maatregel geen steun vindt in het recht. De verzoeken tot ondertoezichtstelling en voorlopige ondertoezichtstelling zullen dan ook worden afgewezen.

6. De beslissing

De kinderrechter:

wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Eerdhuijzen, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2012.

 

FaLang translation system by Faboba