Kroniek Namenrecht FJR 2017/18

FJR 2017/18

Kroniek Namenrecht

Datum: 02-03-2017

Auteurs:  Mr. P. Dorhout  &  mr. I.J. Pieters

Er zijn in deze kroniek al vele onderwerpen op het gebied van het personen- en familierecht de revue gepasseerd. Het namenrecht heeft tot nu toe ontbroken, hoewel het een belangrijk onderdeel is van het personen- en familierecht. Mede om die reden wordt er in deze kroniek aandacht besteed aan uitspraken op het gebied van het namenrecht.

De behandelde uitspraken zijn voorzien van een FJR-vindplaats (bijv. FJR 2017/18.1), waardoor de uitspraak ook online beschikbaar komt.

Wijziging van de voornaam

In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 14 juli 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:10549) (FJR 2017/18.1) ging het om een verzoek tot aanpassing van de geboortedatum en wijziging van de voornaam van een 10-jarig geadopteerd Chinees meisje, dat te vondeling was gelegd. De biologische ouders zijn, na een intensieve zoektocht door de adoptieouders, teruggevonden, hetgeen bevestigd is middels DNA-onderzoek. De biologische moeder heeft bij een notaris verklaard dat de minderjarige ruim twee maanden eerder geboren is dan in haar geboorteakte is vermeld. De rechtbank overweegt dat mag worden aangenomen dat de biologische moeder weet op welke datum de minderjarige is geboren. De rechtbank acht deze datum op zijn minst zekerder dan de datum die is geschat toen de minderjarige als vondeling is opgenomen in het kindertehuis en die vervolgens op de geboorteakte is vermeld. Voorts overweegt de rechtbank dat bewijsnood voldoende aannemelijk is gemaakt en dat de minderjarige een zwaarwegend belang heeft bij wijziging van de geboortedatum. Volgens de psycholoog is er een causaal verband tussen psychische problemen en het niet officieel kunnen voeren van juiste geboortedatum en naam. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken van een zwaarwichtig belang bij toewijzing van het verzoek tot voornaamswijziging. De minderjarige wil graag dat de voornaam die haar in het kindertehuis is gegeven, wordt vervangen door de voornaam die haar biologische ouders haar hebben gegeven. De gevraagde voornaam is geoorloofd naar de maatstaven van artikel 1:4, tweede lid, BW. Daarnaast wordt het openbaar belang bij toewijzing van het verzoek niet geschaad. In dit uitzonderlijke geval dient het belang van minderjarige (als geadopteerd kind in Nederland) bij een juiste registratie van haar identiteitsgegevens de doorslag te geven. Het verzoek tot verbetering van de akte van inschrijving van de geboorteakte van de minderjarige wordt toegewezen, waarbij tevens de aanvulling met de gegevens van de biologische ouders wordt gelast.

Bij de Rechtbank Noord-Holland lag eveneens een verzoek tot wijziging van een Chinese voornaam voor (Rechtbank Noord-Holland 15 april 2015, (ECLI:NL:RBNHO:2015:3194) (FJR 2017/18.2). De moeder verzocht naast wijziging van de voornaam van haar kind ook om verbetering van de geboorteakte, omdat zij zich, hoewel meerderjarig, bewust als alleenstaande minderjarige asielzoekster heeft aangemeld. Dit deed ze om haar kansen op een verblijfsvergunning te vergroten. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij bij de aangifte van het kind bij de burgerlijke stand van de gemeente Beverwijk werd bijgestaan door een Tunesische kennis. Omdat deze kennis en verzoekster de Nederlandse taal niet machtig waren en verzoekster de Nederlandse lettertekens niet kon schrijven, heeft de kennis van verzoekster de gekozen naam van het kind voor de ambtenaar opgeschreven. Achteraf is het verzoekster gebleken dat de naam zoals vermeld op de Nederlandse geboorteakte niet kan worden omgezet in Chinese tekens. Daarom heeft zij er in China voor gekozen om het kind te registreren met de voornaam Qingxiang, aldus verzoekster.

Omdat het kind de Chinese nationaliteit bezit, is artikel 10:19 lid 1 BW van toepassing op het verzoek, hetgeen betekent dat de geslachtsnaam en de voornamen van het kind worden bepaald door het Chinese recht. Uitsluitend voor de vaststelling van de geslachtsnaam en de voornaam worden de omstandigheden waarvan deze afhangen (bijvoorbeeld van welke familierechtelijke betrekking de naam wordt afgeleid en welke naam betrokkene draagt) beoordeeld naar dat recht. In dit geval moet de toelaatbaarheid van de gevraagde voornaamswijziging dan ook naar Chinees recht worden beoordeeld.

Nu Chinese autoriteiten de door de moeder bij de registratie van het kind gekozen voornaam hebben toegestaan, zal het verzoek worden toegewezen.

Uit artikel 1:4 BW blijkt een tweeledige maatstaf voor voornaamswijziging (zie ook Asser/De Boer 1 2010/40). De rechter dient in eerste instantie te beoordelen of er een voldoende zwaarwichtig belang is bij inwilliging van het verzoek tot voornaamswijziging. Indien deze vraag door de rechter bevestigend wordt beantwoord, dient te worden nagegaan of de gevraagde naam geoorloofd is in de zin van artikel 1:4 lid 2 BW. Prof. De Groot (Groene Serie Personen- en Familierecht, artikel 1:4 BW, aantekening 9) geeft aan dat men uit het verzoek reeds kan concluderen dat er in elk geval naar mening van betrokkene een zwaarwichtig belang aanwezig is. Het verzoek zou anders niet gedaan worden. De Groot constateert dat uit de jurisprudentie blijkt dat niet alle rechters dat beseffen. Het is voor ons ook de vraag of de Raad voor Rechtsbijstand dit beseft. Immers, het beleid van de Raad voor Rechtsbijstand is zeer terughoudend in het verstrekken van toevoegingen voor verzoeken tot wijziging van de voornaam. In de kenniswijzer van de Raad voor Rechtsbijstand wordt als uitgangspunt vermeld dat er geen toevoeging wordt verstrekt voor een voornaamwijziging, omdat de kosten van rechtsbijstand niet in verhouding staan tot het belang van de zaak. Het feit dat een rechtbankprocedure gevoerd wordt, acht de Raad voor Rechtsbijstand niet relevant. Slechts bij hoge uitzondering wordt een toevoeging verleend. Dit is het geval als sprake is van aantoonbare hinder voor de betrokkene in het maatschappelijk functioneren, waarbij de enkele vrees daarvoor onvoldoende is. De vraag is of de Raad voor Rechtsbijstand hier niet te veel op de stoel van de rechter gaat zitten. Met name de richtlijn dat “als alleen sprake is van persoonlijk belang (persoonlijke hinder) bij de voornaamwijziging, dan zou rechtzoekende door het hanteren van een andere voornaam de ervaren hinder weg kunnen nemen. Denk hierbij aan wijziging voornaam op grond van geloofsovertuiging”, lijkt ons een invulling van het wettelijk begrip “voldoende zwaarwichtig belang”, waar niemand anders dan een rechter over dient te oordelen. Bovendien blijft erop deze manier weinig over van het door Prof. G. de Groot (zie Groene Serie Personen- en familierecht, artikel 1:4 BW, aantekening 15) gesignaleerde historische verschil tussen een wijziging van een geslachtsnaam door de Kroon en wijziging van de voornaam door de rechtbank. De wetgever wilde het wijzigen van een voornaam eenvoudiger maken dan het wijzigen van een geslachtsnaam. In het verleden is het toevoegbeleid van de Raad Rechtsbijstand gesanctioneerd door de Rechtbank Arnhem (20 augustus 2003, ECLI NUMMER (ECLI:NL:RBARN:2003:AI1667).(FJR 2017/18.3). Het argument daarvoor was dat aan de Raad Rechtsbijstand een discretionaire bevoegdheid ter zake toekomt en dat aantoonbare hinder en daardoor ernstige belemmering in het maatschappelijke verkeer dienen te worden aangetoond bij de Raad Rechtsbijstand?. Deze beslissing lijkt in strijd met artikel 8 lid 1 EVRM dat het recht op het privé- en gezinsleven van personen beschermt waaronder het recht op het voeren van een voornaam valt (zie EHRM 24 oktober 1996, NJ 1997/324). Steeds dient in dit verband onderzocht te worden of er sprake is van een “fair balance” tussen enerzijds de belangen van het individu en anderzijds de belangen van de staat, waarbij niet uit het oog kan worden verloren dat de staat een zekere mate van beoordelingsvrijheid toekomt (o.a. Evans/het Verenigd Koninkrijk, EHRM [GC] 10 april 2007, no. 6339/05, r.o. 75 en Johansson/Finland, EHRM 6 september 2007, no. 10163/02 r.o. 29).

Een ander vraagstuk betreft de namenreeksen, die in het namenrecht altijd een uitdaging vormen. Ze zijn namelijk onverenigbaar met het Nederlandse systeem van naamgeving, waarin een of meer voornamen worden gegeven, gevolgd door de geslachtsnaam. De volgende zaak met betrekking tot namenreeksen heeft de Rechtbank Noord-Holland begin 2016 (20 januari 2016, (ECLI:NL:RBNHO:2016:2096) (FJR 2017/18.4) waarschijnlijk vele hoofdbrekens gekost.

Bij de aangifte van de geboorte van de kinderen is Somalisch namenrecht toegepast en hebben de kinderen een namenreeks gekregen.

De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft gesteld dat de moeder, als ongehuwde Somalische vrouw, naar Somalisch recht haar nationaliteit niet kan doorgeven aan haar kinderen. Op de geboorteakte van de kinderen had Nederlands namenrecht moeten worden toegepast, het recht van hun gewone verblijfplaats (artikel 10:16 BW). De officier vraagt nu om de geboorteakte van de kinderen te verbeteren. De namenreeks van de kinderen zoals vermeld in het vakje “naam” dient vervangen te worden door “-”. Deze namenreeks moet worden opgenomen in het vakje “voornamen” en bij “geslachtnaam” dient “-” komen te staan.

De rechtbank stelt in haar beschikking vast dat de moeder, gezien de overgelegde stukken van de IND, vermoedelijk de Somalische nationaliteit heeft.

De ambtenaar heeft gesteld dat de moeder als ongehuwde Somalische vrouw niet de Somalische nationaliteit aan haar kinderen kan doorgeven. Dit wordt bevestigd in de door de rechtbank geraadpleegde Bergmann/Ferid (98. Lieferung, Somalia, pagina 3). Nu over de vader van de kinderen niets bekend is, kan de nationaliteit van de kinderen dus niet worden vastgesteld. Op grond van artikel 10:16 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geldt voor degene wiens nationaliteit niet kan worden vastgesteld of die staatloos is als zijn nationale recht het recht van de staat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft. Dit betekent dat het Nederlands namenrecht van toepassing is nu de kinderen in Nederland zijn geboren en zij hier hun gewone verblijfplaats hebben.

In het Nederlands namenrecht hebben de kinderen in beginsel een voornaam en een achternaam. Vaststaat dat een namenreeks naar Nederlands namenrecht niet als geslachtsnaam aan een kind kan worden gegeven maar slechts als voornamen. Dat betekent dat het verzoek van de officier tot wijziging van de geboorteaktes in beginsel toewijsbaar is.

De officier verzoekt de aktes zo te wijzigen dat de namenreeks als voornamen wordt opgenomen, hetgeen betekent dat de kinderen dan geen geslachtsnaam hebben. De rechtbank is echter van oordeel dat ieder kind recht heeft op een voornaam én een geslachtsnaam. Dit blijkt uit het bepaalde in titel 2 van boek 1 BW en met name uit de artikelen 1:5 lid 10 (opnemen voorlopige voornamen en geslachtsnaam als de ouders onbekend zijn) en 1:7 BW (verzoek aan de Koning om voornamen of geslachtsnaam vast te stellen indien deze ontbreken).

Het recht op voornamen en een geslachtsnaam wordt voorts beschermd door artikel 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en artikel 8 van het EVRM, in die zin dat de voornamen en de geslachtsnaam betrekking hebben op het privé- en gezinsleven, aangezien zij een middel vormen om personen te identificeren binnen hun familie en in de samenleving. Het is immers de naam, zowel de geslachtsnaam als de voornaam, waardoor een persoon in het maatschappelijk verkeer zijn identiteit verkrijgt. Nu, zoals hiervoor is overwogen, de geboorteaktes van beide kinderen op grond van het Nederlands namenrecht dienen te worden aangepast, acht de rechtbank het in het belang van de kinderen dat zij dan een voornaam en een geslachtsnaam krijgen. Een geslachtsnaam kan echter alleen bij Koninklijk Besluit (KB) worden gewijzigd of verleend en niet door de ambtenaar van de burgerlijke stand of door de rechter. Of en zo ja, wanneer, de moeder een naturalisatieverzoek zal indienen is niet bekend. Dit zou betekenen dat de kinderen voor onbepaalde tijd zonder geslachtsnaam door het leven zouden moeten en de rechtbank acht dit niet in hun belang.

Krachtens artikel 1:5 lid 10 BW is het in bepaalde gevallen mogelijk in afwachting van het Koninklijk Besluit waarin de voornamen en de geslachtsnaam van het kind worden vastgesteld, een voorlopige voornamen en geslachtsnaam in de geboorteakte op te nemen. De rechtbank ziet aanleiding met analoge toepassing van dit artikel te bepalen dat in afwachting van een door de moeder in te dienen naturalisatieverzoek en een daaruit voortvloeiend KB omtrent de voornaam en geslachtsnaam van haar en de kinderen, voor beide kinderen een voorlopige geslachtsnaam en een voorlopige voornaam in de geboorteakte wordt opgenomen.

Uit de door de moeder aangepaste verklaringen tot toestemming van de onderhavige verzoeken leidt de rechtbank af dat zij thans al voornamen gebruikt voor de kinderen en dat zij ook wenst dat hun voornamen aldus komen te luiden. De rechtbank bepaalt de voorlopige voornamen en de geslachtsnaam van de kinderen en dat deze in de geboorteakte zullen worden opgenomen.

Wijziging van de geslachtsnaam

Verzoeken tot wijziging van de geslachtsnaam gaan eerst via de staatssecretaris en kunnen, indien zij niet worden ingewilligd, na afgewezen bezwaar aan de rechtbank, Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden voorgelegd. Hoger beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State. Op 2 november 2016 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak (ECLI:NL:RVS:2016:2884) (FJR 2017/18.5) waarin een biologische vader heeft gesteld dat hij niet uit vrije wil heeft ingestemd met de door de voogd (Stichting Bureau Jeugdzorg) verzochte wijziging van de geslachtsnaam van zijn minderjarige kind, dat in een pleeggezin opgroeit. Volgens appellant is zijn kind gemanipuleerd door haar pleegouders en is haar instemming onder druk tot stand gekomen. Hij stelt dat zijn kind van hem wordt weggehouden. Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder c, van het Besluit houdende Regels voor de geslachtsnaamwijziging, verder te noemen “het Besluit Geslachtsnaamwijziging”, wordt op eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder gewijzigd in de geslachtsnaam van een persoon die anders dan als ouder de minderjarige tezamen met een ander als behorende tot het gezin gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek heeft verzorgd en opgevoed. Ingevolge het vierde lid, onder c, van hetzelfde artikel 3 van het Besluit Geslachtsnaamwijziging, wordt het verzoek afgewezen, indien een ouder weigert in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamwijziging van de minderjarige van twaalf jaren of ouder, tenzij deze minderjarige bij zijn instemming blijft. Voorafgaand aan de procedure bij de rechtbank, heeft het kind schriftelijk ingestemd met haar geslachtsnaamwijziging. Daarbij heeft zij toegelicht dat zij zonder de geslachtsnaam van haar pleeggezin het gevoel heeft niet volledig deel uit te maken van het gezin waarin zij reeds enkele jaren is opgegroeid. Vervolgens heeft de vader geweigerd in te stemmen met de geslachtsnaamwijziging van zijn kind. Daarop heeft het kind schriftelijk verklaard bij haar instemming te blijven. De staatssecretaris heeft de aanvraag om geslachtsnaamwijziging ingewilligd. In het kader van de bezwaarprocedure heeft het kind schriftelijk verklaard bij haar instemming te blijven. Het bezwaar is door de staatssecretaris ongegrond verklaard. Bij Koninklijk Besluit van 17 juni 2015 is de geslachtsnaam van het kind gewijzigd.

De zaak komt in hoogste instantie terecht bij de ABRvS, die de overweging van de rechtbank volgt dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het kind geen geslachtsnaamwijziging wil of dat zij daarmee onder onaanvaardbare druk van de pleegouders heeft ingestemd. Dat dit het geval zou zijn, is op grond van hetgeen appellant heeft aangevoerd niet aannemelijk geworden. De rechtbank heeft daarom terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de staatssecretaris de aanvraag om geslachtsnaamwijziging ten onrechte heeft ingewilligd. Het betoog faalt.

Aan andere grond om een geslachtsnaam te wijzigen, is als deze is gebaseerd op een misslag, die op grond van artikel 1:24, eerste lid, BW voor verbetering in aanmerking komt. Een mooi voorbeeld hiervan is te vinden in de beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 maart 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:790) (FJR 2017/18.6), die al is gepubliceerd in FJR 2014/57.11. Het hof stelt vast dat de vader van de appellante enkel de Britse nationaliteit heeft, zodat voor de officiële geslachtsnaam van de vader moet worden afgegaan op de door de Britse autoriteiten afgegeven stukken, in welke stukken de geslachtsnaam van de vader op het eind zonder ‘s’ wordt geschreven. Nu de geslachtsnaam van appellante een misslag bevat, wordt deze op grond van artikel 1:24 BW gewijzigd.

Een andere grond waarop een geslachtsnaam kan worden gewijzigd is indien de naam op zichzelf of in verband met het beroep, de maatschappelijke positie of een persoonlijke hoedanigheid van de betrokkene kennelijk onwelvoeglijk of bespottelijk is (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit Geslachtsnaamwijziging). Een alternatieve grond voor inwilliging van het verzoek is als de verzoeker aantoont dat het achterwege blijven van de geslachtsnaamwijziging de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de betrokkene in ernstige mate zou schaden (artikel 6 Besluit Geslachtsnaamwijziging). Deze gronden zijn getoetst door de Raad van State in zijn uitspraak van 25 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3599) (FJR 2017/18.7). De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris de aanvraag van appellant om wijziging van zijn geslachtsnaam terecht heeft afgewezen. De rechtbank heeft hierbij betrokken dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de naam van appellant op zichzelf of in verband met het beroep, de maatschappelijke positie of de persoonlijke hoedanigheid kennelijk onwelvoeglijk of bespottelijk is. In hoger beroep stelt de appellant dat de rechtbank onvoldoende acht heeft geslagen op het gegeven dat de naam van appellant als deze los wordt gebruikt in de Arabische of Berberse vertaling ook een negatieve betekenis kan hebben. Appellant herhaalt in hoger beroep dat hij zich gekwetst voelt als er beledigend over zijn naam wordt gesproken. Hij wijst voorts op een mogelijke wetswijziging waarbij bijzondere belangen aanleiding kunnen zijn voor toepassing van artikel 6 van het Besluit Geslachtsnaamwijziging. Daartoe voert hij aan dat zijn naam in Marokko inmiddels wel is gewijzigd in [naam] waardoor de maatschappelijk onwenselijke situatie is ontstaan dat hij nu in Nederland een andere naam heeft dan in Marokko, waardoor problemen kunnen ontstaan bij het verkrijgen van erfenissen en bij de vererving van zijn eigen nalatenschap.

De RvS overweegt dat in het Besluit Geslachtsnaamwijziging de gronden zijn neergelegd op basis waarvan tot naamswijziging kan worden overgegaan. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen vloeit uit de tekst van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit Geslachtsnaamwijziging en uit de bijbehorende nota van toelichting voort dat beoogd is de maatstaf ‘onwelvoeglijk’ of ‘bespottelijk’ te objectiveren. Naamswijziging kan niet worden verkregen uitsluitend op basis van het oordeel of gevoel van de betrokkene zelf. De onwelvoeglijkheid of bespottelijkheid moet door eenieder, als hij deze geslachtsnaam zou hebben, zo gevoeld kunnen worden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat in het geval van appellant niet zodanige objectieve gronden bestaan. Uit de door appellant overgelegde vertaling van zijn naam blijkt dat het Arabische woord vier betekenissen heeft, te weten blaasinstrument, claxon, spreekbuis en eileider. Tevens blijkt uit deze vertaling dat de geslachtsnaam van appellant in het Arabisch en in het Berbers ook een negatieve betekenis kan hebben, zoals herriemaker, kletspraat en meeloper. Naar het oordeel van de ABRvS volgt uit deze vertaling niet dat de geslachtsnaam van appellant in die talen een overwegend negatieve betekenis heeft. Het kan in deze talen weliswaar een negatieve betekenis hebben, maar dit is afhankelijk van de zin en de context waarin het woord wordt gebruikt. Het woord heeft primair een neutrale, alledaagse betekenis. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het enkele feit dat het woord in een bepaalde context ook een negatieve betekenis kan hebben onvoldoende is voor het oordeel dat de staatssecretaris ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat niet is voldaan aan het criterium neergelegd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit Geslachtsnaamwijziging.

De rechtbank heeft voorts, aldus de RvS, terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 6 van het Besluit Geslachtsnaamwijziging. Dit artikel kan worden toegepast indien geen andere gronden aanwezig zijn om tot naamswijziging over te gaan en de betrokkene aantoont dat het achterwege blijven van de geslachtsnaamwijziging zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid in ernstige mate zou schaden.

Nadat appellant tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft medegedeeld dat hij psychische hinder ervaart ten gevolge van zijn geslachtsnaam, is hij in de gelegenheid gesteld om de daarvoor benodigde schriftelijke verklaring van een onafhankelijke deskundige over te leggen en is hem daartoe de Bijsluiter psychologische hinder verstrekt en een termijn gegund. Bij brief van 16 juni 2014 heeft appellant medegedeeld dat hij van de hem geboden mogelijkheid geen gebruikmaakt en hij heeft gewezen op het feit dat hij is geadopteerd. In de bijlage bij de Bijsluiter psychologische hinder staat dat het invullen van een schriftelijke verklaring door een onafhankelijke deskundige niet is vereist in de gevallen waarin de betrokkene is geadopteerd en in plaats van zijn geadopteerde naam zijn oorspronkelijke naam wil aannemen. Voor een beroep op deze uitzondering is nodig dat zowel de adoptie als de oorspronkelijke naam door de verzoeker van de naamswijziging wordt aangetoond. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant niet heeft aangetoond dat hij is geadopteerd en wat zijn oorspronkelijke naam is. De door appellant eerst in hoger beroep overgelegde overlijdensakte toont dit evenmin aan. Deze akte ziet weliswaar op een persoon met de door hem gewenste naam, maar hiermee is niet aangetoond dat deze persoon de vader is van appellant en ook niet dat deze naam de oorspronkelijke naam van appellant is. De onmogelijkheid de adoptie aan te tonen kan voorts, anders dan appellant beoogt, niet leiden tot toepassing van de uitzondering op het vereiste een schriftelijke verklaring van een onafhankelijke deskundige over te leggen om toepassing te kunnen geven aan artikel 6 van het Besluit Geslachtsnaamwijziging.

Voor zover appellant betoogt dat zijn verzoek dient te worden ingewilligd door te anticiperen op een in 2010 ingediend wetsvoorstel tot wijziging van artikel 6 van het Besluit Geslachtsnaamwijziging overweegt de ABRvS dat in 2010 geen voorstel tot wijziging van het Besluit Geslachtsnaamwijziging is ingediend, zodat dit reeds daarom niet mogelijk is.

In de uitspraak van de Raad van State op 16 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3020) (FJR 2017/18.8) werd in gelijke zin geoordeeld. Appellant heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft getoetst of zijn geslachtsnaam op zichzelf bezien kennelijk bespottelijk is. Appellant voert daartoe aan dat de rechtbank had moeten toetsen of zijn geslachtsnaam in verband met zijn persoonlijke hoedanigheid als lid van de Surinaams-hindoestaanse gemeenschap in Nederland kennelijk bespottelijk is. Gezien hetgeen de ABRvS eerder (onder meer de uitspraak van 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3599) heeft overwogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat uit de tekst van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit Geslachtsnaamwijziging en de nota van toelichting bij het Besluit Geslachtsnaamwijziging, voortvloeit dat beoogd is de maatstaf ‘bespottelijk’ te objectiveren. Naamswijziging kan niet worden verkregen uitsluitend op basis van het oordeel of gevoel van de betrokkene zelf. De onwelvoeglijkheid of bespottelijkheid moet door eenieder, als hij deze geslachtsnaam zou hebben, zo gevoeld kunnen worden. Appellant heeft in het woordenboek de woorden ‘bhaage’, als enige betekenis van het werkwoord vluchten en als tweede betekenis van het werkwoord ontvluchten, ‘[…]’, als enige betekenis van het zelfstandig naamwoord vluchteling, en ‘oe’, als betekenis van het persoonlijk voornaamwoord hij, gemarkeerd. Appellant heeft in de door hem op schrift gestelde vervoeging van het werkwoord vluchten het woord ‘gevlucht’ gemarkeerd in de zin van ‘hij is gevlucht’, dat hij heeft vertaald als ‘wo bhagel’. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat in het geval van appellant geen objectieve gronden in de hiervoor onder 4.1 bedoelde zin bestaan om zijn geslachtsnaam bespottelijk te achten. Het woordenboek noch de door appellant op schrift gestelde vervoeging van het werkwoord vluchten, maakt melding van het woord ‘[…]’. Voor zover ervan moet worden uitgegaan dat de betekenis daarvan vluchten of ontvluchten is, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat deze betekenis agressief of denigrerend is. Datzelfde geldt ten aanzien van de stelling dat het woord ‘[…]’, gezien zijn betekenis, als een scheldwoord moet worden aangemerkt. In de omstandigheid dat appellant als kind met zijn geslachtsnaam is gepest, hoe betreurenswaardig dat ook is, ligt derhalve geen objectieve grond voor het oordeel dat zijn geslachtsnaam bespottelijk is in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit Geslachtsnaamwijziging. Dat zijn geslachtsnaam geen positieve associaties bij leden van de Surinaams-hindoestaanse gemeenschap in Nederland oproept, is, wat daarvan ook zij, niet bepalend bij de beoordeling of een geslachtsnaam kennelijk bespottelijk is.

Bovenstaande twee uitspraken zijn gebaseerd op de toelichting behorende bij de richtlijnen voor geslachtsnaamwijziging 1989. Kennelijk onwelvoeglijk of bespottelijk duiden op een objectivering. De onwelvoeglijkheid of bespottelijkheid moet derhalve door eenieder, als hij of zij de desbetreffende geslachtsnaam zou hebben, zo gevoeld kunnen worden, niet alleen op basis van het oordeel of gevoel van de betrokkene zelf. De richtlijn geeft verder aan dat soms op basis van deze regel verzoeken worden ingediend worden door personen die stellen dat zij in verband met innerlijke conflicten van hun naam verlost willen worden. Wanneer er uiterlijk niets op de naam valt af te dingen, zullen deze verzoeken in beginsel worden afgewezen. De grond van het verzoek is dan immers niet in de naam gelegen. In bijzondere gevallen kan een naam wanneer deze duidelijke associaties opwekt met nationaal of internationaal te slechter faam bekendstaande personen als hinderlijk worden aangemerkt. Er is geen sprake van hinder als de naam veel voorkomt. Denk in dit verband aan de naam “Hoessein”. Verder wordt in de richtlijn in dit verband nog genoemd dat in het algemeen geen grond voor wijziging is dat naamswijziging wordt verzocht door drager van een op zichzelf volstrekt aanvaardbare namen omdat zij menen dat deze naam hen hindert door het onwelwillende gebruik dat anderen ervan maken. Het laat zien dat het bepaald niet eenvoudig is op deze gronden een wijziging van de geslachtsnaam te bewerkstelligen. Zie in dit verband ook een de uitspraak d.d. 6 januari 1989 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die door H. Lenters is aangehaald in “De familie geregeld”, Preadvies KNB, p. 31 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 26 september 2012, LJN BW1569.

Het Besluit Geslachtsnaamwijziging geeft niet alleen nadere regels met betrekking tot de gronden waarop de geslachtsnaamwijziging kan worden verleend, maar ook regels over de wijze van indiening en de behandeling van dergelijke verzoeken. Op grond van artikel 3 lid 1 van het Besluit Geslachtsnaamwijziging kan op eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder gewijzigd. Het vierde lid van dit artikel bepaalt onder c dat dit verzoek wordt afgewezen indien een ouder weigert in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamwijziging van de minderjarige van twaalf jaren of ouder, tenzij deze minderjarige bij zijn instemming blijft. De moeder van twee kinderen, geboren in respectievelijk 2001 en 2006, is in beroep gekomen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (beschikking van 18 november 2016, (ECLI:NL:GHARL:2016:9072) (FJR 2017/18.9) van een oordeel van de rechtbank waarbij haar verzoek om vervangende toestemming op basis van artikel 1:253a BW is afgewezen om namens de kinderen een verzoekschrift strekkende tot geslachtsnaamwijziging bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie in te dienen.

De man en de vrouw zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen, die bij de moeder wonen en vrijwel geen contact hebben met de vader. Nadat partijen in 2005 – toen kinderen respectievelijk 4 en 2 jaar oud waren – uit elkaar zijn gegaan, hebben de kinderen eerst enige tijd zowel de naam de vader als de moeder naast elkaar gebruikt. Sinds de geboorte van hun halfzusje in november 2008, die de achternaam van de moeder als geslachtsnaam heeft, hebben de kinderen regelmatig de wens geuit dat zij ook de achternaam van de vrouw willen dragen. De vrouw heeft in dat verband onweersproken gesteld dat de kinderen in cognitief opzicht hun leeftijd vooruit zijn en al gedurende langere tijd nadenken over hun achternaam. In 2012 hebben de kinderen er definitief voor gekozen om in de praktijk alleen de naam de moeder te gebruiken.

De moeder heeft ter ondersteuning van haar verzoek een beroep gedaan op de rechtstreekse werking van artikel 3 IVRK, hetgeen tot toetsing van het verzoek aan artikel 3 Besluit Geslachtsnaamwijziging zou moeten leiden. Het gerechtshof oordeelt dat dit niet mogelijk is, aangezien het besluit zich richt tot de Koning en toetsing is voorbehouden aan de Koning. Omdat de wettelijke vertegenwoordigers van de kinderen van mening verschillen over een eventuele wijziging van de geslachtsnaam van de kinderen is er sprake van een geschil omtrent de gezamenlijke gezagsuitoefening, dat beoordeeld dient te worden op grond van artikel 1:253a BW. Dit artikel vormt voor de burgerlijke rechter een zelfstandig toetsingskader. De burgerlijke rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt bovendien dat hoezeer het belang van het kind een overweging van eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Dit betekent dat het hof weliswaar rekening houdt met de omstandigheid dat artikel 3 van het Besluit Geslachtsnaamwijziging het primaat legt bij de mening van de minderjarige van 12 jaar of ouder, maar dat dit binnen het toetsingskader van artikel 1:253a BW niet van doorslaggevende betekenis hoeft te zijn. Het staat vast derhalve dat de kinderen al gedurende langere tijd in hun dagelijks leven in alle gevallen waarin het voeren van de officiële geslachtsnaam niet verplicht is, de naam van de vrouw gebruiken en dat zij ook onder die naam bekend zijn op school en in hun omgeving.

Voorts staat vast dat de kinderen reeds sinds begin 2007 geen omgang en/of contact meer hebben gehad met de man. Beide kinderen hebben in het kindgesprek aangegeven op dit moment ook geen behoefte te hebben aan omgang en/of contact met de man en dat zij de naam van de moeder willen blijven gebruiken. De man heeft ter zitting de hoop uitgesproken dat in de toekomst er wel weer omgang en/of contact zal plaatsvinden. Tevens heeft de man aangegeven dat het dragen van zijn achternaam voor de kinderen de laatste verbinding met hem is. Het hof volgt de man niet hierin. De man zal immers altijd, ongeacht welke geslachtsnaam de kinderen zullen gebruiken en/of dragen, de biologische vader van de kinderen blijven. Bovendien heeft hij het ouderlijk gezag over de kinderen en blijft hij ook daardoor extra verbonden met zijn kinderen doordat hij bijvoorbeeld informatie van de school kan krijgen, van welke mogelijkheid de man ook gebruikt maakt, zo heeft hij ter zitting verklaard. Het hof heeft tijdens het gesprek ook de stellige indruk gekregen dat de kinderen de consequenties van een geslachtsnaamwijziging voldoende overzien en dat het hun weloverwogen mening is, waarbij niet alleen praktische belangen een rol spelen maar ook – en vooral – een gevoelsaspect. Naar het oordeel van het hof is het in het belang van de kinderen dat zij zich gehoord voelen en erkend worden in hun wens om niet alleen in de praktijk maar ook op officiële documenten (bijvoorbeeld hun schooldiploma) de naam van de moeder te mogen gebruiken. Het hof zal de vrouw vervangende toestemming verlenen voor de indiening van een verzoek tot geslachtsnaamwijziging bij de Koning.

Wijziging geslachtsnaam ongewenst gevolg ontkenning vaderschap

In een niet gepubliceerde uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland gedaan op 1 maart 2016 (C/18/159997/FA RK 15-2787) was de ontkenning van het vaderschap van X gegrond verklaard. X was de juridische vader van M, inmiddels zelf vader van drie kinderen, verneemt in juni 2015 dat hij – door de ontkenning van het vaderschap van X – de geslachtsnaam van zijn moeder krijgt, met als gevolg dat zijn kinderen ook een andere geslachtsnaam zullen krijgen. De naamswijziging is door de gemeente nog niet geëffectueerd. M verzoekt de gemeente te bepalen dat hij de geslachtsnaam X zal behouden; een naam die hij al 44 jaar draagt en waaronder hij bekend is bij vrienden, bekenden en relaties. Naamswijziging zal grote problemen opleveren, niet in het minst voor zijn bedrijf, waardoor financiële schade niet uitgesloten is. Daar komt bij, zo betoogt M, dat zijn kinderen niet op de hoogte zijn van een eventuele geslachtsnaamwijziging en dat ook zijn ex-vrouw van mening is dat de kinderen de naam X moeten behouden. X stemt in met het verzoek van M. Ook hij is van mening dat de kinderen van M zijn naam mogen blijven dragen.

De rechtbank overweegt dat M is geconfronteerd met de rechtsgevolgen van de in kracht van gewijsde gegane beschikking waarin de ontkenning van het vaderschap van X gegrond is verklaard. Deze rechtsgevolgen behelzen niet alleen het verbreken van de familierechtelijke betrekking met X, maar ook een naamswijziging ex artikel 1:5 BW, zodat hij de geslachtsnaam van zijn moeder verkrijgt. M was hiervan niet op de hoogte; zijn advocaat had hem evenmin van de rechtsgevolgen van die procedure op de hoogte gebracht. De beschikking heeft derhalve niet alleen rechtsgevolgen voor zijn kinderen, die immers dezelfde geslachtsnaam dragen. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 1:5 BW blijkt niet of de wetgever deze situatie heeft voorzien. De rechtbank overweegt dat, naast de problemen die M zal ervaren met zijn geslachtsnaamwijziging, het niet in het belang van de sociale en emotionele ontwikkeling van de kinderen is dat zij worden geconfronteerd met een geslachtsnaamwijziging. Alle betrokkenen gaan akkoord met behoud van de geslachtsnaam X. De rechtbank oordeelt dat het rechtsgevolg dat artikel 1:5 BW aan de toewijzing van het verzoek tot ontkenning van het vaderschap verbindt in dit geval aan die beslissing dient te worden onthouden. M en zijn kinderen mogen de geslachtsnaam X behouden.

Wellicht had de rechtbank hier nog een koppeling moeten maken met artikel 8 EVRM, nu door de belanghebbenden kennelijk een beroep wordt gedaan op de bescherming van hun privé- en gezinsleven.

FaLang translation system by Faboba