Kroniek Kinderalimentatie FJR 2015/11

FJR 2015/11

Kroniek Kinderalimentatie

Datum: 20-01-2015

Auteurs: Mr. P. Dorhout en mr. C. de Bie-Koopman

In deze kroniek worden uitspraken besproken op het gebied van kinderalimentatie in de periode november 2013 tot december 2014. Alle uitspraken zien op de toepassing van de nieuwe Richtlijn voor de vaststelling van kinderalimentatie van de Werkgroep Alimentatienormen, zoals die sinds 1 april 2013 geldt. De behandelde uitspraken zijn voorzien van een FJR-vindplaats (bijv. FJR 2015/6.1), waardoor online de uitspraak ook beschikbaar komt.

1. Behoefte

Met de invoering van de Wet hervorming kindregelingen (33716)2 op 1 januari 2015 staan veel onderhoudsverplichtingen op de tocht. Per 1 januari 2015 wordt immers onder andere de alleenstaande-ouderkop op het kindgebonden budget ingevoerd. In het Rapport van de Expertgroep Alimentatienormen 2015 staat op welke wijze hiermee rekening dient te worden gehouden (punt 3.1 b):

“Met ingang van 1 januari 2015 komen alleenstaande ouders die in aanmerking komen voor een kindgebonden budget ook in aanmerking voor een verhoging van dit kindgebonden budget met maximaal € 3.050,- (voor 2015). Deze verhoging wordt de alleenstaande-ouderkop genoemd. De expertgroep beveelt aan om dit totale kindgebonden budget in mindering te doen strekken op het gevonden totaalbedrag in de behoeftetabel. Dit kan er in een aantal gevallen toe leiden dat er geen behoefte meer resteert waarin de ouders moeten voorzien. In een dergelijk geval is er dus geen aanleiding voor het opleggen van een onderhoudsbijdrage ten laste van de andere, niet-verzorgende ouder.”

De alleenstaande-ouderkorting wordt afgeschaft en de alleenstaande-ouderkop die daarvoor in de plaats komt zorgt uiteindelijk voor een verlaging van de kinderalimentatie.

De vraag of de ouder recht heeft op een kindgebonden budget hangt niet alleen af van het inkomen en het vermogen van de ouder, maar ook van de vraag of de ouder samenwoont met een nieuwe partner. De keuze voor het al dan niet samenwonen kan daarom grote gevolgen hebben voor de hoogte van de behoefte van het kind. De Rechtbank Limburg overweegt in haar beschikking van 8 oktober 2014, (ECLI:NL:RBLIM:2014:8642) (FJR 2015/11.1) daarover het volgende:

“Het staat de vrouw uiteraard in beginsel vrij er voor te kiezen haar leven een nieuwe vorm te geven en om te gaan samenwonen met een nieuwe partner waarmee zij, en het kind van partijen dat bij haar hun hoofdverblijf heeft, een nieuw gezin wil vormen. Nu er geen sprake is van een huwelijk is er wat de minderjarige betreft geen sprake van een wettelijke onderhoudsplicht bij de nieuwe partner van de vrouw. Indien echter door het gezamenlijke inkomen van de vrouw en haar nieuwe partner een (eventueel) recht op een kindgebonden budget van de vrouw verdwijnt, waarmee anders in een deel van de behoefte van de minderjarige zou zijn voorzien, is de rechtbank van oordeel dat dit niet ten laste van de man kan komen. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het redelijk om de vastgestelde behoefte van het kind te verminderen met het kindgebondenbudget dat de vrouw, op basis van haar huidige inkomen, zou kunnen krijgen.”

Dezelfde rechtbank had op 14 mei 2014, (ECLI:NL:RBLIM:2014:4391) (FJR 2015/11.2), reeds op dezelfde wijze geoordeeld. Het is bekend dat andere rechtbanken hier weer anders over oordelen, en geen rekening houden met een fictief kindgebonden budget.

Een veel voorkomende angst van de kinderalimentatieplichtige vader is dat moeder de kinderalimentatie niet uitsluitend uitgeeft aan de kinderen. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zit daar echter niet mee en oordeelt in zijn beschikking van 19 december 2013, (ECLI:NL:GHARL:2013:9767) (FJR 2015/11.3) dat geen rechtsregel verbiedt dat de moeder meeprofiteert van toename van haar inkomen als gevolg van de kinderalimentatie. Dat een deel van de bijdrage van de niet-verzorgende ouder in de kosten van de kinderen mede ten goede kan komen aan de verzorgende ouder valt daarbij niet uit te sluiten. Een strikte scheiding tussen uitgaven ten behoeve van de kinderen en van de verzorgende ouder valt ook niet te maken, nu deze ouder ook meestal de kosten voor huisvesting en de dagelijkse verzorging draagt. Verder is de moeder niet verplicht om te verantwoorden waaraan zij de kinderalimentatie besteedt.

In het vaststellen van de behoefte van een meerderjarig kind dat op het VWO zit voorziet het rapport van de Expertgroep niet. In de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2014, (ECLI:NL:GHARL:2014:1081) (FJR 2015/11.4), koos de vader voor aansluiting bij de norm van de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten (WTOS) terwijl de moeder een berekening van de behoefte van het kind volgens de WSF-norm bepleitte, daar uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de WTOS niet beoogt de kosten van levensonderhoud van de leerling te dekken. Het gerechtshof koos in zijn uitspraak voor het standpunt van de moeder.

Alimentatiegerechtigde moeders klagen regelmatig dat de vaders naast de bijdrage niets voor de kinderen willen betalen. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch geeft de alimentatieplichtigen in een uitspraak van 6 maart 2014, (ECLI:NL:GHSHE:2014:634) (FJR 2015/11.5) daarin gelijk en overweegt dat het uitgangspunt is dat ouder bij wie kind hoofdverblijf heeft de ‘vaste lasten’ voldoet (schoolgeld, contributies e.d.).

Volgens de huidige berekeningswijze van de kinderalimentatie dient het netto besteedbaar inkomen te worden verhoogd met het kindgebonden budget om de behoefte van de kinderen te berekenen. De Rechtbank Oost Brabant oordeelt echter in haar beschikking van 9 januari 2014, (ECLI:NL:RBOBR:2014:98) (FJR 2015/11.6), dat op het moment dat partijen nog een gezin vormden het kindgebonden budget nog niet bestond, zodat daar ook geen rekening mee gehouden dient te worden. Overigens houdt de rechtbank ook geen rekening met het bestaan van een nieuwe partner van de moeder en het daarmee verdwijnen van het recht op een kindgebonden budget.

2. Draagkracht

De in april 2013 geïntroduceerde draagkrachttabel houdt op forfaitaire wijze rekening met de redelijke kosten van levensonderhoud van de onderhoudsplichtige, te weten een forfaitaire netto woonlast van 30% van het netto inkomen (0,3 NBI) en een forfaitair – van de hoogte van het inkomen afhankelijk gemaakt – bedrag van € 810-€ 860 voor de kosten van levensonderhoud. Deze forfaitaire benadering zou het aantal wijzigingssituaties moeten minimaliseren en de voorspelbaarheid van het te betalen bedrag aan kinderalimentatie moeten vergroten.

Hoewel de Tremanormen slechts richtlijnen zijn, komen we in uitspraken vaak tegen dat de rechterlijke instantie hiernaar verwijst en deze overneemt. Aan de ene kant komt dit de gewenste rechtszekerheid en de eenvoud ten goede. Aan de andere kant kan er op die manier geen maatwerk worden geleverd, terwijl het om een belangrijk onderwerp gaat, te weten de gemaakte kosten voor onderhoud van kinderen. In de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 oktober 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:8586) (FJR 2015/11.7) houdt het hof echter strikt vast aan de forfaitaire woonlast, ondanks het feit dat de echte last lager is en er te weinig geld beschikbaar is voor de kinderen. De door de vrouw aangevoerde argumenten en de door haar aangehaalde consequenties van het hanteren van een forfaitair bedrag zijn volgens het hof inherent aan het systeem van de huidige alimentatierichtlijnen. Dat de ouders gezamenlijk onvoldoende draagkracht hebben om geheel in de behoefte van de kinderen te voorzien, en dat de man door het hanteren van het forfait feitelijk méér financiële ruimte overhoudt dan de vrouw, vormen volgens het hof op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien geen grond voor een afwijking van de richtlijn. Het Gerechtshof Den Haag deed dat op 13 november 2013, (ECLI:NL:GHDHA:2013:4431) (FJR 2015/11.8) heel anders, en overwoog dat het belang van een kind bij een onderhoudsbijdrage met zich meebrengt dat indien de feitelijke (woon)lasten van de onderhoudsplichtige zodanig lager zijn dan de forfaitaire norm, deze lagere lasten dienen te prevaleren boven de forfaitaire norm.

De A-G besteedt in zijn conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2014 (ECLI:NL:PHR:2014:1908) (FJR 2015/11.9) aandacht aan een bijkomend probleem, te weten de in de literatuur (M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, Een jaar ervaring kinderalimentatie nieuwe stijl, TRP 2014/2) gesignaleerde discrepantie tussen de wijze waarop woonlasten bij de bepaling van kinderalimentatie respectievelijk bij de bepaling van partneralimentatie worden verdisconteerd. Het mogelijke resultaat dat wordt geoordeeld dat er géén ruimte is voor kinderalimentatie, maar wél voor partneralimentatie, acht zij moeilijk te verenigen met het wettelijke uitgangspunt van voorrang voor kinderalimentatie.

Voor zover het inkomen van de alimentatieplichtige lager is dan € 1.250 wordt in het Rapport uitgegaan van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen. We zien deze bedragen in veel uitspraken terug. De Rechtbank Den Haag deed dat 18 december 2013 (ECLI:NL:RBDHA:2013:19026) (FJR 2015/11.10) anders en oordeelt dat, uitgaande van de bijstandsuitkering van de man, de man over onvoldoende financiële draagkracht beschikt om kinderalimentatie te betalen. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat er conform de op dit moment geldende Rapport Alimentatienormen in ieder geval een minimumbijdrage dient te worden vastgesteld. Een bijstandsuitkering wordt volgens de rechtbank bij de bepaling van de financiële draagkracht van een onderhoudsplichtige niet aangemerkt als inkomen, nu deze uitkering afkomstig is uit collectieve middelen. Ook het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden besloot op 30 januari 2014, (ECLI:NL:GHARL:2014:626) (FJR 2015/11.11) dat de vrouw, gelet op de hoogte van haar inkomsten (in casu €866,60 bruto per maand), geen draagkracht had om enige bijdrage te betalen. Ook het Gerechtshof Den Haag besloot in bovenvermelde uitspraak van 13 november 2013 dat de vrouw onvoldoende draagkracht had om te voorzien in de kosten van de minderjarigen nu haar inkomen beneden bijstandsniveau lag.

Op 1 januari 2015 zal de Wet Hervorming Kindregelingen (33716) in werking treden. De draagkracht van de onderhoudsplichtige zal daardoor worden beïnvloed omdat de fiscale aftrekpost ‘levensonderhoud kinderen’ komt te vervallen. De Expertgroep concludeert dat het wijzigen van fiscale wetgeving een wijziging van regelgeving is die van invloed kan zijn op de wettelijke maatstaven en dus aanleiding kan geven tot herbeoordeling van eerder overeengekomen of vastgestelde bijdragen. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft, voordat het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State werd voorgelegd, bij brief van 16 april 2013 aan de Raad voor de rechtspraak gevraagd advies uit te brengen inzake het wetsvoorstel. In zijn advies van 3 juni 2013 gaf de Raad aan geen structurele, significante daling of stijging van de werklast voor de Rechtspraak te voorzien. Inmiddels is dit standpunt kennelijk verlaten, en valt op rechtspraak.nl te lezen dat de Rechtspraak een aanzienlijke toename van het aantal wijzigingsverzoeken van alimentatieplichtigen verwacht. Een ieder kan vaststellen dat de nieuwe alimentatierichtlijn in het merendeel van de gevallen gunstiger uitpakt voor de onderhoudsplichtige omdat de alimentatie lager uitvalt. De nieuwe richtlijn kon echter niet als aanleiding dienen om, zonder wijziging van omstandigheden, de nieuwe wijze van berekening toe te passen. Vanaf 1 januari 2015 komt dat anders te liggen, en kan (bijna) elke onderhoudsplichtige een wijzigingsverzoek indienen.

3. Extra lasten of aanvaardbaarheidstoets

Er is een verschil tussen ‘extra lasten’ (7.2 Rapport Alimentatienormen) en de aanvaardbaarheidstoets (7.3 Rapport Alimentatienormen). Onder ‘extra lasten’ vallen bijvoorbeeld de woonlasten van de voormalige echtelijke woning die door de onderhoudsplichtige worden doorbetaald terwijl hij daar niet meer woont. Met die extra lasten kan rekening worden gehouden, in die zin dat in dat geval wordt gerekend met de werkelijke woonlasten (die van de eigen woning en de doorbetaalde woning), in plaats van het forfait van 30% van het netto inkomen.

De aanvaardbaarheidstoets komt aan de orde in die gevallen waarin sprake is van schulden, andere lasten of een lager inkomen dan € 1.250. De vaststelling van een bijdrage op basis van de tabel kan dan tot een onaanvaardbare situatie leiden voor de onderhoudsplichtige. Van een onaanvaardbare situatie is sprake indien de onderhoudsplichtige:

bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien, of

van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt.

Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om te stellen en te onderbouwen dat sprake is van lasten en dat de op basis van het rekenmodel vastgestelde bijdrage in dat specifieke geval niet aanvaardbaar is, alle omstandigheden in aanmerking genomen. Tot de omstandigheden die van belang zijn worden gerekend: de financiële situatie (inkomen en vermogen) van de onderhoudsplichtige; de noodzaak van de lasten; de mogelijkheid zich van de lasten te bevrijden; de verhouding tussen de onderhoudsplichtigen en de zorgregeling. Deze toets wordt desgevraagd uitgevoerd na de berekening maar vóór de vaststelling van de te betalen bijdrage.

In de feitenrechtspraak komen we allerlei varianten tegen. Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2014, (ECLI:NL:GHSHE:2014:2668; (beroep op aanvaardbaarheidstoets afgewezen); Hof Arnhem-Leeuwarden 30 januari 2014, (ECLI:NL:GHARL:2014:626; (beroep op aanvaardbaarheidstoets afgewezen); Hof Amsterdam 21 januari 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:106; (aflossingsverplichting in haar geheel in aanmerking genomen); Hof Den Haag 13 november 2013 (ECLI:NL:GHDHA:2013:4431; (draagkrachtloos inkomen van de man verhoogd met de door hem betaalde lasten voormalige echtelijke woning); Rechtbank Gelderland 24 december 2013, (ECLI:NL:RBGEL:2013:6074; (bijdrage in hypotheekkosten van echtelijke woning naast redelijke woonlast in aanmerking genomen); Rechtbank Oost-Brabant 3 december 2013, (ECLI:NL:RBOBR:2013:6810; (door de man opgevoerde lasten, voor zover de rechtbank daarmee rekening heeft gehouden, leiden niet tot de conclusie dat de man niet meer in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan kan voorzien); Rechtbank Overijssel 27 november 2013, (ECLI:NL:RBOVE:2013:2997; (niet slagend beroep op aanvaardbaarheidstoets).

4. Overeenkomsten

Het sluiten van overeenkomsten over kinderalimentatie is een gewaagde zaak. Ouders willen soms na de samenleving niet meer aan elkaar verbonden blijven door de alimentatieverplichting en kopen deze af. Het bepaalde in artikel 1:400 lid 2 BW, waarin is bepaald dat niet kan worden afgezien van de volgens de wet verschuldigde kinderalimentatie, vormt een risico voor het afkopen van kinderalimentatie. De Rechtbank Noord-Holland overwoog in haar beschikking van 3 september 2014 dat het afkopen van kinderalimentatie feitelijk een niet-wijzigingsbeding vormde en dat het honoreren van een niet-wijzigingsbeding ten aanzien van kinderalimentatie tot gevolg zou kunnen hebben dat, ondanks een stijging van de inkomens van (een van de) partijen, de kinderalimentatie ongewijzigd zou blijven. De moeder kon daarom worden ontvangen in haar verzoek tot vaststelling c.q. wijziging van een kinderbijdrage en de rechtbank legde uiteindelijk een alimentatieverplichting van € 350,- per kind per maand op.

Het omgekeerde geval deed zich voor in de beschikking van de Rechtbank Noord-Nederland van 12 november 2014, (ECLI:NL:RBNNE:2014:5453) (FJR 2015/11.12), waarbij de moeder zich met succes beriep op het niet-wijzigingsbeding als verweer op het verzoek van de vader de kinderalimentatie te verlagen, omdat het niet-wijzigingsbeding in dit geval niet in strijd was met de wet.

Het Gerechtshof Amsterdam werd in de zaak met het nummer (ECLI:NL:GHAMS:2014:873,) (FJR 2015/11.13), uitgesproken op 18 maart 2014, geconfronteerd met de regel dat kinderalimentatie voorrang heeft op partneralimentatie in een geval dat de partneralimentatie was overeengekomen met een niet-wijzigingsbeding. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 24 juni 2011, (ECLI:NL:HR:2011:BQ0002) (FJR 2015/11.14), al geoordeeld dat de wetgever bij de in art. 1:400 lid 1 BW neergelegde voorrangsregel kennelijk ervan uit is gegaan dat de diverse alimentatieverplichtingen op elkaar worden afgestemd met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de voorrang van de kinderalimentatie en de draagkracht van de alimentatieplichtige.

Het hof overweegt dat vanwege het niet-wijzigingsbeding dat uitsluitend geldt ten aanzien van de partneralimentatie, in het onderhavige geval deze afstemming niet heeft kunnen plaatsvinden. De voorrangsregel rechtvaardigt dan niet dat bij het beoordelen van het verzoek van de vader tot verlaging van de kinderalimentatie geen rekening zou mogen worden gehouden met de niet-wijzigbare karakter van de partneralimentatie. Het hof berekent de draagkracht van de vader voor kinderalimentatie en houdt daarbij rekening met de geldende partneralimentatie.

In de zaak waar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 27 februari 2014 over oordeelde, (ECLI:NL:GHARL:2014:1582) (FJR 2015/11.15) waren partijen bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven in een overeenkomst tot vaststelling van kinderalimentatie. In het kader van een op artikel 1:401 lid 1 BW gegrond wijzigingsverzoek paste het hof daarom artikel 1:159 lid 3 BW naar analogie toe. Dit betekent dat de rechter slechts tot wijziging van de overeenkomst mag overgaan indien de verzoeker stelt en de rechter aannemelijk oordeelt dat na het tot stand komen van de overeenkomst een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de wederpartij in het licht van alle dan bestaande omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Hierbij dient de rechter zoveel mogelijk aan te sluiten bij wat partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond. De situatie in 2009 dient daarbij te worden vergeleken met de situatie in 2012. Op de vader ligt een zwaardere stel- en bewijsplicht.

5. Stiefouder

De onderhoudsplicht van de stiefouder is neergelegd in de artikelen 1:392, 1:395 en 1:395a BW, die in 1970 in de wet zijn gekomen. Als deze onderhoudsverplichting samenvalt met die van de ouders van de kinderen, zijn hun verplichtingen in beginsel van gelijke rang. De stiefouder heeft dus geen aanvullende verplichting, en staat in rangorde gelijk aan die van de ouders. De onderhoudsverplichting van de stiefouder is een omstreden fenomeen. Van Teeffelen pleitte er reeds voor om de onderhoudsverplichting van de stiefouder uitdrukkelijk niet op één lijn te stellen met die van de juridische ouder, en deze te laten komen ná de onderhoudsverplichting van de niet-verzorgende ouder (FJR 2012/46). Naar zijn mening dienen de juridische ouders van het kind in de eerste plaats verantwoordelijk te zijn voor de kosten van hun kind.

Het Gerechtshof Den Haag heeft op 19 maart 2014 (ECLI:NL:GHDHA:2014:943) (FJR 2015/11.16) een grote stap in tegengestelde richting gemaakt en heeft gemeend te moeten beoordelen of van de nieuwe partner van de moeder (waarmee de moeder niet was gehuwd) kon worden gevergd dat hij bijdraagt in de kosten van de minderjarigen. Het hof zag hier aanleiding toe nu de minderjarigen deel uitmaken van het gezin van de moeder en haar nieuwe partner en binnen deze gezinssituatie profiteren van de hoge mate van welstand die – zoals blijkt uit de stellingen van partijen – door de nieuwe partner wordt gecreëerd. Het feit dat de moeder en de nieuwe partner niet zijn gehuwd, doet hier volgens het hof niet aan af. Immers hoewel de nieuwe partner geen wettelijke onderhoudsverplichting heeft, kan, indien tussen de nieuwe partner en de minderjarigen een familierechtelijke betrekking als bedoeld in artikel 8 EVRM wordt aangenomen, mogelijkerwijs een onderhoudsverplichting van de nieuwe partner jegens de minderjarigen ontstaan, aangezien family life ook financiële verplichtingen zoals aanspraak op onderhoud meebrengt. Gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen ten aanzien van samenwonen, gezinnen en relaties is het hof van oordeel dat onderscheid tussen een formele stiefouder en een nieuwe partner die samenleeft met de verzorgende ouder en diens minderjarige kinderen – en in feite als stiefouder functioneert – mogelijk leidt tot ongelijkheid tussen beiden en daarmee strijd met artikel 8 EVRM kan opleveren. Immers gelijke gevallen dienen op gelijke wijze te worden toegepast, hetgeen kan leiden tot een doorbreking van het in de wet neergelegde stelsel.

In beginsel wordt de bijdrage vastgesteld naar rato van ieders draagkracht in relatie tot de behoefte van het kind. Bij samengestelde gezinnen is dit geen makkelijke opgave, omdat er veelal stiefkinderen en eigen kinderen zijn betrokken, soms ook uit meerdere relaties, waarbij er voor elk kind meerdere onderhoudsplichtigen kunnen zijn. In de praktijk leidt dit nogal eens tot ingewikkelde rekenexercities (zie de illustratieve voorbeelden van mr. Zon inEB 2011/75, en het schema onder punt 4 in de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 4 november 2014; (ECLI:NL:RBOBR:2014:7212) (FJR 2015/11.17).

Er kan aanleiding zijn de uitkomst te corrigeren op grond van de bijzondere verhouding waarin ieder tot het kind staat (artikel 1:397 lid 2 BW).

De stiefouder kan zich in dit soort procedures niet verweren en is afhankelijk van hetgeen de echtgenoot/ouder namens hem naar voren brengt. De stiefouder mag dus wel betalen, maar is geen belanghebbende in een kinderalimentatiezaak. Het Gerechtshof Den Haag overwoog hier op 6 augustus 2014, (ECLI:NL:GHDHA:2014:2616) (FJR 2015/11.18) over dat, nu de onderhavige zaak niet rechtstreeks betrekking heeft op de rechten en verplichtingen van de stiefvader, het hof van oordeel is dat de stiefvader niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv. Dat de stiefvader een persoonlijk belang heeft bij de kinderalimentatie van de minderjarigen, hij is immers ook onderhoudsplichtig ten opzichte van hen, maakt hem nog niet tot een belanghebbende op wiens rechten en verplichtingen de zaak van de vader en de moeder met betrekking tot de onderhoudsplicht van de vader rechtstreeks betrekking heeft.

Voetnoten.

Mr. P. Dorhout is advocaat/bemiddelaar te Egmond aan den Hoef, hoofdredacteur van JurisDidact en medewerker van FJR; mr. C. de Bie-Koopman is advocaat/mediator te Alkmaar en medewerker van FJR.

Wet hervorming kindregelingen, Stb. 2014, 227.

FaLang translation system by Faboba