Kantoorklachtenregeling

Kantoorklachtenregeling Advocatenkantoor Pieter Dorhout

Artikel 1 begripsbepalingen

In deze kantoorklachtenregeling wordt verstaan onder:

- klacht: iedere schriftelijke uiting van ongenoegen van of namens de cliënt jegens de advocaat of de onder diens verantwoordelijkheid werkzame personen over de totstandkoming en de uitvoering van een overeenkomst van opdracht, de kwaliteit van de dienstverlening of de hoogte van de declaratie, niet zijnde een klacht als bedoeld in paragraaf 4 van de Advocatenwet;

- klager: de cliënt of diens vertegenwoordiger die een klacht kenbaar maakt;

- klachtenfunctionaris: de advocaat die is belast met de afhandeling van de klacht;

 

Artikel 2 toepassingsbereik

1. Deze kantoorklachtenregeling is van toepassing op iedere overeenkomst van opdracht tussen Advocatenkantoor Pieter Dorhout en de cliënt.

2. Pieter Dorhout draagt zorg voor klachtafhandeling conform de kantoorklachtenregeling.

 

Artikel 3 doelstellingen

Deze kantoorklachtenregeling heeft tot doel:

a. het vastleggen van een procedure om klachten van cliënten binnen een redelijke termijn op een constructieve wijze af te handelen;

b. het vastleggen van een procedure om de oorzaken van klachten van cliënten vast te stellen;

c. behoud en verbetering van bestaande relaties door middel van goede klachtenbehandeling;

d. de juridisch medewerker te trainen in cliëntgericht reageren op klachten;

e. verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening met behulp van klachtbehandeling en klachtanalyse.

 

Artikel 4 informatie bij aanvang dienstverlening

1. Deze kantoorklachtenregeling is openbaar gemaakt. De advocaat wijst de cliënt voor het aangaan van de overeenkomst van opdracht erop dat het kantoor een kantoorklachtenregeling hanteert en dat deze van toepassing is op de dienstverlening.

2. Advocatenkantoor Pieter Dorhout heeft via de algemene voorwaarden opgenomen bij welke onafhankelijke partij of instantie een klacht die na behandeling niet is opgelost kan worden voorgelegd ter verkrijging van een bindende uitspraak en heeft dit bij de opdrachtbevestiging kenbaar gemaakt.

3. Klachten als bedoeld in artikel 1 van deze kantoorklachtenregeling die na behandeling niet zijn opgelost worden voorgelegd aan de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar.

 

Artikel 5 interne klachtprocedure

1. Indien een cliënt het kantoor benadert met een klacht, dan wordt de klacht doorgeleid naar mr. V. Goudriaan, die daarmee optreedt als klachtenfunctionaris.

2. De klachtenfunctionaris stelt degene over wie is geklaagd in kennis van het indienen van de klacht en stelt de klager en degene over wie is geklaagd in de gelegenheid een toelichting te geven op de klacht.

3. Degene over wie is geklaagd tracht samen met de cliënt tot een oplossing te komen al dan niet na tussenkomst van de klachtenfunctionaris.

4. De klachtenfunctionaris handelt de klacht af binnen vier weken na ontvangst van de klacht of doet met opgave van redenen mededeling aan de klager over afwijking van deze termijn met vermelding van de termijn waarbinnen wel een oordeel over de klacht wordt gegeven.

5. De klachtenfunctionaris stelt de klager en degene over wie is geklaagd schriftelijk op de hoogte van het oordeel over de gegrondheid van de klacht, al dan niet vergezeld van aanbevelingen.

6. Indien de klacht naar tevredenheid is afgehandeld, tekenen de klager, de klachtenfunctionaris en degene over wie is geklaagd het oordeel over de gegrondheid van de klacht.

 

Artikel 6 geheimhouding en kosteloze klachtbehandeling

1. De klachtenfunctionaris en degene over wie is geklaagd nemen bij de klachtbehandeling geheimhouding in acht.

2. De klager is geen vergoeding verschuldigd voor de kosten van de behandeling van de klacht.

 

Artikel 7 verantwoordelijkheden

1. De klachtenfunctionaris is verantwoordelijk voor de tijdige afhandeling van de klacht.

2. Degene over wie is geklaagd houdt de klachtenfunctionaris op de hoogte over eventueel contact en een mogelijke oplossing.

3. De klachtenfunctionaris houdt de klager op de hoogte over de afhandeling van de klacht.

4. De klachtenfunctionaris houdt het klachtdossier bij.

 

Artikel 8 klachtregistratie

1. De klachtenfunctionaris registreert de klacht met daarbij het klachtonderwerp.

2. Een klacht kan in meerdere onderwerpen worden ingedeeld.

3. De klachtenfunctionaris brengt periodiek verslag uit over de afhandeling van de klachten en doet aanbevelingen ter voorkoming van nieuwe klachten, alsmede ter verbetering van procedures.

4. Minimaal eenmaal per jaar wordt de verslagen en de aanbevelingen op het kantoor besproken en ter besluitvorming voorgelegd.

 

Egmond aan den Hoef, 17 augustus 2021

Bel direct

Bel direct 088-0020809

Kroniek relatievermogensrecht 2018 FJR 2018/37

FJR 2018/37

Kroniek relatievermogensrecht 2018

Datum: 08-04-2018

Auteur: Mr. C. Koopman & mr. P. Dorhout 

In deze kroniek over het relatievermogensrecht wordt aandacht besteed aan een aantal uitspraken op het gebied van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het beëindigen van een huwelijk of samenleving. Met name over de vraag of bepaalde vermogensbestanddelen buiten de huwelijksgemeenschap vallen zijn het afgelopen jaar interessante uitspraken gewezen. Bij de zaken over verrekening op grond van een in huwelijkse voorwaarden opgenomen niet-nagekomen verrekenbeding behandelen we onder meer uitspraken over de uitwerking van het bewijsvermoeden dat het op de peildatum aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Als uitsmijter hebben we een aansprekende uitspraak geselecteerd over het uiteengaan van samenlevers waarin veel leerstukken die een rol kunnen spelen bij de vermogensrechtelijke afwikkeling tussen ex-samenlevers de revue passeren. De behandelde uitspraken zijn voorzien van een FJR-vindplaats (bijv. FJR 2018/37.1), waardoor online de uitspaak ook beschikbaar komt.

1. Gemeenschap van goederen

1.1 Verknochtheid

De vraag of een ontvangen ontslagvergoeding verknocht is aan een van de echtgenoten komt regelmatig terug in de jurisprudentie. De Hoge Raad legt op 23 februari 2018, (ECLI:NL:HR:2018:270) (FJR 2018/37.1) deze vraag duidelijk uit.
Een aan een van de echtgenoten verstrekte (aanspraak op een) ontslagvergoeding, dan wel een aanspraak die hiervoor in de plaats treedt, kan verknocht zijn ingeval deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten. In zodanig geval moet bij de beantwoording van de vraag of deze aanspraak in de huwelijksgemeenschap valt, onderscheid worden gemaakt tussen de periode vóór en de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voor zover de aanspraak ziet op laatstgenoemde periode, valt deze niet in de gemeenschap, evenmin als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op loon voor nog te verrichten arbeid. In eerdere uitspraken heeft de Hoge Raad overeenkomstig dit uitgangspunt geoordeeld in een geval waarin een ontslagvergoeding als koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij was gestort (HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41) en in een geval waarin een ontslagvergoeding was aangewend voor de verwerving van een stamrecht jegens een door de werknemer zelf opgerichte en beheerste BV (zie de eerdergenoemde beschikking van HR 24 juni 2016). Het zojuist genoemde uitgangspunt geldt ook indien een ontslagvergoeding die is uitbetaald in de vorm van een bedrag ineens, niet is aangewend voor de aankoop van een stamrechtverzekering, noch is ondergebracht in een stamrecht-BV. Anders dan kan worden afgeleid uit HR 22 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2025, NJ 1996/640, bestaat er onvoldoende grond om te oordelen dat de vergoeding dan geheel in de gemeenschap valt, ook voor zover deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat na ontbinding van de huwelijksgemeenschap zou zijn genoten. Voor dat gedeelte valt de vergoeding, voor zover het daarmee gemoeid bedrag nog redelijkerwijs als zodanig in het vermogen van de echtgenoten is te identificeren, niet in de gemeenschap. De hiervoor genoemde rechtspraak heeft betrekking op aanspraken strekkend tot vervanging van inkomen uit arbeid dat een echtgenoot bij voortzetting van zijn dienstbetrekking zou hebben genoten. Voor zover de aanspraak ertoe strekt te voorzien in inkomen na pensionering (‘oudedagsvoorziening’), valt deze – bij niet-toepasselijkheid van art. 1:94 lid 2, onder b, BW – in beginsel wel in de gemeenschap. Immers, anders dan aanspraken ter vervanging van inkomen dat na ontbinding van de huwelijksgemeenschap uit arbeid zou zijn genoten, dienen dergelijke pensioenaanspraken die tot uitkering komen na zodanige ontbinding, voor zover zij zijn opgebouwd tijdens het huwelijk, in beginsel mede tot verzorging van de andere echtgenoot.
De vraag is nu wel hoe te handelen indien het gaat om een transitievergoeding, die immers niet enkel ziet op een aanspraak strekkend tot vervanging van inkomen uit arbeid.
1.2 Eenmanszaak
Het Gerechtshof Den Haag oordeelt in zijn beschikking van 29 november 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:3752) (FJR 2018/37.2) over de vraag hoe een eenmanszaak moet worden verdeeld. Het hof overweegt dat een eenmanszaak geen afgescheiden vermogen heeft. Het ondernemingsvermogen, bestaande uit activa en passiva, valt in de wettelijke gemeenschap van goederen. De activa kunnen worden verdeeld. Ter zake van de waarde van de in de verdeling te betrekken activa geldt als uitgangspunt het tijdstip van de feitelijke verdeling (waarderingspeildatum), tenzij partijen een ander tijdstip met elkaar zijn overeengekomen of de redelijkheid en billijkheid zich tegen dat tijdstip verzetten.
Een passiva/schuld is geen goed en kan als zodanig niet worden verdeeld. In het kader van de verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap zijn in beginsel beide partijen ieder voor de helft draagplichtig met betrekking tot de schulden, ook als deze verband houden met de exploitatie van een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Voor de omvang van de schulden zijn in beginsel relevant de schulden die op datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap bestaan. Een schuld behoeft in beginsel niet te worden gewaardeerd. Uitgegaan dient te worden van de nominale verplichting.
Moet met een erfdeel in de vorm van een vordering van kinderen rekening worden gehouden bij de verdeling van een huwelijksgemeenschap? Deze vraag wordt door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in zijn uitspraak van 5 oktober 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:4267) (FJR 2018/37.3) ontkennend beantwoord. De man is eerder getrouwd geweest, in gemeenschap van goederen. De eerste echtgenote is overleden in 2005. De man en de uit dit huwelijk geboren twee kinderen zijn gezamenlijk en voor gelijke delen haar erfgenamen. De kinderen hebben hun erfdeel ontvangen in de vorm van een vordering op de man. De man is opnieuw gehuwd in gemeenschap van goederen, welk huwelijk door echtscheiding wordt ontbonden. De man verlangt dat de vrouw de helft van de schulden aan de kinderen aan hem voldoet. De schuld die de man aan de kinderen heeft valt in de ontbonden huwelijksgemeenschap. Maar de kinderen kunnen hun vordering in beginsel pas opeisen bij het overlijden van de man (art. 4:13 lid 3 BW). Pas dan komt het doen van betalingen ter zake van de schuld aan de orde. Daartoe kan de vrouw nu niet worden verplicht. Overigens zou de “verdeling” van de schuld die de man wenst tot het onaanvaardbare gevolg leiden dat, nadat de vrouw de man (ter zake van de schuld aan de kinderen) heeft betaald, zij later (bij overlijden van de man en hij de schuld niet blijkt te hebben betaald aan de kinderen) ook nog het risico moet lopen door de kinderen zelf te worden aangesproken.
Een wat bijzondere uitspraak nu de schuld als zodanig wel als passief post deel uitmaakt van de ontbonden gemeenschap en het hof wel had kunnen oordelen over de draagplicht van deze schuld.
1.3 Belastinglatentie
De Hoge Raad besliste op 23 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:281) (FJR 2018/37.4) dat de belastinglatentie over lijfrentepolissen moet worden vastgesteld naar het percentage dat geldt op de peildatum, nu door partijen de afkoopwaarde ervan bij de verdeling in aanmerking werd genomen. (vgl. HR 24 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6095, r.o. 3.3.4). Het hof had bij het bepalen van de waarde van de polissen ook rekening gehouden met de verschuldigde inkomstenbelasting, maar nam deze naar de contante waarde op de peildatum in aanmerking, omdat deze belasting verschuldigd zou worden op ten opzichte van de peildatum toekomstige tijdstippen. Dat was dus niet juist.

2. Huwelijkse voorwaarden

2.1 Bewijsvermoeden

Als vaststaat dat tijdens het huwelijk van partijen geen uitvoering is gegeven aan een periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden geldt krachtens art. 1:141 lid 3 BW dat het op de peildatum aanwezige vermogen vermoed wordt te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Op degene die het bewijsvermoeden wil weerleggen rust de stelplicht en de bewijslast. Deze echtgenoot zal aannemelijk moeten maken dat een aanwezig vermogensbestanddeel niet of niet uitsluitend is verworven met behulp van hetgeen verrekend had moeten worden (vgl. ECLI:NL:HR:2017:161).
Het Gerechtshof Den Haag besliste op 4 april 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:1808) (FJR 2018/37.5) over de bewijslast ter zake de herkomst van het bedrag dat werd gebruikt om een BV op te richten, en wel in verband met de vraag of de waarde van de aandelen in de BV tot het te verrekenen vermogen behoorde. De man had niet gesteld dat hij over niet te verrekenen vermogen beschikte (zoals een erfenis of een schenking). Hij had wél gesteld dat partijen bij de oprichting van de BV geen bedrag van f 40.000,- aan liquiditeiten bezaten. Dat feit ontzenuwt volgens het hof echter niet het bewijsvermoeden dat de aandelen in de BV met overgespaarde inkomsten zijn gefinancierd. De aandelen kunnen immers later met overgespaarde, niet gedeelde inkomsten (alsnog) zijn volgestort of een voor de oprichting aangegane geldlening kan daarmee zijn afgelost. De man dient niet het bewijs te leveren van hetgeen niet heeft plaatsgevonden, maar van hetgeen juist wel ter zake van zijn volstortingsplicht heeft plaatsgevonden.
Ook in de zaak bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch die leidde tot de beschikking van 4 mei 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:1906) (FJR 2018/37.6) lag de vraag voor wie nu precies wat moest bewijzen. Volgens de man dient, gelet op art. 150 Rv, degene die een beroep doet op het bewijsvermoeden te bewijzen dat er overgespaarde inkomsten zijn geweest en dat deze niet zijn verrekend. Hij was het daarom niet eens met de overweging van de rechtbank dat hij geen bewijs had geleverd met betrekking tot zijn stelling dat er tijdens het huwelijk geen sprake was geweest van overgespaarde inkomsten. De man voerde hiertoe aan dat er van overgespaard inkomsten geen sprake geweest kón zijn, omdat partijen gedurende hun huwelijk structureel meer uitgaven hadden dan dat er inkomsten binnenkwamen. Om de (huishoudelijke) kosten te kunnen dekken, had de man zijn vermogen aangesproken en aanvullende hypothecaire leningen op zijn huis genomen. De man beriep zich in dit verband op de in art. 1:141 lid 3 BW vervatte uitzondering (tenzij-clausule).
Het hof is het niet met de man eens. Het is niet aan de vrouw om aannemelijk te maken dat er tijdens de huwelijksperiode overgespaarde inkomsten zijn geweest, maar aan de man om aan te tonen dat dit niet zo is. De man is er niet in geslaagd het bewijsvermoeden te weerleggen. Tegenover de gemotiveerde betwisting van deze stelling door de vrouw heeft de man niet, dan wel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er tijdens (de volledige duur van) het huwelijk geen sprake is geweest van overgespaarde inkomsten. De door de man in het geding gebrachte producties waaruit het tegendeel zou moeten blijken, waaronder een overzicht van de maandelijkse kosten van de huishouding, salarisspecificaties, rekeningafschriften en hypotheekoffertes, beslaan slechts beperkte periodes van het huwelijk, dan wel tonen niet aan dat er daadwerkelijk een hypothecaire lening is afgesloten. Ook uit de overige door de man in het geding gebrachte producties kan niet worden geconcludeerd dat in (geen enkel jaar van) het huwelijk sprake is geweest van overgespaarde inkomsten.
Voor zover de man zich beroept op de in art. 1:141 lid 3 BW vervatte uitzondering op het bewijsvermoeden (tenzij-clausule), overweegt het hof dat de tenzij-clausule terughoudend dient te worden toegepast in die zin dat deze clausule niet is bedoeld als een algemene billijkheidstoets op het resultaat van de toepassing van het bewijsvermoeden.

2.2 Draagplicht gezamenlijke schuld

In de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 28 september 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:4157) (FJR 2018/37.7) wordt nader ingegaan op de vraag hoe moet worden beoordeeld wie welk gedeelte van een gezamenlijke schuld moet dragen.
Partijen waren gehuwd buiten gemeenschap van goederen. De vrouw maakte bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw van € 30.000,-, nu hij afdoende zou hebben bewezen dat hij uit zijn privévermogen € 30.000,- heeft aangewend om het aandeel van de vrouw in een gezamenlijke schuld van partijen af te lossen. Volgens de vrouw had zij niet geprofiteerd van het krediet. Het krediet was aan de man uitbetaald en door hem geïnvesteerd in zijn woning. De vrouw vond het daarom onredelijk dat zij de helft van het krediet van € 60.000,-, zijnde € 30.000,- aan de man moest vergoeden. Het hof begrijpt de grief van de vrouw aldus dat zij zich op het standpunt stelt dat van een vergoedingsrecht geen sprake kan zijn, nu de man geheel draagplichtig moet worden geacht voor de schuld, omdat de geleende gelden alleen aan hem ten goede zijn gekomen.
De man wees erop dat partijen gezamenlijk een krediet van € 60.000,- hadden afgesloten. Uit de nota van afrekening van verkoop van de woning van de man bleek dat uit de overwaarde het krediet van € 60.000,- was afgelost. De man heeft derhalve het gezamenlijk krediet afgelost, zodat de vrouw gehouden is hem een bedrag van € 30.000,- te vergoeden.
Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is, dat zij gezamenlijk een schuld van € 60.000,- zijn aangegaan en dat deze schuld door de man is afgelost bij de verkoop van zijn woning.
Volgens art. 6:10 BW zijn schuldenaren ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem of haar in hun onderlinge verhouding aangaat draagplichtig. Hierbij staat het volgende voorop (Parl. Gesch. BW Boek 6):
“Evenmin als in het geldende BW nadere bepalingen omtrent de grootte van “zijn aandeel” zijn gegeven, is in de algemene bepaling van het eerste lid nader omschreven hoe het gedeelte van de schuld dat hem “aangaat” moet worden vastgesteld. Hieromtrent toch zijn geen algemene regels te geven. De grootte van ieders bijdrageplicht zal in de eerste plaats afhangen van hetgeen zij uitdrukkelijk of stilzwijgend omtrent hun bijdrageplicht zijn overeengekomen en van een eventuele onderlinge rechtsverhouding der schuldenaren op grond waarvan zij zich gezamenlijk hebben verbonden; zo beslist de vennootschapsovereenkomst over de onderlinge bijdrageplicht van de firmanten in de firmaschulden. Is de schuld om baat aangegaan, dan is voorts van belang – en dit vooral, wanneer er tussen de schuldenaren geen andere band bestaat, dan het feit dat zij hoofdelijke medeschuldenaren zijn – in hoeverre de tegenwaarde van hun schuld ieder van hen ten goede is gekomen. (…) Tenslotte kunnen ook de beginselen van ongerechtvaardigde verrijking nog een rol spelen. In ieder geval is het niet wenselijk – gelijk in sommige buitenlandse wetboeken is bepaald – als hoofdregel voorop te stellen dat de schuldenaren voor gelijke delen in de schuld moeten bijdragen; de uitzonderingen zouden dan belangrijker zijn dan de hoofdregel. Vanzelfsprekend is echter, indien geen van de hierboven aangegeven omstandigheden en beginselen uitsluitsel geven, een draagplicht voor gelijke delen ook volgens het ontwerp de aangewezen oplossing.”
De grootte van ieders bijdrageplicht hangt volgens het hof dus in de eerste plaats af van hetgeen partijen omtrent die bijdrageplicht zijn overeengekomen. De vrouw stelt echter niet dat zij uitdrukkelijk of stilzwijgend met de man heeft afgesproken dat de schuld (grotendeels) voor zijn rekening zou komen.
De enkele omstandigheid waarop de vrouw zich wél beroept, namelijk dat de geleende gelden (volledig of grotendeels) ten goede zijn gekomen aan man (zo al juist), maakt nog niet dat de man (volledig of grotendeels) draagplichtig is voor de schuld. Tussen partijen bestond niet slechts de band van hoofdelijk medeschuldenaar. Zij waren ten tijde van het aangaan van de schuld ook echtgenoten die elkaar ingevolge art. 1:81 BW getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd waren en die daarom verplicht waren elkaar het nodige te verschaffen. Dat dáárvan, in het bijzonder “elkaar het nodige verschaffen”, bij de lening van € 60.000,-, geen sprake was, heeft de vrouw niet gesteld en dat is ook niet gebleken. Dit had temeer op de weg van de vrouw gelegen nu niet duidelijk is waarom zij – niettegenstaande het huwelijksvermogensregime (een zogenoemde koude uitsluiting) – überhaupt samen met de man de lening van € 60.000,- is aangegaan. Derhalve moeten beide partijen worden geacht voor gelijke delen in de schuld bij te dragen.
Omdat beide partijen voor gelijke delen draagplichtig zijn ter zake van het krediet van € 60.000,- en verder niet in geschil is dat de man dit gehele bedrag heeft afgelost, brengt dat met zich mee dat ingevolge art. 5 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden aan de man een vergoedingsrecht toekomt van € 30.000,-.
Geheel anders werd beslist door Gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 13 maart 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:1104). (FJR 2018/37.8) Ook daar werd vastgesteld dat het bestaan van uitdrukkelijk of stilzwijgend gemaakte afspraken over de draagplicht van partijen voor de hypothecaire schuld niet was komen vast te staan. Op grond van het bepaalde in art. 3:172 BW zouden partijen daarom in beginsel ieder voor de helft van de hypothecaire schuld draagplichtig zijn. Op basis van de onderlinge rechtsverhouding van partijen op grond waarvan zij zich onderling hebben verbonden alsmede de eisen van redelijkheid en billijkheid die deze rechtsverhouding (ook na beëindiging van het huwelijk) beheersen en op grond waarvan zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij (vergelijk art. 6:2 BW en HR 19 oktober 2007, NJ 2007/565), is het hof echter van oordeel dat de onderlinge draagplicht 1/3e ten laste van de man en 2/3e ten laste van de vrouw bedraagt. Partijen hebben, om hen moverende redenen, bij de overdracht van de woning uitdrukkelijk gekozen voor een eigendomsverhouding die een ongelijk aandeel (1/3e versus 2/3e) van partijen in de woning behelst. Gelet op de omstandigheid dat de eigendomsrechten van partijen in hun onverdeeld aandeel in de woning 1/3e respectievelijk 2/3e bedragen, dient derhalve deze onderlinge verhouding ook aan de draagplicht voor de hypothecaire schuld ten grondslag te liggen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat bij verdeling van de woning de waarde van het goed de deelgenoten naar evenredigheid toekomt (hier: 2/3e voor de vrouw en 1/3e voor de man), aldus HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8938, NJ 2007/395. Zou de vrouw slechts de helft van de hypotheekschuld behoeven te voldoen, dan zou zij met een geringere investering een hoger rendement behalen en in die zin zou dan sprake zijn van een wanverhouding.

 3. Samenlevers

Op 6 maart 2018 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2018:886) (FJR 2018/37.9) een uitspraak gedaan waarin veel leerstukken die een rol kunnen spelen bij de vermogensrechtelijke afwikkeling tussen ex-samenlevers de revue passeren. Het gaat in deze zaak om samenlevers zonder samenlevingsovereenkomst, die samen drie kinderen hebben gekregen, waarbij er na de geboorte van het eerste kind een traditionele rolverdeling was, en waarbij partijen gezamenlijk eigenaar waren van een woning met bijbehorende hypotheek. 

De man betoogt dat hij gedurende de samenleving alle kosten heeft voldaan, waaronder premies voor een kapitaalverzekering verbonden aan de hypotheek, de hypotheekrente, investeringen in de woning en de kosten van levensonderhoud van het gezin. De man wil de helft van zijn inleg in de polis en de investeringen in de woning terugontvangen van de vrouw.

3.1 Haviltex

In zijn arrest van 8 juni 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV9539) heeft de Hoge Raad voor gevallen van beëindiging van een affectieve relatie met samenwoning, waaruit kinderen zijn geboren, de betrokkenen geen samenlevingscontract hebben gesloten en zij een eenvoudige gemeenschap van woning hebben, geoordeeld dat zowel de vraag of bepaalde afspraken zijn gemaakt, alsook de vraag welke inhoud die afspraken hebben, te worden beantwoord aan de hand van de Haviltexmaatstaf (zie HR 13 maart 1981, NJ 1981/635). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en kan acht worden geslagen op het feitelijk handelen van partijen. Bovenstaande maatstaf geldt ook bij beantwoording van de vraag of afspraken (kunnen worden geacht te) zijn gewijzigd (vgl. HR 2 september 2011, LJN BQ3876, NJ 2012/75). Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493).
Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch loopt in de uitspraak alle omstandigheden na en komt vervolgens tot de conclusie dat van het bestaan van een (stilzwijgende) overeenkomst moet worden uitgegaan die inhoudt dat tegenover de geldelijke meerinbreng van de man (inkomen) de niet-geldelijke meerinbreng van de vrouw (arbeid) staat, waarbij partijen elkaar ter zake niets meer verschuldigd zijn (in die zin ook A-G Huydecoper in zijn conclusie voor HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3636, pt. 8). Ter zake de polis, die de man heeft betaald uit het inkomen dat hij op grond van de samenwerking tussen partijen in staat was te generen, hoeft de vrouw dus niets meer aan de man te betalen.

3.2 Stilzwijgende overeenkomst

Ter zake de door de man gedane investeringen in de woning, niet betaald uit zijn inkomen maar uit zijn vermogen, komt het hof tot het oordeel dat de vrouw niet, althans onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat sprake is van het bestaan van een (stilzwijgende) overeenkomst tussen partijen dan wel op grond van welke verklaringen en gedragingen bij haar de verwachting, dan wel het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de man bij het einde van de relatie de door hem gedane investeringen in de woning uit zijn privévermogen niet zou willen verrekenen, dan wel dat de helft van de ‘overwaarde’ van de woning, “zonder rekening te houden met de investeringen van de man”, aan haar zou toekomen.
De (stilzwijgende) overeenkomst van partijen dat tegenover de geldelijke meerinbreng van de man (inkomen) de niet-geldelijke meerinbreng van de vrouw (arbeid) staat, waarbij partijen elkaar ter zake niets meer verschuldigd zijn, kan naar het oordeel van het hof niet zo ver worden opgerekt dat deze ook zou zien op de investeringen van € 346.654,- uit privévermogen. Dat partijen de bedoeling hebben gehad behalve inkomen ook nog vermogen te verrekenen, of dat de vrouw dit redelijkerwijs mocht verwachten of daarop mocht vertrouwen, is niet gebleken.

3.3 Natuurlijke verbintenis

Ook met een beroep op het bestaan van een natuurlijk verbintenis komt de vrouw er niet. De rechtspraak waarop de vrouw zich kennelijk heeft beroepen (in het bijzonder HR 15 september 1995, NJ 1996/616, m.nt. W.M. Kleijn (Le Miralda); HR 17 oktober 1997, NJ 1998/692, m.nt. W.M. Kleijn (Premiewoning) en HR 1 oktober 2004, NJ 2005/1, m.nt. W.M. Kleijn) betrof, anders dan hier, de situatie van gehuwden (en verschilde ook in andere opzichten van de zaak waarin het hof dient te beslissen). Ofschoon in beginsel in geval van beëindiging van een relatie – waarbij geen sprake is geweest van een huwelijk, samenlevingsovereenkomst of partnerregistratie – het aannemen van een natuurlijke verbintenis van de ene ex-partner tot het voor kortere of langere tijd onderhouden van de andere ex-partner, goed denkbaar is (aldus A-G Rank-Berenschot in haar conclusie (sub 2.5) voor de beschikking van de Hoge Raad van 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2925), is dat niet de prestatie waarop de vrouw zegt recht te hebben. De vrouw heeft zich erop beroepen dat zij, toen de investeringen door de man uit zijn privévermogen werden gedaan, daarop een dringende aanspraak had, met name omdat de prestatie ertoe zou strekken te waarborgen dat de vrouw met de kinderen ook na het einde van de relatie van partijen “een goede toekomst tegemoet zou kunnen gaan”. Hoewel (in geval van een huwelijk) het verstrekken door een echtgenoot van gelden voor de aankoop van een mede op naam van de andere echtgenoot te stellen woning een objectieve aanwijzing kan zijn voor het bestaan van een natuurlijke verbintenis (omdat in de regel de prestatie ertoe strekt dat de andere echtgenoot na het huwelijk in de woning kan blijven wonen), aldus de drie zojuist genoemde uitspraken, beroept de vrouw zich niet op die strekking, terwijl het hof het bestaan van die strekking ook niet aannemelijk acht (hetgeen de man ook betoogt), nu op de woning een hypotheek rust van € 337.000,-, en er overigens geen sprake is van een huwelijk. De vrouw beroept zich erop dat zij na het einde van de relatie een goede toekomst tegemoet zou kunnen gaan. Het is het hof onduidelijk wat de vrouw daarmee bedoelt (maar het lijkt haar daarbij vooral te gaan om het afwenden van het gevaar van een restschuld), maar ook verder, in het licht van de omstandigheden van dit geval, in het bijzonder dat partijen hun vermogens gescheiden hielden, ook de vrouw vermogen heeft kunnen opbouwen en een verzorgingsgedachte ontbrak in de door de man betoogde zin (geen testament, geen nabestaandenpensioen, geen samenlevingsovereenkomst), is onvoldoende gebleken van het bestaan van een natuurlijke verbintenis. De investeringen van de man kunnen in dit geval niet naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan de vrouw toekomende prestatie worden aangemerkt.
Het hof oordeelt voorts als volgt. Zo de man wél aan een natuurlijke verbintenis zou hebben voldaan door uit privévermogen in de woning te investeren, brengt dit niet met zich dat de vrouw gerechtigd zou zijn tot (de helft van) de verkoopopbrengst van de woning, met voorbijgaan aan de door de man gedane investeringen in de woning. Voor zover de door de man gedane investeringen worden vergoed uit de gemeenschap, is van een restschuld voor de vrouw ook geen sprake.

3.4 Vergoedingsrecht

Met betrekking tot de woning is sprake van een eenvoudige gemeenschap in de zin van art. 3:166 BW. In zijn arrest van 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8938, NJ 2007/395, heeft de Hoge Raad als volgt overwogen:
“3.4.3 (…) Uit art. 3:166 lid 2 vloeit voort dat de echtgenoten ieder een gelijk aandeel in de gemeenschap hebben, tenzij hun rechtsverhouding anders meebrengt. Het enkele feit dat de ene echtgenoot ten behoeve van de verkrijging van het goed een groter bedrag uit zijn privévermogen heeft besteed dan de andere echtgenoot, leidt niet ertoe dat uit hun rechtsverhouding voortvloeit dat hun beider aandeel niet gelijk is. Wel heeft bij verdeling van die gemeenschap iedere echtgenoot recht op vergoeding door de gemeenschap van het bedrag dat hij uit zijn privévermogen ten behoeve van de verkrijging van dat goed heeft besteed. Niet geheel uitgesloten is dat op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid een uitzondering moet worden gemaakt (HR 10 januari 1992, nr. 14631, NJ 1992/651), maar het onderhavige geval biedt – naar tussen partijen ook niet in geschil is – hiervoor geen grond. Hetgeen na aftrek van het totaal van die vergoedingen van de waarde of, bij vervreemding, van de opbrengst van het goed resteert, komt iedere echtgenoot naar evenredigheid van zijn aandeel in de gemeenschap – en dus niet naar evenredigheid van hetgeen hij ten behoeve van de verkrijging heeft besteed uit zijn privévermogen – toe.”
Het hof is van oordeel dat voornoemde overweging zich ook leent voor toepassing op het onderhavige geval, nu de bepaling van art. 3:166 BW betrekking heeft op deelgenoten in het algemeen, ongeacht de aard van het deelgenootschap. Het hof verwijst voorts naar de conclusie van A-G Rank-Berenschot van 20 december 2013 (m.n. voetnoot 12), ECLI:NL:PHR:2013:2374; conclusie van A-G Wissink voor HR 8 juli 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV9539, pt. 2.4.1.
Het hof is voorts van oordeel dat “het bedrag dat hij uit zijn privévermogen ten behoeve van de verkrijging van dat goed heeft besteed” als bedoeld in de zojuist geciteerde rechtsoverweging van de Hoge Raad de door de man gedane investeringen in de woning omvat, nu de aangekochte woning een “bouwval” betrof, waar partijen pas na ruim 3,5 jaar van verbouwen (waarbij volgens de niet betwiste verklaring van de man ter zitting alleen de voor- en zijgevel zijn blijven staan en diverse constructieve aanpassingen zijn gedaan), toen de woning naar de stelling van de vrouw ter zitting ‘bewoonbaar’ was, zijn ingetrokken.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de man recht heeft op een (nominale) vergoeding door de eenvoudige gemeenschap van het bedrag dat hij uit zijn privévermogen ten behoeve van de woning heeft geïnvesteerd, te weten € 346.654,-.

3.5 Waardeverlies investeringen

Het standpunt van de man is dat de vrouw voor de helft dient bij te dragen in dit verlies.
De vrouw verweert zich met een beroep op de redelijkheid en billijkheid. Zij is nimmer op de hoogte gesteld van de bedragen die voor de verbouwing zijn gebruikt, waardoor de omstandigheid dat de investering niet heeft gerendeerd niet voor haar risico mag komen.
Het hof oordeelt als volgt. De rechter dient de wijze van verdeling te bepalen met inachtneming van de tussen de deelgenoten geldende rechtsverhouding, zulks mede in het licht van het bepaalde in art. 3:166 lid 3 BW (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8746, (Texelse woning) r.o. 3.5). De affectieve relatie van partijen (zonder samenlevingsovereenkomst) brengt niet mee, ook niet in het licht van de redelijkheid en billijkheid, dat de vrouw in het waardeverlies van de investeringen dient bij te dragen. Een rechtsgrondslag die de vrouw daartoe verplicht, is er niet.
Het hof benadrukt hierbij in het bijzonder dat het delen in de winst (waarover het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2006, zojuist aangehaald) niet het tegenovergestelde is van het nemen van verlies (waaraan het argument ontleend zou kunnen worden dat de vrouw het verlies wél mede zou moeten dragen). Bij het nemen van verlies (het delen in de onderwaarde) komt het namelijk aan op de mogelijkheid en bereidheid (hier van de vrouw) risico te dragen. Het gaat niet aan dat de man het risico van zijn investeringen zonder meer, zoals hij wenst, kan afwentelen op de vrouw. Naar zijn eigen stelling hebben partijen bewust voor een ongereguleerde vorm van samenleving gekozen en hebben zij hun financiën altijd gescheiden gehouden. De man heeft dus ook afgezien van de in samenlevingsovereenkomsten wel gebruikelijke clausule dat bij een woning die op beider naam wordt gesteld degene die meer heeft bijgedragen dan de andere deelgenoot, een vorderingsrecht heeft op die andere deelgenoot ten bedrage van de helft van het verschil. Met die clausule had de man kunnen bewerkstelligen dat beide deelgenoten ieder voor de helft meedoen in de waardeschommeling (niet alleen winst, maar ook verlies) van het goed. Dat hij dit niet gedaan heeft, maar gekozen heeft voor, in zijn woorden, ongereguleerd samenwonen, komt dan ook voor zijn rekening en risico.

Voetnoten
[1]
Mr. P. (Pieter) Dorhout is advocaat/bemiddelaar te Egmond aan den Hoef, hoofdredacteur van JurisDidact en medewerker van FJR; mr. C. (Corinne) de Bie-Koopman is advocaat/mediator te Alkmaar en medewerker van FJR.

Kroniek Kinderalimentatie FJR 2018/13

FJR 2018/13

Kroniek Kinderalimentatie

Datum: 22-01-2018

Auteur: Mr. P. Dorhout

In deze kroniek wordt de belangrijkste jurisprudentie over 2017 behandeld met betrekking tot het onderwerp kinderalimentatie. Daarbij besteed ik in eerste instantie aandacht aan hoe de behoefte van kinderen dient te worden berekend en vervolgens de draagkracht en de wijzigingsmogelijkheden. Ten slotte behandel ik enkele uitspraken die buiten de eerdergenoemde onderwerpen vallen en die van belang zijn voor de rechtspraktijk. De behandelde uitspraken zijn voorzien van een FJR-vindplaats (bijv. FJR 2018/13.1), waardoor de uitspraak ook online beschikbaar komt.

1. Behoefte kinderen

Bij de bepaling van de hoogte van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen worden door de wet twee maxima gesteld, behoefte en draagkracht. De bewijslastverdeling is doorgaans zo dat de alimentatiegerechtigde ouder de behoefte stelt en zo nodig aannemelijk maakt en de alimentatieplichtige ouder (het gebrek aan) draagkracht stelt en zo nodig aannemelijk maakt. De behoefte van de kinderen wordt conform het model van de Expertgroep Alimentatienormen forfaitair bepaald. Het is mogelijk om af te wijken van deze forfaitaire bepaling, maar daartoe moet wel voldoende worden gesteld en aannemelijk worden gemaakt. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in zijn beschikking van 19 januari 2017, (ECLI:NL:GHARL:2017:381) (FJR 2018/13.1) dat de moeder hier niet in was geslaagd. Het kind, dat nimmer in gezinsverband met beide ouders heeft gewoond, heeft vanaf haar geboorte bij de vrouw gewoond. De rechtbank heeft de behoefte berekend aan de hand van het gemiddelde van de behoefte op basis van het inkomen van de man en van de behoefte op basis van het inkomen van de vrouw. Uitgaande van het netto besteedbaar maandinkomen van de man van € 13.376,- en van de vrouw van € 1.921,- heeft de rechtbank de behoefte vastgesteld op € 614,- per maand in 2014. De vrouw stelt dat deze behoeftebedragen naar boven moeten worden bijgesteld, omdat het inkomen van de man veel hoger is dan de in de alimentatietabellen van het Tremarapport genoemde inkomens. 

De vrouw heeft naar het oordeel van het hof haar – door de man betwiste – stelling dat de behoefte van het kind hoger is dan het door de rechtbank vastgestelde bedrag, niet dan wel onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat de man een hoger inkomen heeft dan het in het rapport vermelde hoogste inkomen in de bij het voormeld rapport behorende behoeftetabel, te weten € 6.000,- per maand, brengt niet mee dat reeds daarom de behoefte van het kind op een hoger bedrag moet worden vastgesteld. Het hof merkt op dat de behoeftebepaling op basis van het rapport alimentatienormen een tegemoetkoming is in de stelplicht van de behoefte van kinderen. Het ligt dan ook op de weg van de vrouw om, indien zij meent dat van een andere behoefte moet worden uitgegaan, dat genoegzaam te onderbouwen. De vrouw heeft de door haar gestelde behoefte van (ruim) € 2.500,- niet nader geconcretiseerd en zij heeft geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht, waaruit blijkt dat het kind een hogere behoefte heeft dan overeenkomstig het rapport is berekend. Het kind is, nu zij immers nooit met de man in gezinsverband heeft gewoond, nooit gewend geweest aan de welstand van een gezin met een inkomen ter hoogte van dat van de man. Het hof ziet mitsdien geen aanleiding om de behoefte op een hoger bedrag vast te stellen.

1.1 Jongmeerderjarigen

De tabellen van het NIBUD voorzien niet in de berekening van de behoefte van jongeren ouder dan 18 jaar. Voor de behoeftebepaling van studerende kinderen kan in het algemeen bij de WSF-norm (normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, vermeerderd met het verschuldigde lesgeld of collegegeld) aansluiting gezocht worden en met de aanspraken die een student heeft op studiefinanciering. Zowel voor de gift als de prestatiebeurs geldt dat deze als behoefteverlagend wordt aangemerkt. De basislening, de aanvullende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald, zodat deze niet worden aangemerkt als behoefteverlagend, aldus de gewijzigde tremanormen van 2018-1.
Het Gerechtshof Amsterdam kiest in zijn beschikking van 23 mei 2017, (ECLI:NL:GHAMS:2017:1935) (FJR 2018/13.2) voor het Nibud-studentenonderzoek 2015 om de behoefte van een jongmeerderjarige, thuiswonende MBO-student te bepalen, evenals de rechtbank had gedaan.
Ter onderbouwing van zijn werkelijke lasten heeft de jongmeerderjarige aan de hand van zijn bankafschriften een uitgavenlijst opgesteld, op grond waarvan zijn uitgaven in het jaar 2014 € 1.444,- per maand waren. Sinds 2015 zet hij zijn opleiding voort bij een particuliere opleiding, waardoor zijn uitgaven in 2015 zijn gestegen naar € 1.892,- per maand. De jongmeerderjarige stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij in staat is om zelfstandig inkomsten te verwerven van € 750,- netto per maand.
Het hof overweegt dat voor de vaststelling van de behoefte van (meestal studerende) jongmeerderjarigen nog geen maatstaven zijn ontwikkeld. Voor het bepalen van de behoefte van jongmeerderjarigen wordt doorgaans om die reden, overeenkomstig de gebruikelijke richtlijnen, aansluiting gezocht bij de WSF-norm voor uitwonende studenten in het hoger respectievelijk middelbaar onderwijs. Het hof acht de WSF-norm in het onderhavige geval echter niet toepasselijk, omdat de jongmeerderjarige een mbo-opleiding heeft gevolgd, geen recht heeft op studiefinanciering en thuiswonend is. Het hof zal voor de berekening van de behoefte in het navolgende dan ook uitgaan van de overgelegde uitgavenlijst. De jongmeerderjarige heeft zijn uitgaven grotendeels onderbouwd aan de hand van zijn bankafschriften. Hoewel hieruit blijkt dat hij deze kosten heeft gemaakt, kan het hof hieruit niet afleiden of deze kosten – in vergelijking met een gemiddeld student – ook redelijk zijn. Voor zover de vader verweer voert tegen de hoogte van de opgevoerde kosten, zal het hof als referentiekader aansluiting zoeken bij het Nibud-studentenonderzoek 2015, om te toetsen of de uitgaven redelijk zijn. Gelet op de omvang van het onderzoek en de onderzochte uitgaven, geeft dit onderzoek naar het oordeel van het hof een reëel beeld van wat redelijke uitgaven van studenten zijn. Het hof is met de vader van oordeel dat de jongmeerderjarige onvoldoende heeft onderbouwd waarom zijn overige uitgaven (aanzienlijk) hoger zijn dan die van een gemiddelde student, zoals volgt uit het Nibud-studentenonderzoek 2015.
Gelet op het vorenstaande stelt het hof de behoefte van de jongmeerderjarige vast op € 1.185,- per maand. De eigen inkomsten van de jongmeerderjarige dienen op deze behoefte in mindering te worden gebracht. Op grond van artikel 1:392 lid 2 BW in verbinding met artikel 1:395a BW speelt de behoeftigheid van de jongmeerderjarige geen rol bij het vaststellen van de onderhoudsplicht van ouders. Ouders zijn immers onderhoudsplichtig jegens hun kinderen die jonger zijn dan 21 jaar, ook als die kinderen niet behoeftig zijn doordat zij in hun eigen levensonderhoud zouden kunnen voorzien, bijvoorbeeld door te werken (Hoge Raad 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2234). In het licht hiervan slaagt de grief van de jongmeerderjarige en volgt het hof de vader niet in zijn stelling dat hij volledig in zijn eigen onderhoud zou kunnen voorzien. Wel dienen de werkelijke inkomsten op zijn behoefte in mindering te worden gebracht. Voor wat betreft de eigen inkomsten gaat het hof uit van het door de jongmeerderjarige genoemde inkomen uit arbeid van € 648,- netto per maand, vermeerderd met € 78,- per maand aan zorgkorting, derhalve van een bedrag van € 726,- per maand. De aanvullende behoefte bedraagt derhalve € 459,- per maand.
Het Hof Den Haag heeft in zijn beschikking van 6 september 2017, (ECLI:NL:GHDHA:2017:2720) (FJR 2018/13.3) de vraag moeten beantwoorden of de behoefte van jongmeerderjarigen en die van ex-echtgenoten kan verbleken door tijdsverloop. De man voerde aan dat hij al jaren de alimentatie niet meer had betaald, zodat hun behoefte was verbleekt. Ten aanzien van de jongmeerderjarigen overweegt het hof dat hun behoefte niet kan verbleken. Ook ten aanzien van de ex echtgenote wijst het hof het beroep op het verbleken van de behoefte af. Het hof overweegt dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bij tussenbeschikking van het hof van 8 september 2010 is bepaald op grond van een door de vrouw gespecificeerd behoefteoverzicht. Hiermee staat deze behoefte vast. Het enkele feit dat de man de partneralimentatie niet heeft betaald, leidt nog niet tot een daling van de huwelijksgerelateerde behoefte. Er wordt enkel niet in die behoefte voorzien. Het hof gaat derhalve uit van de door de rechtbank gehanteerde behoefte van de vrouw van € 4.713,- per maand.
Deze uitspraak is opvallend, omdat hetzelfde Hof Den Haag in zijn beschikking van 30 september 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2744, EB 2016/7, juist wel aanneemt dat de behoefte van ex-echtgenoten kan verbleken door tijdsverloop, evenals in zijn beschikking van 22 juni 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2294.
De ouders van een kind met Downsyndroom ontvangen een persoonsgebonden budget, extra kinderbijslag, vergoeding Wmo en een toeslag van de Sociale Verzekeringsbank. De man heeft in hoger beroep aangevoerd dat de kinderbijslag, de vergoeding Wmo en de toeslag van de Sociale Verzekeringsbank de behoefte van het kind verlagen. Niet in geschil is dat partijen in het ouderschapsplan overeengekomen zijn dat het pgb voor het kind tussen hen verdeeld dient te worden naar rato van de zorg.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden overweegt hierover in zijn beschikking van 23 november 2017, (ECLI:NL:GHARL:2017:10349) (FJR 2018/13.4) dat deze bijdragen de behoefte van het kind niet wijzigen. Vaststaat dat bepaalde kosten van het kind op grond van de WMO en uit het pgb worden vergoed. Dit betreft tegemoetkomingen in de extra lasten die de handicap meebrengen. Dat die tegemoetkomingen de extra lasten overschrijden, heeft de man niet onderbouwd en rechtvaardigen naar het oordeel van het hof dan ook niet een verlaging van de behoefte.
Steeds vaker wordt door alimentatieplichtigen aangevoerd dat de kinderbijslag zou moeten worden verdeeld naar rato van het aandeel van de zorg. Dit zou kunnen worden veroorzaakt door de informatie van de Sociale Verzekeringsbank hierover op hun website, waarop wordt geadviseerd de kinderbijslag naar rato van de zorg te verdelen bij co-ouderschap. Deze methode is echter onverenigbaar met het model van de Expertgroep Alimentatienormen.

 2. Draagkracht alimentatieplichtige

De draagkracht van een alimentatieplichtige ouder moet worden verdeeld onder alle onderhoudsgerechtigde kinderen. Dit heeft het Hof Den Haag ook zo beslist in de beschikking die leidde tot het onderstaande cassatieberoep. 

Uit het huwelijk van partijen zijn twee kinderen geboren. Partijen zijn in 2011 gescheiden en de man heeft een kind uit een nieuwe relatie en hij woont met zijn nieuwe partner in Polen. De vrouw verzoekt om verhoging van de kinderalimentatie. De Rechtbank Den Haag heeft de door de man met ingang van 19 december 2014 te betalen kinderalimentatie bepaald op € 669,21 per maand per kind. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank in zoverre vernietigd en overwoog dat, gelet op het feit dat de man thans onderhoudsplichtig is jegens drie kinderen, de draagkracht van de man echter verdeeld moet worden over drie kinderen, zodat de door de man te betalen kinderalimentatie € 390,- per maand per kind zal bedragen. Vanaf het moment dat het vierde kind van de man is geboren, wordt de alimentatie door het hof bepaald op € 293,-.
De vrouw klaagt in cassatie dat het hof artikel 1:397 en 1:404 BW heeft miskend door de beschikbare draagkracht van de man gelijkelijk te verdelen over de drie (later vier) kinderen van de man. De onderdelen wijzen daartoe op de stellingen van de vrouw dat in Polen woonachtige kinderen van de man uit zijn nieuwe relatie een lagere behoefte hebben, en dat de nieuwe partner van de man een (hoog) eigen inkomen heeft, zodat zij ook dient bij te dragen aan de behoefte van haar kinderen met de man.
De Hoge Raad overweegt in zijn beschikking van 3 februari 2017, (ECLI:NL:HR:2017:157) (FJR 2018/13.5) dat een redelijke wetstoepassing met zich meebrengt dat wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit een eerste en een tweede relatie, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen, het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen die kinderen wordt verdeeld, in beginsel gelijkelijk tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte (HR 13 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0451, NJ 1992/178).
Indien een ouder een nieuwe relatie is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, dan zal niet alleen rekening moeten worden gehouden met het feit dat die ouder verplicht is om bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van die kinderen, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting rust of kan rusten. Aldus kan de bijdrageverplichting van die andere ouder mede van invloed zijn op het voor een kind uit een eerdere relatie beschikbare gedeelte van de draagkracht van de jegens dat kind onderhoudsplichtige ouder (HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS3643, NJ 2005/379 en HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX1295, NJ 2012/498). Indien sprake is van kinderen in verschillende landen, kan ook een verschil in kosten van levensonderhoud tussen die landen van belang zijn voor het bepalen van de behoefte van de kinderen.
Voor de beantwoording van de vraag welk deel van de draagkracht van de man beschikbaar is voor de kinderen uit zijn eerste relatie, is derhalve van belang of de kinderen uit zijn tweede relatie een lagere behoefte hebben dan de kinderen uit zijn eerste relatie en of de nieuwe partner van de man een eigen inkomen heeft, zodat zij dient bij te dragen aan de behoefte van haar kinderen uit haar relatie met de man. Nu het hof heeft geoordeeld dat de draagkracht van de man gelijkelijk over de drie (later vier) kinderen moet worden verdeeld, zonder op de hiervoor vermelde stellingen van de vrouw in te gaan, heeft het hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het hof casseert de bestreden beschikking.
De draagkracht van de onderhoudsplichtige ouder wordt conform het model van de Expertgroep Alimentatienormen in beginsel forfaitair vastgesteld aan de hand van het netto-inkomen. Daarop zijn correcties mogelijk in verband met extra lasten, zoals bijvoorbeeld betaling op gezamenlijke schulden of woonlasten voor de voormalig gezamenlijke eigen woning ex artikel 7.2 van het rapport. Ten slotte is er nog de aanvaardbaarheidstoets van artikel 7.3, als de uitkomst tot een onaanvaardbaar resultaat zou leiden. In zijn beschikking van 5 januari 2017, (ECLI:NL:GHARL:2017:111) (FJR 2018/13.6) geeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden duidelijke richtlijnen voor de toepassing van de aanvaardbaarheidstoets.
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de kinderen € 49,39 per kind per maand bedraagt en dat de draagkracht van de man € 50,- per maand bedraagt. De man verzoekt in hoger beroep om nihilstelling van de door de rechtbank op een bedrag van € 12,50 per kind per maand vastgestelde bijdrage. De man stelt dat met zijn afbetaling op (gezamenlijke) schulden rekening moet worden gehouden.
Het hof overweegt dat bij de beoordeling van een beroep op de aanvaardbaarheidstoets voorop dient te worden gesteld dat alleen in uitzonderingsgevallen kan worden afgeweken van de forfaitaire benadering c.q. het rekenmodel, omdat de wettelijke onderhoudsverplichting van ouders jegens hun kinderen niet vrijblijvend is en de ouders zich derhalve in dat kader rekenschap zullen dienen te geven van de financiële keuzes die zij maken. De zogenoemde vrije ruimte (70% van de draagkracht is voor kinderalimentatie in het rekenmodel) biedt de ouders in dit verband al enige ruimte bij het maken van keuzes. Van een onaanvaardbare situatie als hier bedoeld is sprake indien de onderhoudsplichtige bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien of van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt, waarbij er in beginsel van uit wordt gegaan dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt. Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om te stellen en te onderbouwen dat daarvan sprake is en meer in het bijzonder dat de op basis van het rekenmodel vastgestelde kinderbijdrage niet aanvaardbaar is, alle omstandigheden in aanmerking genomen. Tot de omstandigheden die van belang zijn worden onder meer gerekend, de financiële situatie (inkomen en vermogen) van de onderhoudsplichtige, de noodzaak van de lasten, de mogelijkheid zich van de lasten te bevrijden, de verhouding tussen de onderhoudsplichtigen en de zorgregeling. Bij een beroep op de aanvaardbaarheidstoets wordt van de onderhoudsplichtige verwacht dat hij volledig en duidelijk – door middel van een overzicht van zijn inkomsten en uitgaven met onderliggende stukken – inzicht geeft in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen. De rechter dient vervolgens te beoordelen of bij vaststelling van de volgens het rekenmodel berekende bijdrage onvoldoende rekening zou worden gehouden met alle omstandigheden die zijn draagkracht beïnvloeden, zodat geen sprake meer is van een bijdrage conform de wettelijke maatstaven. Bij die beoordeling dient onder meer de jurisprudentie van de Hoge Raad op het gebied van draagkracht (verdiencapaciteit), fictieve draagkracht en schulden tot zijn recht te komen. In dat verband spelen de verwijtbaarheid en de mogelijkheid tot vermijding van de lasten een rol. Bij de invulling van deze begrippen wordt aangesloten bij de jurisprudentie.
Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat de op basis van het rekenmodel vastgestelde kinderbijdrage van € 8,16 per kind per maand, alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet aanvaardbaar is.
Naast de ouders van een kind zijn ook de stiefouders onderhoudsplichtig ten aanzien van de tot hun gezin behoren de kinderen. In de beschikking van 7 maart 2017, (ECLI:NL:GHAMS:2017:721) (FJR 2018/13.7) buigt het Gerechtshof Amsterdam zich over de vraag tot welke omvang een (draagkrachtige) de stiefouder verplicht is om bij te dragen in de kosten van de kinderen.
Blijkens de Parlementaire Geschiedenis met betrekking tot artikel 1:395 BW (Parl. Gesch. BW Inv. Boek 1, p. 1442-1443) zijn, in het geval de onderhoudsverplichting van de stiefouder samenvalt met die van de ouder van de kinderen, de verplichtingen ter zake van onderhoud in beginsel van gelijke rang. De omvang van ieders onderhoudsverplichting hangt dan af van de omstandigheden van het geval waarbij als belangrijke factoren in het bijzonder gelden het gegeven dat tussen de ouder en het kind een nauwere verwantschap bestaat dan tussen de stiefouder en het stiefkind, de draagkracht van de ouder en de stiefouder en de feitelijke verhouding tot ieder van de onderhoudsplichtigen. Het hof neemt als omstandigheden in aanmerking dat er sprake is (geweest) van een zeer regelmatig (goed) contact tussen de man en de minderjarige en de stiefouder pas sinds 2015 in het gezin van de minderjarige is. Zowel de draagkracht van de man als die van de stiefouder zijn toereikend om in de behoefte van de minderjarige te voorzien. Zouden onderhoudsbijdragen van de drie onderhoudsplichtigen naar rato van hun draagkracht worden vastgesteld, dan zou dat betekenen dat het overgrote deel van de behoefte van de minderjarige voor rekening van de stiefouder zou komen. Dat acht het hof geen redelijke verdeling in het licht van bovenvermelde omstandigheden. Gelet op deze omstandigheden, ziet het hof aanleiding om de onderhoudsverplichting van de stiefouder vast te stellen op 1/3 van de behoefte van de minderjarige en de overige 2/3 van de behoefte naar draagkracht te verdelen tussen de man en de vrouw.
De Rechtbank Overijssel houdt in haar beschikking van 4 augustus 2017, (ECLI:NL:RBOVE:2017:3184) (FJR 2018/13.8) helemaal geen rekening met de nieuwe stiefouder en hanteert een soortgelijke redenering.
In casu is sprake (geweest) van een zeer regelmatig contact tussen de man en de minderjarige. De partner van de vrouw is pas sinds 20 december 2016 stiefouder van de minderjarige. De vrouw en haar partner verwachten samen bovendien een kindje waarvoor zij beiden in de toekomst onderhoudsplichtig zijn. De draagkracht van de man en de vrouw is toereikend om in de behoefte van de minderjarige te voorzien. Wanneer de onderhoudsbijdragen van de drie onderhoudsplichtigen naar rato van hun draagkracht worden vastgesteld, dan zou dat betekenen dat een groot deel van de behoefte van de minderjarige voor rekening van de stiefouder zou komen, omdat hij het hoogste inkomen genereert. Dit acht de rechtbank geen redelijke verdeling, gelet op de genoemde omstandigheden. De rechtbank stelt de verdeling van de onderhoudsverplichtingen vast naar rato van de draagkracht van de man en de vrouw.

3. Wijziging kinderalimentatie

In de procedure die leidde tot de beschikking van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 juni 2017, (ECLI:NL:GHARL:2017:4859) (FJR 2018/13.9) verzocht de man om wijziging van de kinderalimentatie en ging de vrouw voor twee ankers liggen door te stellen dat er een niet-wijzigingsbeding rechtsgeldig was afgesloten en dat de rechtbank bij eerdere beschikking al had geoordeeld dat er geen sprake van was van een wijziging van omstandigheden. 

De man stelt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van het in het echtscheidingsconvenant opgenomen niet-wijzigingsbeding en dat zij vervolgens, eveneens ten onrechte, heeft getoetst aan artikel 1:159, derde lid, van het BW, inhoudende dat de kinderalimentatie slechts kan worden gewijzigd indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat een beroep op het niet-wijzigingsbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De man meent dat het in het convenant onder artikel 1.9 opgenomen niet-wijzigingsbeding ten aanzien van de kinderalimentatie niet rechtsgeldig is en dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 BW.
De vrouw voert hiertegen verweer en stelt dat wel degelijk sprake is van een rechtsgeldig niet-wijzigingsbeding. De vrouw beroept zich daarbij op artikel 236 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) onder verwijzing naar de – in kracht van gewijsde gegane – beschikking van 6 januari 2015. De rechtbank heeft in deze beschikking immers al bepaald dat het overeengekomen niet-wijzigingsbeding rechtsgeldig is, zodat het de man niet vrijstaat dit oordeel in de onderhavige procedure opnieuw voor te leggen, thans aan het hof. Het bepaalde in artikel 236, eerste lid, Rv heeft tot gevolg dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil tussen dezelfde partijen betreffen en die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben.
In de eerste plaats dient het hof de vraag te beantwoorden of in het onderhavige geval sprake is van een rechtsgeldig niet-wijzigingsbeding. Daarbij stelt het hof voorop dat de verplichting tussen bloed- en aanverwanten tot het betalen van (kinder)alimentatie van openbare orde is. Artikel 1:159 lid 1 BW biedt de mogelijkheid schriftelijk te bedingen dat een overeenkomst over te betalen alimentatie niet bij rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, met dien verstande dat in artikel 1:159 lid 3 BW staat vermeld dat de rechter, ondanks een dergelijk beding, op verzoek van een van de partijen de overeenkomst kan wijzigen op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding van niet-wijziging mag worden gehouden. Artikel 1:159 BW is een bepaling die is opgenomen in titel 9 ‘Ontbinding van het huwelijk’, afdeling 2 ‘Echtscheiding’. Voor zover de in deze titel en afdeling opgenomen bepalingen handelen over alimentatie, hebben zij uitsluitend betrekking op partneralimentatie en niet op kinderalimentatie. Pas vanaf artikel 1:392 BW (titel 17 ‘Levensonderhoud’) staan algemene bepalingen opgenomen, die mede betrekking hebben op de kinderalimentatie. In deze titel ontbreekt een met artikel 1:159, derde lid, BW vergelijkbare regeling. Voor zover in de stellingen van de vrouw een analoge toepassing van laatstgenoemd artikel op kinderalimentatie zou moeten worden gelezen, overweegt het hof dat een niet-wijzigingsbeding voor kinderalimentatie op gespannen voet zou staan met het bepaalde in artikel 1:400, tweede lid, BW, te weten dat niet kan worden afgezien van de volgens de wet verschuldigde kinderalimentatie. De openbare orde, in het bijzonder het door het recht beschermde belang van het kind, staat eraan in de weg dat ouders ten aanzien van kinderalimentatie een niet-wijzigingsbeding zouden kunnen overeenkomen. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het onderhavige, door partijen overeengekomen niet-wijzigingsbeding voor zover het de kinderalimentatie betreft, nietig is (artikel 3:40 BW in verbinding met artikel 3:59 BW).
Vervolgens dient het hof te oordelen over het beroep van de vrouw op artikel 236 Rv. Het hof stelt bij deze beoordeling voorop dat de Hoge Raad op 20 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:2109) heeft geoordeeld – voor zover hier van belang – dat, hoewel in beginsel gezag van gewijsde toekomt aan beslissingen met betrekking tot geschilpunten ter zake van aanspraken op levensonderhoud die zijn vervat in een tussen dezelfde partijen gegeven, in kracht van gewijsde gegane beschikking, dit gezag in zoverre wordt beperkt dat ingevolge artikel 1:401 BW een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij een latere uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (artikel 1:401 lid 1 BW) of indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (artikel 1:401 lid 4 BW). Wordt op de voet van artikel 1:401 BW wijziging van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verzocht, dan is de rechter daarom niet gebonden aan geschilbeslissingen in de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht, indien blijkt dat een of meer van de in die bepalingen genoemde gronden zich voordoen. De rechter zal in dat geval de uitkering tot levensonderhoud opnieuw hebben vast te stellen, rekening houdend met alle ter zake dienende omstandigheden, en hij is daarbij niet gebonden aan oordelen omtrent die omstandigheden in de beslissing waarvan wijziging wordt verzocht (zie ook: HR 25 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0902, NJ 2007/518). Gelet op het voorgaande is het hof dus niet gebonden aan de beschikking van de Rechtbank Gelderland van 6 januari 2015, ook al is deze beschikking in kracht van gewijsde gegaan en heeft deze daardoor gezag van gewijsde gekregen. Nu geen sprake is van een (rechtsgeldig) beding van niet-wijziging, kan de man op grond van artikel 1:401 BW om wijziging van de alimentatie verzoeken, indien zich na de vaststelling van de alimentatie een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan als gevolg waarvan de eerder tussen partijen overeengekomen alimentatie niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Het standpunt van de vrouw dat wijzigingen gelegen voor 6 januari 2015, zijnde de voorlaatste beschikking van de Rechtbank Gelderland, geen wijziging van omstandigheden kunnen opleveren, wordt door het hof niet gevolgd. Ook in zoverre is de onder 5.4. genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2013 van belang, in die zin dat bij een in kracht van gewijsde gegane beschikking, het gezag van gewijsde in zoverre wordt beperkt dat ingevolge artikel 1:401 BW een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij een latere uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken. Dat geldt ook indien – zoals in dit geval – op de voet van artikel 1:401 BW wijziging van alimentatie wordt verzocht, terwijl in een eerdere procedure waarin door de verzoeker hetzelfde was verzocht, dat verzoek was afgewezen omdat verzoeker (toen) onvoldoende gegevens had overgelegd ter staving van de door hem aan zijn verzoek ten grondslag gelegde wijziging van omstandigheden (HR 25 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0902, NJ 2007/518). Gelet op het voorgaande kunnen omstandigheden gelegen voor 6 januari 2015 dus ook worden meegenomen bij de beoordeling van de vraag of zich een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 BW heeft voorgedaan.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden legt in zijn beschikking van 14 februari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1233 (FJR 2018/13.10), uit wanneer wijziging kan worden verzocht op grond van de artikelen 1:401 lid 1 en lid 4 BW. De man heeft wijziging gevraagd van de kinderalimentatie zoals vastgesteld bij beschikking van 18 november 2009, primair op grond van artikel 1:401 lid 4 BW en subsidiair op grond van artikel 1:401 lid 1 BW. Hoewel in beginsel gezag van gewijsde toekomt aan beslissingen met betrekking tot geschilpunten ter zake van aanspraken op levensonderhoud die zijn vervat in een tussen dezelfde partijen gegeven, in kracht van gewijsde gegane beschikking, wordt dit gezag in zoverre beperkt dat ingevolge artikel 1:401 BW een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij een latere uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (artikel 1:401 lid 1 BW) of indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (artikel 1:401 lid 4 BW). Wordt op de voet van artikel 1:401 BW wijziging van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verzocht, dan is de rechter niet gebonden aan geschilbeslissingen in de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht, indien blijkt dat een of meer van de in die bepalingen genoemde gronden zich voordoen. De rechter zal in dat geval de uitkering tot levensonderhoud opnieuw hebben vast te stellen, rekening houdend met alle ter zake dienende omstandigheden, en hij is daarbij niet gebonden aan oordelen omtrent die omstandigheden in de beslissing waarvan wijziging wordt verzocht. Uit het vorenstaande volgt dat een rechter eerst wanneer is komen vast te staan dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden dan wel van onjuiste of onvolledige gegevens, zal overgaan tot een herbeoordeling. Indien evenwel tot een herbeoordeling wordt overgaan, betreft dit niet slechts een herbeoordeling ten aanzien van het punt waarop de wijziging zich voordeed dan wel sprake is geweest van een onjuist of onvolledig gegeven, maar een herbeoordeling ten volle waarbij rekening wordt gehouden met alle ter zake dienende omstandigheden die in de wijzigingsprocedure zijn gebleken.
Bij de toepassing van artikel 1:401 lid 4 BW gaat het om ieder gegeven waarvan achteraf vast is komen te staan dat het bij de rechterlijke uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht een rol had behoren te spelen, maar niet heeft gespeeld of waarvan achteraf vast is komen te staan dat het niet om het juiste gegeven ging, terwijl het juiste of ontbrekende gegeven tot een andere vaststelling van de onderhoudsuitkering op grond van draagkracht of behoefte had geleid. Daarbij maakt het niet uit wie – partij, advocaat of rechter – zich heeft vergist in (de weergave van) de feiten, de berekening, het petitum dan wel het dictum. Het gaat dus niet alleen om omstandigheden waarmee de rechter geen rekening heeft kunnen houden. Zelfs vergissingen van de raadslieden van partijen kunnen tot het honoreren van een wijzigingsverzoek leiden. Evenmin doet ter zake of een der partijen kan worden verweten dat een relevant gegeven niet of onjuist is verstrekt en of de verzoekende partijen door een verstek, referte of berusting heeft laten passeren dat van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De man stelt in de eerste plaats dat de echtscheidingsbeschikking van 18 november 2009, althans de daarin vastgestelde alimentatie, van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan en voert hiertoe – samengevat – het volgende aan. In die – in 2008 gevoerde – procedure heeft de vrouw gesteld dat de behoefte van het kind moet worden gesteld op € 250,- per maand. De man heeft destijds geen mondeling verweer gevoerd, omdat zijn moeder in die periode was overleden en hij een zwervend bestaan leidde. De behoefte van het kind had op basis van de juiste gegevens destijds op € 136,- per maand moeten worden vastgesteld, aldus de man. De rechtbank heeft bij het geven van de beschikking van 18 november 2009 bovendien geen rekening gehouden met zijn financiële situatie, die zodanig was dat hij van meet af aan geen draagkracht heeft gehad voor het betalen van enige onderhoudsbijdrage ten behoeve van [het kind]. In de onderhavige procedure heeft de man inkomensgegevens over de jaren 2008 tot en met 2015 overgelegd, voor zover hij daarover beschikt. De man stelt dat op grond van deze gegevens aannemelijk is geworden dat bij het geven van de beschikking van 18 november 2009 is uitgegaan van onjuiste gegevens, zodat aan het criterium van artikel 1:401 lid 4 BW is voldaan. Het hof stelt vast dat de beschikking van 18 november 2009 is gegeven nadat de man alleen schriftelijk verweer had gevoerd en zijn advocaat zich vervolgens aan de zaak had onttrokken. De behoefte van [het kind] is vervolgens in die beschikking, conform de stellingen van de vrouw, op € 250,- per maand gesteld. De man heeft thans in hoger beroep voldoende financiële gegevens over de jaren vanaf 2008 overgelegd, zodat het hof aan de hand daarvan zal beoordelen of de rechter in de beschikking van 18 november 2009, achteraf bezien, is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens.
Het hof gaat uit gaan van de thans overgelegde inkomensgegevens en stelt de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2009 vast op nihil.
Dat het niet eenvoudig is om aannemelijk te maken dat sprake is van een wijziging van omstandigheden als welbewust is afgeweken van de wettelijke maatstaven, blijkt uit de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 mei 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:3969) (FJR 2018/13.11). Uit de relatie van de man en de vrouw zijn twee kinderen geboren en bij beschikking van 26 oktober 2011 heeft de rechtbank in Utrecht het bedrag dat de man aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op € 100,- per kind per maand bepaald met ingang van 1 januari 2011. Ter zitting bij het Gerechtshof Arnhem hebben partijen overeenstemming bereikt. Deze overeenstemming is vastgelegd in de beschikking van 19 juli 2012 waarbij de beschikking van de Rechtbank Utrecht is vernietigd en is bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het jongste kind € 150,- per maand zal betalen.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek tot nihilstelling van die bijdrage met ingang van 1 januari 2011 afgewezen. De man verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en zijn onderhoudsbijdrage voor de kinderen met ingang van 1 januari 2013 tot 1 november 2016 op nihil vast te stellen. In de eerste plaats is aan de orde de vraag of zich sinds 1 januari 2013 een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW. De man stelt zich op het standpunt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. Nu hij vanaf januari 2013 alleen een ziektewet (ZW)-uitkering heeft ontvangen, meent hij sindsdien geen draagkracht meer te hebben gehad voor de overeengekomen kinderalimentatie. De vrouw betwist dat. Volgens haar had de man in 2012, ten tijde van de totstandkoming van de overeenstemming met betrekking tot de kinderalimentatie, een vergelijkbaar inkomen als vanaf 2013 uit een (ZW-)uitkering. Zij heeft de indruk dat hij daarnaast zwart heeft gewerkt. Zo heeft de man eens bij de vrouw aangegeven dat hij voor een omgangsafspraak met de kinderen “vrij moest nemen”. De man dient tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, aannemelijk te maken dat zijn omstandigheden sinds 1 januari 2013 relevant zijn gewijzigd in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt. Dit standpunt heeft hij niet, althans onvoldoende, met feiten onderbouwd. Blijkens het verzoekschrift in hoger beroep van de man bij het Gerechtshof Arnhem van 11 januari 2012, had hij in 2011 en 2012 een WW-uitkering van € 799,- netto per maand. Blijkens een door de man in deze procedure overgelegde verklaring geregistreerd inkomen van de belastingdienst had hij in 2013 een vrijwel vergelijkbaar inkomen uit een ZW-uitkering van € 701,66 netto per maand. In de jaren 2014 tot en met oktober 2016 was dit niet wezenlijk anders. Zo had de man blijkens een verklaring geregistreerd inkomen van de belastingdienst in 2015 een netto-inkomen van € 792,83 per maand en tot 1 november 2016 gemiddeld € 747,60 netto per maand uit een ZW- en WW-uitkering. Vanaf 1 november 2016 heeft de man een beduidend hoger inkomen op grond van een arbeidsovereenkomst.
Ondanks het feit dat de man in 2012 een inkomen onder bijstandsniveau had, is hij destijds met professionele begeleiding van een advocaat met de vrouw betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het jongste kind van € 150,- per maand overeengekomen. Ter mondelinge behandeling bij dit hof heeft de man verklaard dat hij op advies van zijn advocaat destijds akkoord is gegaan met de overeengekomen bijdrage, maar dat hij dit bedrag toen ook al niet kon betalen. Zo dit al het geval was, dan had het op de weg van de man gelegen stappen tegen zijn advocaat te ondernemen. Nu de man dit heeft nagelaten, moet het ervoor worden gehouden dat partijen in 2012 welbewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. De man heeft ter mondelinge behandeling voorts aangegeven dat hij niet kon werken, omdat hij depressief was en omdat zijn meniscus was gescheurd. Hij heeft echter verzuimd medische gegevens over te leggen die dit aantonen. Daarbij komt dat hij blijkens een brief van de gemeente [woonplaats verzoeker] van 5 januari 2015 in 2014 te veel ontvangen WWB-uitkering heeft moeten terugbetalen. Volgens de man was geen sprake van uitkeringsfraude, maar had deze terugvordering te maken met het feit dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats had. Ook de juistheid van deze stelling van de man is niet te verifiëren, nu in een brief van de gemeente [woonplaats verzoeker] van 17 september 2014 staat vermeld “Op 19 augustus 2014 heeft u schriftelijk verklaard dat u geen uitkering meer wilt ontvangen”.
Nu de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er vanaf 1 januari 2013 tot 1 november 2016 sprake is geweest van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van juni 2012, dient hij de overeengekomen bijdrage, voor zover nog niet betaald, alsnog aan de vrouw te voldoen en wordt de bestreden beschikking bekrachtigt.

 4. Varia

Een door de rechter vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen wordt op grond van het bepaalde in artikel 1:395b BW omgezet in een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie op het moment dat een kind meerderjarig wordt. De Rechtbank Amsterdam bepaalde in haar beschikking van 17 mei 2017, (ECLI:NL:RBAMS:2017:3027) (FJR 2018/13.12) dat deze conversie niet plaatsvindt indien de onderhoudsbijdrage niet is vastgelegd in een beschikking. Bij convenant van 1 december 2004 zijn de vader en de moeder overeengekomen dat de vader een bijdrage van € 300,- per maand diende te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter. Tot 15 augustus 2014 heeft de vader de overeengekomen bijdrage betaald, die op dat moment na de wettelijke indexering € 351,09 bedroeg. 

De dochter verzoekt de vader te veroordelen aan haar een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie te voldoen van € 358,50 per maand met ingang van de datum waarop zij 18 jaar oud werd, derhalve 16 augustus 2014 en aan haar te betalen de achterstallige bijdrage ad € 8.911,70. De vader verzoekt de verzoeken van de dochter af te wijzen, althans een lager bedrag vast te stellen en deze bijdrage niet eerder te laten aanvangen dan per 1 september 2016. Ter zitting heeft hij verklaart bereid te zijn alsnog met ingang van 1 september 2016 een bijdrage van € 130,- per maand te betalen.
De dochter beroept zich op de verlengde onderhoudsverplichting voor ouders na het meerderjarig worden van een kind en verzoekt op die grond de eerder tussen haar ouders overeengekomen bijdrage bij beschikking vast te stellen. Een door de rechter vastgesteld bedrag dat de onderhoudsplichtige voor de opvoeding en verzorging van het minderjarige (stief)kind moet betalen wordt bij het bereiken van de meerderjarigheid van het kind van rechtswege geconverteerd in een bedrag dat ter zake van levensonderhoud en studie van het meerderjarige kind moet worden betaald op grond van artikel 1:395b BW. In dit geval was echter geen sprake van een rechterlijke beschikking op basis waarvan de vader alimentatie betaalde, maar van een overeenkomst met de moeder. Daardoor is genoemde bepaling niet van toepassing en werd de kinderbijdrage bij het bereiken van de meerderjarigheid van de dochter niet van rechtswege geconverteerd in een bedrag dat ter zake van levensonderhoud en studie van het meerderjarige kind moet worden betaald. De overeengekomen kinderbijdrage is derhalve geëindigd met ingang van de datum dat de dochter 18 jaar is geworden. Het voorgaande neemt niet weg dat er op grond van artikel 1:395a lid 1 BW voor de vader wel een verplichting bestaat om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van de dochter tot het tijdstip waarop zij de leeftijd van eenentwintig jaren heeft bereikt. Bij een geschil over die bijdrage ligt het op de weg van de jong-meerderjarige zelf een verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie in te dienen bij de rechter. Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt dat de ingangsdatum van een door de rechtbank vast te stellen onderhoudsbijdrage wordt bepaald op de datum van indiening van het verzoekschrift. Dit geldt des te meer, aangezien de vader de dochter reeds in een aantal mailberichten in september 2014 heeft gewezen op de veranderende situatie vanaf het moment dat zij meerderjarig was geworden en daarbij eveneens zijn veranderde draagkracht aan de orde heeft gesteld. Nu de vader echter heeft aangeboden per 1 september 2016 een bijdrage te voldoen, zal de rechtbank deze datum als ingangsdatum hanteren. De te betalen uitkering wordt met ingang van 1 september 2016 vastgesteld op € 130,- per maand.
Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in zijn beschikking van 8 juni 2017, (ECLI:NL:GHSHE:2017:2547) (FJR 2018/13.13) beslist dat een derdenbeding tot het betalen van kosten van levensonderhoud en studie uit een convenant bindend is voor de vader ten opzichte van de dochter.
In 1994 is de dochter geboren. De vader en de moeder zijn op 4 februari 1997 gescheiden. Bij de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter overeenkomstig het echtscheidingsconvenant bepaald op een bedrag van ƒ 500,- per maand. Artikel 1 sub e van voormeld echtscheidingsconvenant luidt als volgt:
“Wanneer de dochter ouder is dan 18 jaar en nog behoefte heeft aan alimentatie in de zin van de wet, loopt de alimentatieverplichting van de man door tot aan de 21-jarige leeftijd van de dochter, met uitzondering van de situatie dat zij is gehuwd of samenwoont als ware zij gehuwd. Wanneer de dochter na het bereiken van de 21-jarige leeftijd een opleiding/studie volgt en alsdan niet, althans niet geheel zelf in haar kosten van levensonderhoud en/of studie kan voorzien, verplichten partijen zich ten opzichte van elkaar inzage te geven in de hoogte van ieders inkomen en vervolgens naar evenredigheid bij te dragen in de kosten van levensonderhoud c.q. studie van de dochter.”
Bij beschikking van 28 april 2010 heeft de Rechtbank Roermond de bijdrage gewijzigd in een bedrag van € 480,- per maand. In 2015 is de dochter 21 jaar geworden. Aansluitend aan een mbo-opleiding is zij in september 2014 gestart met een vierjarige vervolgopleiding op hbo-niveau die zij tot op heden volgt. De vader is in 2015 op de datum waarop de dochter de 21-jarige leeftijd bereikte, gestopt met het voldoen van een maandelijkse bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie.
Het hof overweegt dat er na het bereiken door een kind van de leeftijd van 21 jaar niet langer zonder meer een wettelijke onderhoudsverplichting van de ouders jegens dat kind bestaat. Op grond van artikel 1:392 lid 1 BW kan een verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud van ouders aan hun kinderen van 21 jaar en ouder door de rechter worden aangenomen, maar uitsluitend – zo volgt uit artikel 1:392 lid 2 BW – in het geval sprake is van behoeftigheid aan de zijde van deze kinderen. Daarnaast kan er evenwel ook een verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud, waartoe ook de studiekosten behoren, bestaan als dit door de betrokkenen is overeengekomen. Partijen verschillen van mening over de vraag of artikel 1 sub e van het echtscheidingsconvenant aldus moet worden uitgelegd dat de vader in de huidige omstandigheden ook na het 21ste levensjaar van de dochter op grond van de genoemde bepaling in het convenant gehouden is tot betaling van een maandelijkse onderhoudsbijdrage.
Vaststaat dat het echtscheidingsconvenant d.d. 26 november 1996 door de gezamenlijke advocaat van de vader en de moeder is opgesteld. De vader heeft ter zitting van het hof gesteld dat deze advocaat een standaardmodel echtscheidingsconvenant hanteerde, dat hij enkel kennis heeft genomen van het (standaard)concept en dat de daarin opgenomen bepalingen, waaronder het desbetreffende artikel 1 sub e, destijds niet uitvoerig door de advocaat met hem en de moeder zijn besproken. De moeder heeft deze stellingen van de vader evenwel gemotiveerd betwist. De moeder heeft daartegen aangevoerd dat zij en de vader hebben gesproken over de inhoud van het echtscheidingsconvenant en de situatie van de dochter op het moment dat zij nog zou studeren na haar 21ste levensjaar. De moeder heeft gesteld dat zij en de vader het destijds belangrijk vonden dat de dochter een goede toekomst zou hebben en dat zij onbezorgd zou kunnen studeren en dat de ouders met artikel 1 sub e van het echtscheidingsconvenant wilden voorkomen dat de dochter evenals de vader op latere leeftijd een avondstudie zou moeten volgen. De vader heeft deze stellingen niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de bewoordingen van artikel 1 sub e van het convenant en uit voormelde feiten en omstandigheden ten tijde van het sluiten van het convenant genoegzaam volgt dat de ouders bij het aangaan van het convenant hebben beoogd de verplichting op zich te nemen om onder de in de desbetreffende bepaling genoemde condities naar evenredigheid van ieders inkomen een bijdrage te betalen in de kosten van levensonderhoud en/of studie van de dochter na haar 21-jarige leeftijd. Het hof is derhalve van oordeel dat de ouders op grond van deze bepaling gehouden zijn tot betaling van een maandelijkse bijdrage aan de dochter na haar 21ste levensjaar in zoverre als zij, gelet op alle omstandigheden, waaronder het feit dat zij een HBO dagstudie volgt, redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht in haar eigen kosten van levensonderhoud en studie te voorzien. Het hof verwerpt dan ook het standpunt van de vader dat in het onderhavig geval de aanspraken van de dochter getoetst dienen te worden aan het bepaalde in artikel 1:392 lid 2 BW. Het gaat hier, gelet op de tekst van het convenant, om de door de ouders voorziene situatie dat de meerderjarige nog studeert, en haar eigen verdiencapaciteit moet dan ook in dat licht worden beoordeeld. Nu de rechtbank echter zonder meer heeft vastgesteld dat de vader aan de dochter een bijdrage dient te – blijven – betalen, is die beslissing voorbarig. De rechtbank dient immers eerst nog vast te stellen of en in hoeverre er bij de dochter naast eigen inkomsten behoefte is aan een aanvullende bijdrage en daarna, zo nodig, de draagkracht van ieder van de ouders te beoordelen. Het hof verwijst de zaak terug naar de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, om verder te worden afgedaan.
Vaders die geen kinderalimentatie aan de moeder willen betalen zijn vaak bang dat alimentatie niet aan de kinderen wordt besteed. De Rechtbank Limburg is in haar beschikking van 20 juli 2017, (ECLI:NL:RBLIM:2017:7077) (FJR 2018/13.14) tegemoetgekomen aan de angst van de vader door te bepalen dat een deel van de bijdrage dient te worden gestort op een kindrekening, die hij kan controleren. Het is de vraag of de gekozen oplossing niet voor nog meer problemen zal zorgen. Zie voor een andere zienswijze de beschikking (die hier niet wordt behandeld) van de Rechtbank Overijssel van 18 februari 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:2365.
Bij de echtscheidingsbeschikking van 30 december 2009 heeft de Rechtbank Maastricht de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen die in 2003 en 2006 zijn geboren bepaald op € 250 per kind per maand, thans ingevolge wettelijke indexering € 279,64 per kind per maand. De man is van mening dat hij, voor zover hij al gehouden is een verhoging te betalen, deze in natura aan de kinderen dient te voldoen. De vrouw en haar partner verkeren in een financieel moeilijke positie en het is de vraag of een hogere kinderbijdrage ook terechtkomt bij de kinderen, of gebruikt wordt om de schuldenpositie van de vrouw op te lossen. De man heeft steeds extra kosten voor de kinderen voldaan. De vrouw kan hem altijd voor alles betreffende de kinderen benaderen. De man wil voor de kinderen blijven betalen maar hij is bang dat een hogere kinderalimentatie gebruikt wordt voor het aflossen van schulden en derhalve niet ten goede komt aan de kinderen. De rechtbank becijfert de draagkracht van de man op € 1.553,- per maand. De vrouw is, gelet op haar WIA-uitkering van € 783,33 niet in staat om bij te dragen in de kosten van de kinderen.
Een onderhoudsbijdrage dient in principe rechtstreeks uitbetaald te worden aan de ouder die de kinderen verzorgt en opvoedt. De man heeft grote zorgen over de wijze waarop de kinderalimentatie zal worden besteed en de vrouw heeft nagelaten deze zorg weg te nemen door aan te tonen dat zij daadwerkelijk op de huwelijkse schuld aflost en wat de huidige stand van de schulden is. Uit het feit dat de man, op verzoek van de vrouw, zijn aandeel in de aflossing van de huwelijkse schuld reeds tot 2020 heeft voldaan, zou kunnen worden afgeleid dat de vrouw financiële problemen heeft, temeer nu zij heeft nagelaten aan te tonen dat dit niet het geval is. De rechtbank vindt derhalve de zorg van de man terecht dat het de vraag is of de hogere kinderbijdrage ook daadwerkelijk wordt besteed aan de kinderen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het deel dat de man meer moet gaan betalen, op een aparte (kinder)betaalrekening dient te worden gestort, waar beide partijen toegang toe hebben. Zo heeft de man inzage in de wijze waarop de vrouw de kinderalimentatie besteedt en hoeft de vrouw de man niet steeds te vragen om een extra bijdrage voor de kinderen als zij meer kosten heeft. De rechtbank bepaalt de bijdrage op € 437,75 per kind per maand, waarvan een bedrag van € 158,- per kind per maand dient te worden overgemaakt op een en/of rekening op naam van beide partijen.

Voetnoten
[1]
Mr. P. (Pieter) Dorhout is advocaat/bemiddelaar te Egmond aan den Hoef, hoofdredacteur van JurisDidact en medewerker van FJR.

Privacyverklaring

Privacyverklaring Advocatenkantoor Pieter Dorhout

Dit is de privacyverklaring van Advocatenkantoor Pieter Dorhout, gevestigd aan de Mosselaan 67 te 1934 RA Egmond aan den Hoef (hierna: de “advocaat” of “wij”). Deze privacyverklaring is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens van onze cliënten, potentiële cliënten en andere personen die onze website bezoeken of contact met ons hebben.

In deze privacyverklaring kunt u informatie vinden over hoe wij omgaan met persoonsgegevens. Als u na het lezen van deze privacyverklaring nog vragen heeft over de wijze waarop wij omgaan met persoonsgegevens, als u gebruik wilt maken van uw in deze privacyverklaring genoemde rechten op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (“AVG”), of andere wet- en regelgeving over persoonsgegevens, of als u een klacht wilt indienen over het gebruik van uw persoonsgegevens kunt u contact met ons opnemen via telefoon: 085-0020809 of per e-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.. Als u niet tevreden bent over de afhandeling van uw klacht of als u uw klacht liever niet bij ons indient, kunt u deze ook indienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens, via de website autoriteitpersoonsgegevens.nl.

De advocaat is verantwoordelijk voor de verwerking van uw persoonsgegevens en zal daarbij de grootst mogelijke zorgvuldigheid betrachten en uiteraard de regels die voortvloeien uit de AVG naleven.

 

Welke persoonsgegevens verwerken wij?

Uw dossier

Indien u een opdracht aan de advocaat verstrekt, verwerkt de advocaat persoonsgegevens die u en de andere partij(en) in uw zaak aan de advocaat verstrekken. Dit zijn in ieder geval uw contactgegevens zoals uw naam, adres, e-mailadres en telefoonnummer. Verder gaat het om persoonsgegevens die relevant zijn voor het dossier, zoals uw foto, uw geboortedatum en -plaats en uw burgerservicenummer. Afhankelijk van het onderwerp van de zaak kan het daarbij ook gaan om gevoelige en/of bijzondere persoonsgegevens van uw partner en kinderen.

Uw contactgegevens zijn van ons voor belang om met u contact op te kunnen nemen, uw foto is van belang ter identificatie en uw geboortedatum, -plaats en burgerservicenummer worden vermeld in de processtukken.

Het kan zijn dat u aan ons financiële gegevens dient aan te leveren zoals loonstroken, jaarloonopgaven, jaarrekeningen, aangiftes inkomstenbelasting, huurovereenkomsten, hypotheek¬akten, beschikkingen van toeslagen, specificaties zorgverzekering, bankafschriften, leenovereenkomsten. Deze moeten wij op grond van de wet of procesreglementen in het geding brengen. Daarnaast zijn deze financiële stukken nodig om de alimentatie te kunnen berekenen.

Facturering

Indien u een opdracht aan ons verstrekt, verwerken wij ook gegevens die nodig zijn voor het sturen van facturen en verwerken van betalingen voor de diensten die de advocaat verricht. Naast uw contactgegevens gaat het om uw bankrekeningnummer en eventuele andere betalingsgegevens.

Contact

Indien u contact met ons opneemt via het contactformulier op de website, per e-mail of via de telefoon, verwerken wij de gegevens die u verstrekt. Het gaat dan om de contactgegevens die u aan ons verstrekt (naam, e-mailadres, telefoonnummer) en de reden waarom u contact met ons zoekt (bijvoorbeeld omdat u een vraag heeft).

 

Voor welke doeleinden en op welke grondslag verwerken wij persoonsgegevens?

Uw dossier

De advocaat gebruikt de persoonsgegevens die u heeft verstrekt in het kader van een advies of een gerechtelijke procedure. Omdat het kan zijn dat er gevoelige en/of bijzondere persoonsgegevens verwerkt worden tijdens een procedure (en dit van tevoren niet altijd duidelijk is), vragen wij u om toestemming om uw persoonsgegevens te verwerken. U geeft deze toestemming door de opdrachtbevestiging te tekenen. Als u deze opdrachtbevestiging niet tekent, kunt u geen gebruik maken van de diensten van de advocaat, omdat de advocaat de diensten niet kan uitvoeren zonder persoonsgegevens te verwerken die relevant zijn voor het dossier.

U heeft het recht om uw toestemming weer in te trekken. De advocaat mag dan geen gegevens meer van u verwerken. De advocaat kan vanaf het moment van intrekking van de toestemming geen diensten meer voor u verrichten, en zal uw dossier dan onmiddellijk moeten sluiten.

Facturering

De betalingsgegevens die u heeft verstrekt, gebruiken wij om werkzaamheden te factureren. Deze verwerking is noodzakelijk om de overeenkomst die u met ons sluit uit te voeren.

Contact

De contactgegevens die u aan ons verstrekt gebruiken wij om contact met u op te nemen indien nodig, bijvoorbeeld om een vraag te beantwoorden. Wij verwerken deze persoonsgegevens omdat dit noodzakelijk is voor de behartiging van ons gerechtvaardigd belang, namelijk het belang van het kunnen uitoefenen van onze werkzaamheden en het verkrijgen van nieuwe opdrachten.

 

Hoe lang bewaren wij uw persoonsgegevens?

Uw dossier

Wij bewaren uw dossier, en de persoonsgegevens die daarin zijn opgenomen, in beginsel gedurende vijf jaar nadat het dossier gesloten is. In uitzonderingsgevallen bewaren wij een dossier langer dan vijf jaar, indien de advocaat van mening is dat er een ander gerechtvaardigd belang is om het dossier langer te bewaren.

Administratie

Wij bewaren onze elektronische administratie, waaronder de facturen en andere bescheiden waarop de persoonsgegevens van partijen vermeld zijn, gedurende een periode van zeven jaar na afloop van het boekjaar om te kunnen voldoen aan de fiscale bewaarplicht.

 Overige contactgegevens

Wij bewaren overige contactgegevens gedurende vijf jaar na het laatste contact, tenzij u eerder een verzoek bij ons indient om deze te verwijderen.

 

Met wie delen wij uw gegevens?

Uw gegevens worden opgeslagen in een digitaal dossier en kunnen voorkomen in e-mails die de advocaat verstuurt of ontvangt aan de wederpartij, aan de rechtbank en aan de Raad voor de Kinderbescherming, en worden daarmee opgeslagen (en dus verwerkt) door onze ICT provider. Verder worden de betalingsgegevens die u ten behoeve van de facturering aan de advocaat heeft verstrekt, doorgegeven aan de partij die ten behoeve van de advocaat de financiële administratie verricht. Met deze partijen heeft de advocaat een verwerkersovereenkomst gesloten waarin minimaal eenzelfde niveau van veiligheid en vertrouwelijkheid is geregeld als u van ons mag verwachten.

Indien u, of een andere partij die betrokken was bij een procedure, een klacht tegen de advocaat indient die betrekking heeft op de behandeling van uw dossier waarin uw persoonsgegevens staan opgenomen, kunnen uw persoonsgegevens worden verstrekt aan de Geschillencommissie Advocatuur. Uw gegevens worden door deze instantie vertrouwelijk behandeld.

Wij verstrekken uw gegevens in een procedure aan de wederpartij, aan de rechter en in voorkomende gevallen aan de Raad voor de Kinderbescherming, maar verder niet aan derden, tenzij wij op grond van geldende wet- en regelgeving verplicht worden bepaalde gegevens te verstrekken.

 

Hoe worden uw gegevens beveiligd?

Wij hebben passende technische en organisatorische veiligheidsmaatregelen getroffen om uw persoonsgegevens te beschermen tegen verlies, misbruik en ongeoorloofde toegang door derden. Bovendien verplichten wij onze ICT-provider eveneens dergelijke passende technische en organisatorische veiligheidsmaatregelen te treffen.

 

Wat zijn uw rechten?

U heeft de volgende rechten:

a. Het recht op inzage in uw persoonsgegevens en het ontvangen van een kopie daarvan.
b. Het recht op rectificatie van uw persoonsgegevens indien deze niet juist of onvolledig zijn.
c. Het recht om bezwaar te maken tegen de verwerking en/of – in bepaalde gevallen - het recht op beperking van de verwerking van uw persoonsgegevens.
d. In bepaalde gevallen: het recht om uw persoonsgegevens te laten wissen (‘recht op vergetelheid’).
e. Het recht om uw persoonsgegevens in een gestructureerde, gangbare en machinaal leesbare vorm te verkrijgen en die gegevens aan een ander over te dragen.

 

Voor meer informatie over deze rechten en wanneer u die kunt uitoefenen: zie artikelen 15 tot en met 20 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.

U kunt uw rechten uitoefenen door contact met ons op te nemen via het aan het begin van de privacyverklaring genoemde e-mailadres of telefoonnummer.

 

Wijzigingen

Er kan soms iets veranderen in de persoonsgegevens die wij verwerken of de toepasselijke regelgeving. In dat geval kunnen wij deze privacyverklaring aanpassen. Bij ingrijpende wijzigingen zullen wij een melding op de website plaatsen en u per e-mail van de wijziging op de hoogte brengen.

 

Versie 24 mei 2018

FaLang translation system by Faboba