Kroniek Partneralimentatie FJR 2016/41

FJR 2016/41

Kroniek Partneralimentatie

Datum: 27-06-2016

Auteur:  Mr. P. Dorhout en mr. C. de Bie-Koopman

Deze kroniek gaat over de wettelijke wederzijdse verplichting van ex-echtgenoten tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud, aan de hand van de meest belangrijke uitspraken die daarover in het afgelopen jaar zijn gewezen.

De behandelde uitspraken zijn voorzien van een FJR-vindplaats (bijv. FJR 2016/41.1), waardoor de uitspraak ook online beschikbaar komt.

1. Wangedrag en lotsverbondenheid

Bij het vaststellen van partneralimentatie kan de rechter naast financiële factoren ook rekening houden met niet-financiële factoren, zoals bijvoorbeeld wangedrag van de alimentatiegerechtigde. In dat geval kan de rechter beslissen dat van de alimentatieplichtige niet langer kan worden gevergd dat hij/zij nog langer voorziet in de kosten van levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde. Ook kan wangedrag reden zijn om de onderhoudsverplichting te matigen. Dit laatste gebeurt in de praktijk nauwelijks (of er wordt geen beroep opgedaan), waardoor het meestal een alles-of-niets-vraagstuk wordt.

Mede gelet op het onherroepelijke karakter van een beëindiging (dan wel matiging) geldt dat er terughoudend wordt beoordeeld. Verder wordt in de jurisprudentie steeds herhaald dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel een echtscheiding in het begin gepaard gaat met de nodige emoties. Niet iedere vorm van grievend gedrag is daarom aanleiding om de onderhoudsverplichting te beëindigen of te matigen.

Het Hof Den Haag heeft op 13 april 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:1249) (FJR 2016/41.1) treffend samengevat in welk geval wangedrag tot afwijzing van een alimentatieverzoek kan leiden:

Bij de beantwoording van de vraag of van een gewezen echtgenoot een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de andere echtgenoot kan worden gevergd en, zo ja, tot welk bedrag, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder zijn ook te verstaan niet-financiële factoren, zoals gedragingen van de alimentatie-verzoekende echtgenoot. De vraag die daarbij speelt, is of van de alimentatieplichtige in redelijkheid nog kan worden gevergd dat hij of zij bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde, met andere woorden, of de lotsverbondenheid die uit het ontbonden huwelijk voortvloeit als gevolg van gedragingen van de onderhoudsgerechtigde als verbroken kan worden beschouwd. In uitzonderlijke gevallen kan worden geconcludeerd dat aan de lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten, welke lotsverbondenheid de grondslag vormt van een onderhoudsverplichting als bedoeld in art. 1:157 BW, een einde is gekomen op de grond dat de één zich zodanig grievend jegens de ander heeft gedragen dat in redelijkheid betaling van partneralimentatie door die ander niet langer gevergd kan worden. Daarbij geldt als criterium of voldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken, die maken dat van de alimentatieplichtige in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd in het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde te voorzien. De enkele constatering van grievend gedrag jegens de onderhoudsplichtige van degene die alimentatie verzoekt, leidt er niet zonder meer toe dat de lotsverbondenheid niet langer aanwezig is. Voorts dient in het algemeen terughoudendheid te worden betracht bij de beoordeling of zich in een concreet geval een zodanige situatie voordoet, mede gelet op het onherroepelijk karakter van een beëindiging of matiging van de onderhoudsverplichting.

In de betreffende zaak had de vrouw onder andere valse aangiftes tegen de man gedaan, had zij de werkgever van de man benaderd, was de vrouw ten onrechte met de kinderen naar een Blijf-van-mijn-lijfhuis gegaan, had de vrouw vergaande beschuldigingen geuit op allerlei social media, had de vrouw de man bedreigd met een mes en had zij de auto van de man bekrast. Dit alles had tot gevolg dat de lotsverbondenheid was verbroken en de vrouw van de man geen onderhoudsbijdrage meer kon vorderen.

Ook in de zaak van het Hof Arnhem-Leeuwarden 12 november 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:8558) (FJR 2016/41.2) had de alimentatiegerechtigde (de man) het te bont gemaakt. De man had ná het uitzitten van een gevangenisstraf van vier jaar wegens het plegen van een overval of diefstal met geweld, gedurende zes jaar lang een dubbelleven geleid doordat hij in die periode, naast zijn huwelijk, een geheime relatie had gehad, waaruit een tweeling was geboren. Voorts had de man het inkomen van de vrouw gebruikt om daarvan zijn tweede gezin te onderhouden. Het hof was van oordeel dat reeds op grond hiervan sprake was van zodanig grievend gedrag van de man jegens de vrouw, dat van de vrouw in redelijkheid niet kon worden gevergd dat zij bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de man.

Al eerder kreeg ditzelfde Hof Arnhem Leeuwarden op 12 mei 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:3378) (FJR 2016/41.3) te maken met een zich misdragende en alimentatie-vragende man. De man had veelvuldig gecorrespondeerd met de werkgever van de vrouw en daarmee de vrouw onnodig en op onaanvaardbare wijze aangetast in haar reputatie, eer en goede naam. Naar het oordeel van het hof had de man met zijn woordkeuze in al deze stukken de in het maatschappelijk verkeer in acht te nemen zorgvuldigheid en betamelijkheid ver overschreden. Hoewel de rechtbank de man in haar beschikking reeds op niet mis te verstane wijze had opgedragen onmiddellijk te stoppen met negatieve uitlatingen over de vrouw jegens derden had de man toch op 24 september 2014 een (nieuwe) melding gedaan bij het Meldpunt Kindermishandeling van Bureau Jeugdzorg te Gouda, wederom onder toezending van negatieve uitlatingen over de vrouw. De man had volgens het hof welbewust het risico genomen dat het inkomen van de vrouw in gevaar zou komen. Wel wenst de man uit dit inkomen een bijdrage in zijn levensonderhoud te ontvangen. Of anders gezegd: ‘de man bijt de hand die hem voedt’.

Onder deze omstandigheden, waarbij de man bewust de vrouw heeft aangetast in haar eer en goede naam en het inkomen van de vrouw in gevaar heeft gebracht, levert het bij dergelijk gedrag vorderen van financiële steun een zo kwetsende bejegening van de vrouw op, dat van haar betaling in het onderhoud van de man niet langer kan worden gevergd. Het hof is van oordeel dat de lotsverbondenheid tussen partijen op 18 maart 2013 is komen te vervallen, de dag waarop de man de ‘samenvatting’ nogmaals had verstuurd naar de werkgever van de vrouw.

Het komt uiteraard vaker voor dat er tevergeefs een beroep op wangedrag en het beëindigen van de lotsverbondenheid wordt gedaan. In de navolgende zaken slaagde het beroep niet:

Beschuldigingen van misbruik en stopzetten van de omgang geen reden om verbreken lotsverbondenheid aan te nemen (Hof Arnhem-Leeuwarden 8 maart 2016 ECLI:NL:GHARL:2016:1893).

Afkeurenswaardige berichten vrouw geen wangedrag, hoort nu eenmaal bij echtscheiding en nasleep daarvan (Hof Amsterdam 1 november 2015; ECLI:NL:GHAMS:2015:5105).

Grievend gedrag van de vrouw houdt verband met een psychische stoornis die reeds tijdens het huwelijk bestond (Hof Arnhem-Leeuwarden 18 juni 2015; ECLI:NL:GHARL:2015:4495).

2. Beding niet-wijziging

Ingevolge art. 1:159 lid 1 BW kan bij een alimentatieovereenkomst worden bedongen dat deze niet bij rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden. Dit artikellid bepaalt voorts dat een dergelijk beding slechts schriftelijk kan worden gemaakt (zie recent Hof ’s-Hertogenbosch 12 maart 2015, (ECLI:NL:GHSHE:2015:865) (FJR 2016/41.4). Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt bovendien dat deze schriftelijke overeenkomst door partijen dient te zijn ondertekend (vgl. HR 29 maart 1996, NJ 1997/101).

Het doorbreken van een niet-wijzigingbeding is niet eenvoudig. In de zaak die voorlag bij het Hof ’s-Hertogenbosch 28 januari 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:261) (FJR 2016/41.5) vond de vrouw dat ongewijzigde handhaving van de afspraken in de vaststellingsovereenkomst niet van haar kon worden gevergd. De vrouw had na de feitelijke breuk tussen partijen, naast de zorg over drie kinderen, getracht om zelfstandig in haar levensonderhoud te voorzien. De vrouw had echter te kampen gekregen met een slechte gezondheidssituatie en er was ook minder aanbod van werk. De vrouw had cursussen gevolgd en zich laten omscholen. Deze inspanningen, waarvan bleek uit de overgelegde stukken, hadden er niet toe geleid dat de vrouw een aanzienlijk inkomen uit arbeid had kunnen genereren. De vrouw vond daarom dat zij nog steeds behoefte had aan een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud.

Ingevolge art. 1:159 lid 3 BW kan een niet-wijzigingsbeding door de rechter bij beschikking worden gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding gehouden mag worden. Blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 12 november 1982, NJ 1983/81) moet er sprake zijn van een volkomen wanverhouding tussen wat partijen bij het sluiten van het convenant voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en wel zo, dat het in hoge mate onbillijk zou zijn indien de ene partij de ander aan het beding zou houden. Op degene die zich op doorbreking van het beding beroept, rust een zware stelplicht. Het is dus van belang te stellen wat partijen bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst ten aanzien van de partneralimentatie voor ogen heeft gestaan, welke wijzigingen van omstandigheden ten opzichte van die uitgangspunten na het opstellen van de vaststellingsovereenkomst zijn opgetreden en of en in welke mate er sprake is van een volkomen wanverhouding tussen wat partijen bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan.

Alles wat de vrouw had aangevoerd vormde dus onvoldoende grondslag voor een terzijdestelling van het overeengekomen niet-wijzigingsbeding.

Als partijen twisten over de uitleg van een niet-wijzigingsbeding, dient de zogeheten Haviltex-formule (zoals neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1981, NJ 1981/635) te worden toegepast. Deze houdt in dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract, maar dat het tevens aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis van deze bewoordingen in het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang (Hof Arnhem-Leeuwarden 10 november 2015; ECLI:NL:GHARL:2015:8538) (FJR 2016/41.6).

3. Behoefte

Bij een verzoek om een uitkering tot levensonderhoud is de gebruikelijke verdeling van de bewijslast dat – voor zover aan de orde – de onderhoudsgerechtigde de behoefte aannemelijk moet maken en de onderhoudsplichtige het gebrek aan draagkracht. De hoogte van de behoefte kan soms moeilijk aannemelijk worden gemaakt, vooral omdat het vaak uitgaven betreft die redelijkerwijs in de toekomst gedaan zullen worden en waar dus nog geen bewijzen van zijn. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. De door de hoven ontwikkelde praktische hofnorm, 60% van het netto gezinsinkomen, is door de Hoge Raad onderuitgehaald. Onderhoudsgerechtigden moeten steeds meer moeite doen om hun toekomstige redelijkerwijs te maken noodzakelijke uitgaven aannemelijk te maken, evenals de vraag in hoeverre zij daar niet door eigen inkomsten in kunnen voorzien.

Het Hof Amsterdam heeft zich in zijn beschikking van 19 januari 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:82) (FJR 2016/41.7) gebogen over een uitkering van € 9.957,- per maand, die door de Rechtbank Amsterdam was vastgesteld op het verzoek van de vrouw om een uitkering van € 20.000,- per maand te bepalen. Het hof overweegt dat bij de bepaling van de hoogte van de behoefte rekening dient te worden gehouden met alle relevante omstandigheden waaronder de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk en dat een globaal inzicht zal moeten geven in het uitgavenpatroon in dezelfde periode, voor de bepaling van de welstand van partijen. De rechter moet de behoefte aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten – en gelet op de welstand – redelijke kosten bepalen. Vaststelling van de behoefte slechts op grond van de hofnorm is niet aan de orde. De vrouw kan niet volstaan met inzicht te geven in het uitgavenpatroon van partijen in 2001 en 2008 en in haar huidige uitgavenpatroon. De bestreden beschikking is daarom bekrachtigd.

Het Hof Amsterdam bepaalt in zijn beschikking van 23 februari 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:704) (FJR 2016/41.8) de behoefte van de vrouw aan de hand van een behoeftelijst. Het hof beoordeelt de vrouw opgestelde behoefteopstelling van in totaal € 4.944,- netto per maand, waarbij het fiscaal loon van de man van € 108.791,- per jaar in aanmerking wordt genomen. Hof loopt per post de behoeftelijst van de vrouw na en houdt per maand rekening met € 500,- aan woonlasten, € 150,- aan reserveringen groot onderhoud, € 200,- aan nutsvoorzieningen, € 400,- aan boodschappen. € 100,- aan benzine, € 25,- aan parkeren, € 10,- aan openbaar vervoer, € 190,- aan ziektekosten en eigen risico, € 150,- aan cadeaus voor kinderen, familie en vrienden, € 124,- aan telefoonabonnementen, € 250,- aan kleding, € 60,- aan de kapper, € 80,- aan theater, € 150,- aan schouwburg, € 200,- aan bioscoop, etentjes en vakanties en ten slotte € 100,- aan reserveringen voor een nieuwe auto en vervanging van meubilair en huishoudelijke apparaten. De behoefte van de vrouw bedraagt derhalve € 3.184,- netto per maand of € 5.442,- bruto per maand. Zowel de opsomming als de schatting en de waardering door het hof lijken redelijk willekeurig en geen verbetering ten opzichte van de 60%-norm (die op een veel lager bedrag zou uitkomen) op te leveren. De vrouw kan niet werken. De man heeft draagkracht om een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te betalen van € 1.795,- per maand over de periode tot de levering van de echtelijke woning en van € 2.880,- per maand daarna, zodat de uitkering wordt beperkt door de draagkracht van de man.

De hofnorm was onderwerp van discussie in de beschikking van het Hof Amsterdam van 18 augustus 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:3360) (FJR 2016/41.9). De Rechtbank Noord-Holland had de behoefte bepaald door middel van de hofnorm en de man verzoekt in hoger beroep dat die uitkomst wordt gecorrigeerd vanwege de zeer lage woonlasten van de vrouw. Het gerechtshof oordeelt dat in de hofnorm echter geen specifieke post voor woonlasten opgenomen is. Toepassing van voornoemde, forfaitaire norm impliceert dat niet naar elke afzonderlijke post wordt gekeken om de behoefte vast te stellen. Het corrigeren van het resultaat daarvan in verband met één kostenpost staat dan ook op gespannen voet met die systematiek. De man heeft onvoldoende duidelijk gemaakt op welke wijze de aldus vastgestelde behoefte zou moeten worden gecorrigeerd. De behoefte die de rechtbank heeft berekend, staat daarmee vast. De beschikking wordt bekrachtigd.

Ook de mogelijkheden van de onderhoudsgerechtigde om zelf in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien worden steeds kritischer getoetst door de rechter. Zo ook het Hof Arnhem-Leeuwarden dat in zijn beschikking van 4 februari 2016 oordeelde dat de vrouw haar behoeftigheid onvoldoende aannemelijk had gemaakt (ECLI:NL:GHARL:2016:1042) (FJR 2016/41.10). Het hof overweegt dat, gelet op het huidige inkomen van de vrouw van € 1.104,- per maand, nog een behoefte resteert van € 470,- per maand. Tussen partijen is in geschil of de vrouw in staat moet worden geacht dit bedrag zelf bij te kunnen verdienen per maand. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw niet aangetoond dat zij actief op zoek is (geweest) naar ander of aanvullend werk om geheel in haar eigen behoefte te kunnen voorzien. De vrouw heeft geen sollicitatiebrieven of andere bescheiden in het geding gebracht waaruit sollicitatiepogingen blijken. Daarnaast heeft de vrouw niet aangetoond dat zij door fysieke klachten niet in staat zou zijn om meer te werken of nog bij particulieren schoon te maken naast haar huidige baan. Bovendien lijkt haar standpunt in deze in strijd te zijn met haar stelling ter zitting dat zij wel sollicitaties heeft verricht. De stelling dat haar 25-urige werkweek qua belastbaarheid geacht moet worden gelijk te staan aan een fulltime dienstverband heeft zij eveneens niet, althans onvoldoende onderbouwd. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw in redelijkheid geheel in haar huwelijksgerelateerde behoefte moet kunnen voorzien en wijst het verzoek om alimentatie alsnog af. Voorts overweegt het hof dat de vrouw rekening had kunnen houden met de omstandigheid dat de partneralimentatie als gevolg van de verzoeken van de man in hoger beroep lager zouden kunnen uitvallen. Het hof zal de vrouw een terugbetalingsverplichting opleggen van hetgeen zij aan partneralimentatie van de man heeft ontvangen.

De onderhoudsgerechtigde vrouw hoeft van het Hof Arnhem-Leeuwarden in zijn uitspraak van 3 november 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:8295) (FJR 2016/41.11) haar uit de verdeling ontvangen vermogen van € 400.000,- niet aan te wenden om in haar onderhoud te voorzien. Dat de vrouw behoefte heeft aan een uitkering tot levensonderhoud stond in 2010 tussen partijen vast. De man stelt dat, in afwijking van de afspraken in het echtscheidingsconvenant, thans ervan moet worden uitgegaan dat de vrouw met het aan haar uitgekeerde vermogen zelf in haar levensonderhoud dient te voorzien. Hij miskent daarmee dat de vrouw recht heeft op de helft van de huwelijksgoederengemeenschap en dat hij daarnaast aan de vrouw partneralimentatie dient te voldoen. Nu tussen partijen vaststaat dat de vrouw wegens ziekte niet in staat is inkomen uit arbeid te verwerven, moet het ervoor worden gehouden dat de vrouw nog steeds behoefte heeft aan een bijdrage van de man.

Het Hof Den Haag oordeelde op 4 november 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:3132) (FJR 2016/41.12) dat een hoogopgeleide vrouw, die vanaf 2000 niet meer had gewerkt en niet had gesolliciteerd nog vijf jaren alimentatie ontvangt van de man en daarna niets meer. Zij is evenals de man afgestudeerd in computerwetenschappen. Het hof is van oordeel dat de vrouw ernstig nalatig is geweest met betrekking tot haar inspanningen om – in ieder geval deels – in eigen levensonderhoud te voorzien. Er mag dan sprake zijn van de nodige veranderingen op dit gebied en van een grote investering qua tijd en financiën die de vrouw moet doen om zich op de arbeidsmarkt voor te bereiden. Gebleken is echter dat de vrouw tot op heden geen enkele inspanning heeft gedaan om weer aan de slag te komen, terwijl partijen vanaf 2009 uit elkaar zijn en het voor de vrouw duidelijk was dat van haar werd verwacht dat zij weer aan het werk zou gaan. Gezien de aard van haar academische opleiding, haar werkervaring tot 2000 en het tekort aan IT-specialisten, is het hof van oordeel dat de vrouw zich tot het uiterste moet inspannen om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en dit ook binnen afzienbare termijn zal kunnen. Een afbouw van de alimentatie zoals door de rechtbank vastgesteld, acht het hof dan ook alleszins redelijk.

4. Verbleken behoefte

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat bij de vaststelling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde met alle relevante omstandigheden rekening dient te worden gehouden. De door het huwelijk ontstane lotsverbondenheid is een van de voornaamste gronden voor de alimentatieplicht. Aangenomen wordt dat deze lotsverbondenheid afneemt door tijdsverloop en dat de behoefte na verloop van tijd minder is gerelateerd aan de welstand zoals deze er tijdens het huwelijk was. Dit wordt ook wel het verbleken van de behoefte genoemd. Het Hof Arnhem-Leeuwarden verwijst in haar uitspraak van 10 maart 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:2130) (FJR 2016/41.13) naar deze definitie van ‘verbleken van behoefte’. In deze zaak vroeg de vrouw vijf jaar na de ontbinding van het huwelijk om partneralimentatie. De vrouw verzuimde haar behoefte deugdelijk te onderbouwen, dus het hof knoopt aan bij de bijstandsnorm. Vervolgens concludeert het hof dat, aangezien het hof de behoefte van de vrouw op het bestaansminimum heeft bepaald, bespreking van de stelling dat de behoefte is verbleekt achterwege kan blijven. De behoefte kan naar het oordeel van het hof niet nog lager worden vastgesteld dan het bestaansminimum. In deze zaak is de behoefte dus verbleekt tot aan het bestaansminimum.

Anders werd er geoordeeld in de zaak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 1 oktober 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:7377) (FJR 2016/41.14), waarin de vrouw tien jaar na de ontbinding van het huwelijk alsnog om partneralimentatie vroeg. Vaststond dat de vrouw, nu zij gedurende tien jaren na de echtscheiding geen aanspraak had gemaakt op een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud, steeds in staat was geweest om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Dat de vrouw ervoor had gekozen om het door haar na de echtscheiding in het kader van de overbedeling ontvangen bedrag van € 45.000 te gebruiken om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien, doet daaraan niet af. De vrouw is tot in 2014, te weten ruim tien jaar na de echtscheiding, geheel financieel onafhankelijk van de man geweest. Gelet op vorenstaande omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, oordeelt het hof dat nu, na ruim tien jaar na de echtscheiding, in redelijkheid niet meer kan worden gesproken van een uit het huwelijk voortvloeiende lotsverbondenheid tussen partijen waarop een onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw kan worden gebaseerd.

Ook het Hof Den Haag is van oordeel dat de huwelijksgerelateerde behoefte afneemt door tijdsverloop na scheiding en dat het in eigen onderhoud voorzien voorop staat (30 september 2015; ECLI:NL:GHDHA:2015:2744) (FJR 2016/41.15). Het hof overweegt daartoe als volgt:

De rechter kan bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen. Het vaststellen van partneralimentatie is aldus een discretionaire bevoegdheid van de rechter en niet een recht waar zonder meer aanspraak op kan worden gemaakt. Immers uitgangspunt is dat eenieder in zijn eigen levensonderhoud dient te voorzien.

De grondslag voor partneralimentatie is de door het huwelijk tussen echtgenoten ontstane lotsverbondenheid. Naarmate partijen langer uit elkaar zijn, heeft dit tot gevolg dat de lotsverbondenheid afneemt en dat van de onderhoudsgerechtigde verwacht mag worden dat zij zich zal inspannen om in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. De stelling van de vrouw dat zij niet in staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien, is door de man gemotiveerd betwist. Tegenover deze gemotiveerde betwisting door de man had het op de weg van de vrouw gelegen om aan te tonen en met bewijsstukken te onderbouwen dat sprake is van gegronde redenen waarom zij er niet in is geslaagd in de loop der jaren geheel of gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien. De vrouw heeft dit nagelaten.

Uit de door de vrouw overgelegde stukken alsmede het verhandelde ter zitting is aan het hof niet gebleken dat de vrouw de afgelopen tien jaar constructieve pogingen heeft gedaan om – gedeeltelijk – in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Het had op de weg van de vrouw gelegen inzicht te geven in de pogingen die zij vanaf 2007 heeft ondernomen om de echtscheiding te verwerken en om haar re-integratieproces in te zetten. De vrouw heeft dit op geen enkele wijze gedaan. Tevens heeft de vrouw op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt op welke wijze zij heeft getracht haar uitgavenpatroon aan te passen uitgaande van de gedachte dat huwelijksgerelateerde behoefte verbleekt naarmate het tijdsverloop na de echtscheiding. Immers de vrouw ontvangt al vanaf 2011 een lager bedrag aan partneralimentatie in verband met de verminderde draagkracht van de man. In plaats van de uitgaven te matigen wenst de vrouw onverminderd aanspraak te maken op de in het verleden vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte. Naar het oordeel van het hof is er geen rechtsgrond aan te voeren – mede met inachtneming van de beginselen van redelijkheid en billijkheid – op grond waarvan de vrouw gedurende een periode van twaalf jaar aanspraak kan maken op een alimentatie die is gebaseerd op de huwelijkse staat.

Naar maatschappelijke normen mag van de vrouw gevergd worden dat zij verantwoordelijkheid neemt om – naarmate de jaren na de echtscheiding verstrijken – te trachten in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien. De tendens van de afgelopen jaren is dat algemeen wordt aangenomen dat van een onderhoudsgerechtigde kan en mag worden verwacht dat deze na een scheiding zoveel mogelijk zelf in zijn eigen levensonderhoud voorziet.

De opstelling van de vrouw waarin zij geen aantoonbare inspanningen heeft geleverd om in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien, acht het hof niet passend bij de eigen verantwoordelijkheid die de vrouw heeft om in haar eigen behoefte te voorzien.

Dat partijen al vier jaar voorafgaand aan de echtscheiding uit elkaar waren, is echter geen reden om een verbleekte behoefte aan te nemen (Hof Arnhem-Leeuwarden 20 augustus 2015; ECLI:NL:GHARL:2015:6658) (FJR 2016/41.16).

5. Draagkracht

De Hoge Raad bevestigt in zijn beschikking van 29 januari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:154) (FJR 2016/41.17) dat bij draagkracht in beginsel alle schulden een rol spelen, ook schulden die zijn ontstaan na het tijdstip waarop de onderhoudsplicht is komen vast te staan en ook schulden waarop niet wordt afgelost. Weliswaar kan de rechter redenen aanwezig oordelen om in afwijking van deze hoofdregel aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, maar in dat geval dient hij dit oordeel te motiveren. (HR 14 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:627, NJ 2014/169) In dit geval heeft het hof het hiervoor overwogene niet miskend, maar als partijen niet voldoen aan de verplichting van art. 21 Rv tot een juiste en volledige voorlichting van de rechter en de wederpartij, staat het de rechter vrij daaraan de gevolgtrekkingen te verbinden die hij geraden acht. Of partijen aan de verplichting van art. 21 Rv hebben voldaan, berust op een aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden uitleg van de gedingstukken en op waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op juistheid kunnen worden onderzocht. (vgl. HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9675, NJ 2012/627)

Het Hof Arnhem-Leeuwarden houdt in zijn beschikking van 21 november 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:10166) (FJR 2016/41.18) bij vaststellen van de draagkracht tot het betalen van een uitkering tot levensonderhoud geen rekening met rendement in box 3. Het feitelijk rendement zal met de huidige rentestand van onder de 2% en het fictieve rendement van 4% waarmee dit de fiscus vermogen blijft belasten vrijwel nihil zijn. Evenmin ziet het hof in de omstandigheden van dit geval aanleiding om van de man te verlangen dat hij inteert op zijn vermogen. De man stelt, en de vrouw heeft dit niet betwist, dat partijen juist op huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd omdat de man het door hem opgebouwde vermogen niet bij helfte met de vrouw wilde delen in geval van echtscheiding. Nu partijen met elkaar zijn gehuwd met gescheiden vermogens als uitgangspunt past niet dat de man ten gunste van de vrouw zou moeten interen op zijn vermogen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden, die niet zijn gebleken. Ook de stelling van de vrouw dat zij jarenlang onbetaald werkzaamheden heeft verricht in de onderneming van de man kan niet tot een ander oordeel leiden, nu de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de man niet-aannemelijk heeft gemaakt dat zij dit inderdaad heeft gedaan.

6. Einde onderhoudsverplichting

Het eindigen van de onderhoudsverplichting op grond van samenleving van de ex-echtgenoot met een ander als waren zij gehuwd steeds vaker voor. Door het gebruik van elektronisch bankieren, mobiele telefoons en social media zijn er steeds meer mogelijkheden om de samenleving aannemelijk te maken zonder inschakeling van duur recherchebureau.

De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 22 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:724) (FJR 2016/41.19) vernietigd de beschikking van het Hof Amsterdam dat de samenleving ex art. 1:160 BW bewezen achtte op grond van een lijvig rapport van een onderzoeksbureau. Het hof heeft ten onrechte niet gewezen op onderbouwde stellingen van de man of specifieke observaties uit het onderzoeksrapport die meebrachten dat van de vrouw een nadere onderbouwing kon worden gevergd van haar betwisting dat zij en haar partner elkaar wederzijds verzorgden. Indien het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op het onderzoeksrapport als geheel, heeft het miskend dat ieder vereiste voor de toepassing van art. 1:160 BW door de man moest worden gesteld en zo nodig bewezen. Voor zover het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op enkele observaties van het onderzoeksbureau dat de vrouw en haar partner samen boodschappen deden, is dat ontoereikend als motivering, aangezien deze waarnemingen nog niet in tegenspraak zijn met de verklaring van de vrouw dat zij haar eigen boodschappen betaalde.

Ten overvloede overweegt de Hoge Raad dat het onderdeel terecht klaagt over het oordeel van het hof dat de vrouw ‘als in het ongelijk gestelde partij’ zal worden veroordeeld in de kosten van het onderzoeksrapport. Indien het hof deze veroordeling heeft bedoeld als een (vorm van) proceskostenveroordeling, heeft het miskend dat art. 239 Rv niet voorziet in een veroordeling in dit soort kosten. Indien het hof heeft bedoeld de vrouw te veroordelen in buitengerechtelijke kosten van de man, heeft het miskend dat het enkele feit dat de vrouw in het ongelijk werd gesteld daarvoor geen grond kan opleveren (vgl. HR 27 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2404, NJ 1997/651).

In de beschikking van 16 februari 2016 moest het Hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2016:1421) (FJR 2016/41.20) oordelen of er sprake was van samenleving in de zin van art. 1:160 BW. De man bracht daartoe in het geding observatiebevindingen van een detectivebureau gedurende een periode van bijna vier maanden. De man verzocht niet alleen te bepalen dat zijn onderhoudsverplichting was geëindigd, maar ook veroordeling van de vrouw in de kosten van het onderzoek van € 27.756,67, te vermeerderen met de einddeclaratie. Het hof oordeelt dat uit de observatiebevindingen valt af te leiden dat de vrouw en haar partner regelmatig gezamenlijk overnachten in het chalet van de vrouw. Daargelaten de vraag of de observatiebevindingen voldoende zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van een samenwoning tussen de vrouw en haar partner – mede in het licht van het feit dat de partner (onbetwist) over zelfstandige woonruimte beschikt – is het hof van oordeel dat op grond van de observatiebevindingen en de overige door de man overgelegde stukken in elk geval onvoldoende vast is komen te staan dat sprake is van de eveneens vereiste wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Van een wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding is immers sprake als de samenwonenden hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien (HR 22 februari 1985, LJN AG4967, NJ 1986/82). De man heeft in dat verband onder meer aangevoerd dat de vrouw en haar partner regelmatig samen eten, dat zij samen op vakantie gaan, dat zij gebruikmaken van elkaars auto’s, dat zij gezamenlijk kleding, meubels en boodschappen kopen, dat de partner klusjes doet voor de vrouw en dat de partner het kind naar school brengt en haalt en hem opvangt. De vrouw heeft dit betwist. De vrouw erkent dat haar partner weleens mee-eet en bij haar overnacht, maar stelt dat dit incidenteel het geval is op basis van de latrelatie die zij met elkaar hebben. Indien de partner incidenteel een boodschap meebrengt, stelt de vrouw dat zij deze altijd aan hem terugbetaalt. Als de partner het kind opvangt of zijn auto aan de vrouw uitleent, is dat volgens de vrouw in geval van een calamiteit. Het hof is van oordeel dat de man, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw geen begin van bewijs heeft geleverd voor zijn stelling dat de partner van de vrouw bijdraagt in de kosten van de huishouding. Voor zover uit de observatiebevindingen al is gebleken dat de vrouw en haar partner gezamenlijk inkopen hebben gedaan, is niet vast komen te staan dat de partner (structureel) heeft bijgedragen in de kosten daarvan. De vrouw heeft in dat verband gesteld dat zij door de partner eventueel betaalde bedragen altijd aan hem terugbetaalt. Het vorenstaande brengt het hof tot het oordeel dat de man zijn stelling dat de vrouw samenwoont als ware zij gehuwd in de zin van art. 1:160 BW onvoldoende heeft onderbouwd en daarmee niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden wees op 9 juli 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:5155) (FJR 2016/41.21) ook een verzoek tot beëindiging van de onderhoudsverplichting wegens samenleving af, ondanks het horen van negen getuigen, waaronder de vorige advocaat van de vrouw, omdat niet bewezen was dat de vrouw en haar partner een huis deelden, en evenmin dat er sprake was van wederzijdse verzorging en dat zij een gezamenlijke huishouding voerden.

Bewijs leveren van samenleving in de zin van art. 1:160 BW lukt soms wel (en veel goedkoper) met Facebookberichten. Het Hof Amsterdam oordeelde in zijn beschikking van 28 juli 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:3108) (FJR 2016/41.22) dat de man was geslaagd in zijn bewijs. In deze zaak is niet in geschil dat de vrouw een affectieve relatie van duurzame aard heeft en voorts is komen vast te staan dat de vrouw en haar nieuwe partner feitelijk in dezelfde woning wonen. Uit de overgelegde Facebookberichten blijkt dat de vrouw ’s morgens brood smeert voor hem en voor hem kookt. Ter zitting heeft de vrouw desgevraagd verklaard dat de woning over één keuken beschikt. Verder blijkt uit de berichten dat de vrouw huishoudelijke taken verricht en samen met hem twee honden heeft, die zij uitlaat. Hij zorgt volgens de vrouw niet alleen goed voor haar, maar ook voor haar beide kinderen, die hij mede opvoedt. Hij koopt een zonnebank en rozen voor de vrouw, en een fiets voor haar dochter. Dit alles rechtvaardigt naar het oordeel van het hof de conclusie dat sprake is van een duurzame affectieve relatie die meebrengt dat de vrouw en haar partner elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt op 30 juni 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:4847) (FJR 2016/41.23) dat de vrouw niet geslaagd is in het leven van tegenbewijs tegen het voorshandse oordeel van het hof dat de vrouw en haar nieuwe partner samenleven als waren zij gehuwd, onder meer doordat zij tegenstrijdige verklaringen aflegt.

Door de hoge motiveringseisen komt het zelden voor, maar het Hof Den Haag limiteert in zijn beschikking van 1 juli 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:2178) (FJR 2016/41.24) de alimentatie tot een periode van zeven jaar, mede gezien de duur van het huwelijk van zesenhalf jaar en het feit dat daar geen kinderen uit geboren zijn. Het hof overweegt voorts dat de kansen van de vrouw op de arbeidsmarkt niet negatief beïnvloed zijn door het huwelijk. Haar verdiencapaciteit is dan ook gelijk gebleven. Tijdens het huwelijk is de vrouw werkzaam geweest. Zij is thans 42 jaar. Het hof is van oordeel dat voornoemde feitelijke omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken dat de lotsverbondenheid van partijen met ingang van 1 september 2021 in zodanige mate zal zijn komen te vervallen dat in redelijkheid niet langer van de man kan worden gevergd dat hij een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw voldoet. Het hof beëindigt de onderhoudsplicht van de man met ingang van 1 september 2021.

7. Varia

Een nihilbeding met betrekking tot partneralimentatie in huwelijkse voorwaarden is nietig, aldus de Rechtbank Rotterdam in haar beschikking van 2 december 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:9890) (FJR 2016/41.25). De rechtbank verwijst daarbij naar art. 1:400 lid 2 BW dat bepaalt dat overeenkomsten waarbij van het volgens de wet verschuldigde levensonderhoud wordt afgezien nietig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is deze bepaling ook van toepassing op partneralimentatie. Uit art. 1:157 BW volgt dat ex-echtgenoten elkaar in beginsel levensonderhoud verschuldigd zijn, rekening houdend met enerzijds behoefte en anderzijds draagkracht. De rechtbank volgt niet de stelling van de man dat art. 1:400 BW alleen ziet op de onderhoudsplicht ten aanzien van bloed- en aanverwanten en niet op de onderhoudsplicht van ex-echtgenoten. Het artikel is opgenomen in titel 17 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek met als opschrift ‘levensonderhoud’. In deze titel wordt de verplichting tot het verschaffen van levensonderhoud zowel voortvloeiende uit bloed- en aanverwantschap als uit de (vroegere) huwelijksband nader geregeld. Art. 1:401 BW bijvoorbeeld, waarin de gronden voor wijziging en intrekking van uitspraken of overeenkomsten betreffende levensonderhoud zijn opgenomen, geldt voor zowel de onderhoudsverplichtingen van bloed- en aanverwanten als de onderhoudsverplichtingen tussen (ex-)echtgenoten. Niet valt daarom in te zien waarom art. 1:400 BW zich zou beperken tot de onderhoudsplicht ten aanzien van bloed- en aanverwanten.

Voetnoten

  1. P. Dorhout is advocaat/bemiddelaar te Egmond aan den Hoef, hoofdredacteur van JurisDidact en medewerker van FJR; mr. C. de Bie-Koopman is advocaat/mediator te Alkmaar en medewerker van FJR.
FaLang translation system by Faboba