Kroniek Kinderalimentatie FJR 2017/11

FJR 2017/11

Kroniek Kinderalimentatie

Datum: 06-02-2017

Auteurs:  Mr. C. de Bie-Koopman & mr. P. Dorhout

Hoewel we de belangrijkste (en elkaar snel opvolgende) wijzigingen op het gebied van kinderalimentatie inmiddels gelukkig achter de rug hebben, heeft 2016 toch weer een aantal interessante uitspraken opgeleverd. De behandelde uitspraken zijn voorzien van een FJR-vindplaats (bijv. FJR 2017/11.1), waardoor de uitspraak ook online beschikbaar komt.

1. Behoefteverhogende kosten

In de tabelbedragen zijn alle normale kosten zoals kosten voor voeding en kleding begrepen. Bepaalde extra kosten zijn echter zo uitzonderlijk dat deze niet begrepen zijn in de standaardbedragen voor de kosten van kinderen. De tabelbedragen kunnen daarom in bepaalde gevallen worden gecorrigeerd. Correctieposten betreffen kosten die niet of onvoldoende in de gehanteerde kosten van kinderen zijn verdisconteerd en die bovendien niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten. Voorbeelden van kosten die volgens de expertgroep in aanmerking komen voor correctie zijn de kosten van de handicap van een kind, kosten van topsport, privélessen en extra hoge schoolgelden.

Het Gerechtshof Amsterdam ziet in zijn uitspraak van 10 mei 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:1843) (FJR 2017/11.1) aanleiding het tabelbedrag te corrigeren. Het betreffende kind speelt viool op hoog niveau. Niet in geschil is dat zij in het kader daarvan ongeveer 25 uur per week besteedt aan studie, lessen, repetities en optredens. Verder volgt uit de stukken dat daarvoor aanzienlijke kosten worden gemaakt. Gelet daarop is het hof van oordeel dat sprake is van bijzondere kosten die niet in de Nibudtabel zijn verdisconteerd en bovendien niet zijn te compenseren met andere uitgavenposten.

Ook de kosten van het stallen van een pony kunnen behoefteverhogend werken. De minderjarigen zijn na de echtscheiding ruitersport op hoog niveau gaan beoefenen en dit wordt door beide ouders ondersteund. De Rechtbank Noord-Holland merkt in haar beschikking van 18 mei 2016 de ruitersport van de minderjarigen daarom aan als een behoefteverhogende factor (ECLI:NL:RBNHO:2016:4066) (FJR 2017/11.2).

In de zaak die werd beoordeeld door het Gerechtshof Amsterdam op 19 juli 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:2922) (FJR 2017 11.3) leed de minderjarige aan klassiek autisme. De vrouw had allerlei extra kosten voor onder andere psychomotorische therapie, sport- en speltherapie en bijles, en kosten in verband met zindelijkheidsproblemen en boeken opgevoerd. Het hof gaat met de meeste kosten akkoord, en verhoogt de behoefte van het kind met € 886 per maand.

De vader die in de zaak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 juli 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:6917) (FJR 2017/11.4) probeerde om de door hem gemaakte reiskosten als behoefteverhogend aan te laten merken kreeg echter nul op het rekest. Het hof is van oordeel dat reiskosten in het kader van de zorgregeling niet tot de behoefte van een kind behoren. Naar het oordeel van het hof is ook overigens niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het redelijk zou zijn om naast de aan de zorgregeling verbonden verblijfskosten tevens rekening te houden met een bedrag aan reiskosten. Hieruit valt op te maken dat het onder bijzondere omstandigheden mogelijk moet zijn om met dergelijke extra kosten in rekening te houden.

2. Toepasselijkheid tabel

In 2014 is het hoogste tabelinkomen opgetrokken naar € 6.000 of meer. Het was tot op heden gebruik dat desondanks een bovengrens van € 5.000 (tabel 2013) moest worden gehanteerd, wanneer de ouders in 2013 of daarvoor uit elkaar waren gegaan. Het Gerechtshof Den Haag denkt daar in zijn beschikking van 25 mei 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2016:1890) (FJR 2017/11.5) anders over, en past de tabel van 2015 toe op ouders die in 2013 uit elkaar zijn gegaan. Het hof motiveert dit als volgt. Uit nader onderzoek is gebleken dat de behoefte van kinderen van ouders met een netto gezinsinkomen van meer dan € 6.000 per maand hoger is dan oorspronkelijk in de tabellen was verwerkt. Vanaf 2014 zijn die tabellen dan ook in die zin aangepast. Dit in acht genomen alsmede de omstandigheid dat het in deze zaak gaat om een eerste vaststelling van kinderalimentatie die ingaat in 2015, bepaalt het hof de behoefte van de kinderen aan de hand van de vigerende tabel 2015.

Op 13 januari 2016 had de Rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2016:767) (FJR 2017/11.6) al bepaald dat bij een hoog gezinsinkomen (in casu € 11.347 per maand) niet automatisch kan worden volstaan met de vaststelling dat in de tabelbedragen alle normale, in de desbetreffende inkomenscategorie redelijkerwijs te maken kosten van de kinderen zijn begrepen (zie ook HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3479). Dit geldt temeer nu bij de bepaling van de behoefte van kinderen het welvaartsniveau ten tijde van het huwelijk eveneens een rol speelt. Om die reden ligt het niet voor de hand dat de behoefte bij een netto maandinkomen van € 11.347 gelijk zou zijn aan de behoefte bij het hoogste in de tabel voorkomende netto maandinkomen van € 6.000 of meer. Met de vrouw acht de rechtbank het dan ook aannemelijk dat de kosten van de kinderen voormeld tabelbedrag van € 521 per kind per maand overstijgen. Het is echter aan de vrouw om, bij betwisting door de man, die hogere behoefte te onderbouwen en te bewijzen.

3. Werkelijke lasten in plaats van forfaitaire

Het hanteren van forfaitaire normen bevordert het gebruiksgemak, maar wordt veelal als onredelijk ervaren wanneer de werkelijke lasten veel lager zijn. Het Gerechtshof Den Haag 29 juni 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:2310) (FJR 2017/11.7) is het daarmee eens. De Advocaat-Generaal (A-G) heeft in zijn conclusie bij de beschikking van de Hoge Raad van 24 oktober 2014 (ECLI:NL:PHR:2014:1908) de contouren aangegeven waarbinnen het forfaitair systeem kan worden gebruikt. Hij heeft daarin onder meer overwogen:

“Over de wenselijkheid van het in aanmerking nemen van forfaitaire woonlasten bij de vaststelling van kinderalimentatie kan men verschillend denken. Enerzijds kan het tot onbegrip leiden als de alimentatie niet aansluit bij de werkelijke draagkracht zoals betrokkenen die percipiëren. Nog daargelaten dat, althans in het geval dat de werkelijke woonlasten hoger zijn dan de forfaitaire woonlasten, een beroep op de aanvaardbaarheidstoets de justitiabele soelaas zou kunnen bieden, zijn aan een forfaitaire norm als die met betrekking tot de woonlasten onmiskenbaar ook voordelen verbonden. Een dergelijke norm vergroot de voorspelbaarheid van de hoogte van kinderalimentatie (hetgeen mede van belang is indien partijen daarover buiten rechte willen overeenkomen) en maakt een eenmaal vastgestelde alimentatie minder gevoelig voor wijzigingen in de woonsituatie van de betrokken onderhoudsplichtige. Bij dit alles blijft uiteraard randvoorwaarde dat de vaststelling van de kinderalimentatie, mede op basis van forfaitaire woonlasten, aan de wettelijke maatstaven zal moeten voldoen. Naar mijn mening is het niet bij voorbaat in strijd met de wet als de alimentatierechter bij de vaststelling van kinderalimentatie redelijk te achten, forfaitaire woonlasten hanteert, ook niet voor zover die forfaitaire woonlasten de actuele, werkelijke woonlasten van de onderhoudsplichtige overstijgen.”

Kinderalimentatie heeft maatschappelijk gezien een zeer hoge prioriteit, aldus het hof. Bij de vaststelling van kinderalimentatie dient de alimentatierechter in beginsel rekening te houden met alle feiten en omstandigheden van het geval. Dit laatste brengt niet met zich mede, zoals ook door de A-G overwogen, dat het in strijd is met het wettelijke kader indien de alimentatierechter bij de bepaling van de draagkracht rekening houdt met forfaitaire normen omdat niet iedere post met betrekking tot de draagkracht kan worden vastgesteld. Het hof geeft vervolgens aan wanneer het forfaitaire rekensysteem niet kan worden gehanteerd, te weten: indien (i) de werkelijke lasten van de alimentatieplichtige aanmerkelijk lager zijn; en (ii) uitsluitend als gevolg van deze rekenmethode niet meer in de (volledige) behoefte van het kind of de kinderen kan worden voorzien.

Het Gerechtshof Den Haag wijkt ook in zijn uitspraak van 15 juni 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:1736) (FJR 2017/11.8) af van de richtlijnen van het tremarapport, en wel met betrekking tot de zorgkorting. Het hof overweegt dat krachtens vaste rechtspraak van de Hoge Raad het tremarapport geen recht is in de zin van artikel 79 RO. In het kader van de rechtseenheid en in het kader van de voorspelbaarheid van rechterlijke uitspraken is de rechtzoekende in het algemeen gebaat indien de rechter bij de vaststelling van kinderalimentatie zijn oordeel zal formuleren conform de richtlijnen van het tremarapport. Op grond van artikel 1:404 BW zijn de ouders echter verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. De wetgever gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de onderhoudsgerechtigde uit van maatwerk. In dit geschil staat de vraag centraal of de vaststelling van de kinderalimentatie op basis van het forfaitaire stelsel past binnen het wettelijke kader. De man bepleitte toepassing van een zorgkorting van 15%. Gelet op het aantal dagen dat hij de zorg voor de kinderen heeft, is dit percentage overeenkomstig de aanbeveling in het Rapport Alimentatienormen. Het hof overwoog echter dat, als een zorgkorting van 15% in aanmerking zou worden genomen, een volslagen scheve verhouding zou ontstaan in de door de ouders te betalen bijdrage, terwijl de verdeling van de zorgtaken niet substantieel is gewijzigd. Het hof heeft vastgesteld dat de draagkracht van de man in 2015 hoger is dan in 2009 en dat de draagkracht van de man in 2016 lager is dan in 2015. In absolute zin is de draagkracht van de man substantieel hoger dan die van de vrouw in 2015, 66% versus 34%. De verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding van de twee kinderen, zonder daarbij rekening te houden met de zorgkorting, leidt ertoe dat de man in 2015 66% en de vrouw 34% bijdraagt. Indien de zorgkorting van 15% in aanmerking wordt genomen, is de verhouding in de bijdragen 51% man en 49% vrouw. Voor de periode 1 januari 2016 tot 30 april 2016 is de draagkracht 62% man en 38% vrouw, de verdeling van de kosten voor toepassing van de zorgkorting is 62% man en 38% vrouw en na toepassing van de zorgkorting 47% man en 53% vrouw. Het hof acht het dan ook redelijk om in dit specifieke geval rekening te houden met een zorgkorting van 5%, nu de man het meerdere – gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw – niet heeft onderbouwd. Een percentage van 5% past meer bij de werkelijk door de man te maken kosten.

4. Behoefte meerderjarige kinderen die bijverdienen

Anders dan voor minderjarigen is voor de berekening van de behoefte van studerende meerderjarige kinderen in de leeftijd van achttien tot eenentwintig jaar nog geen systeem ontwikkeld. Doorgaans wordt om die reden voor deze studerende meerderjarige kinderen voor de behoeftebepaling aansluiting gezocht bij de zogenoemde WSF-norm (Wet op de studiefinanciering) waarin bedragen zijn verdisconteerd voor levensonderhoud, ziektekosten en studiekosten.

Het Gerechtshof Amsterdam vond op 9 februari 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:428) (FJR 2017/11.9) dat de jong-meerderjarige, die blijkens haar aanslag IB 2013 en aangifte IB 2014 die jaren gemiddeld respectievelijk € 247 en € 156 per maand verdiende, en ter zitting in hoger beroep meedeelde dat zij van februari 2015 tot juni 2015 een stagevergoeding had ontvangen van € 200 per maand, met deze inkomsten in vergelijking met haar behoefte substantiële bedragen had verdiend. Omdat zij nog stond ingeschreven bij een entertainmentbureau en ook nog wel dansopdrachten kreeg had de jong-meerderjarige naar het oordeel van het hof, de stelling van de man, dat ervan kan worden uitgegaan dat zij geheel of gedeeltelijk in haar behoefte kan voorzien, onvoldoende betwist. De enkele stelling dat zij in april 2014 gestopt was met verschillende baantjes omdat zij zich meer op haar studie wilde richten was hiervoor onvoldoende. Het had op haar weg gelegen om met stukken te onderbouwen dat zij sedert april 2014 (ook elders) niet meer in loondienst werkzaam was. Het hof brengt vervolgens € 150 per maand in mindering op de behoefte.

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch stelt op 7 april 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:1329) (FJR 2017/11.10) voorop dat op grond van artikel 1:392 BW juncto artikel 1:395a BW een verlengde onderhoudsplicht voor ouders jegens hun jong-meerderjarige kinderen van 18 tot 21 jaar geldt, ongeacht hun behoeftigheid. Alleen indien sprake is van substantiële (bij)verdiensten, wordt met deze eigen inkomsten bij de behoeftebepaling rekening gehouden. In de hierboven vermelde uitspraak van het Hof Amsterdam valt te lezen waar bij “substantieel” aan kan worden gedacht.

De jong-meerderjarige, die eerst wel een bijbaan had, maar later niet meer, kan volgens het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn uitspraak van 6 september 2016 niet worden verplicht weer een baantje te zoeken. De onderhoudsverplichting van een ouder jegens zijn (jong-meerderjarige) kind geldt onafhankelijk van de vraag of er sprake is van behoeftigheid. Een jong-meerderjarige is niet verplicht in het eigen onderhoud te voorzien (ECLI:NL:GHARL:2016:7362) (FJR 2017/11.11).

5. Draagkracht

In beginsel wordt voor de bepaling van de hoogte van de kinderalimentatie de bij de onderhoudsplichtige ouder aanwezige draagkracht verdeeld onder alle kinderen voor wie deze ouder een wettelijke onderhoudsverplichting heeft. De Rechtbank Noord-Holland oordeelde in haar beschikking van 20 april 2016 (ECLI:NL:RBNHO:2016:3147) (FJR 2017/11.12) dat de omstandigheden van het geval zo bijzonder waren dat van deze regel diende te worden afgeweken. De onderhoudsplichtige vader leefde sinds 2010 samen met zijn partner die zelf kinderen had van een andere vader. In dit geval stond het vast dat deze kinderen van hun eigen vader financieel noch anderszins iets te verwachten hebben, en dat het de man was die hen thans feitelijk onderhield. Onder deze omstandigheden oordeelde de rechtbank dat het redelijk was om de aanwezige draagkracht ook te verdelen onder deze kinderen voor wie de man wettelijk niet onderhoudsplichtig was.

Op grond van het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen dient een ouder met tenminste € 25 per kind per maand bij te dragen in de kosten van de kinderen waarvoor de ouder alimentatieplichtig is. Het Gerechtshof Den Haag oordeelt in zijn beschikking van 31 augustus 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:2571) (FJR 2017/11.13) echter dat de alimentatieplichtige moeder een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt, hetgeen betekent dat zij niet in de kosten van haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de vrouw dan ook geen draagkracht heeft om een bijdrage te leveren in de kosten van de kinderen. Het beroep van de wederpartij op het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen kan niet baten. Immers die richtlijnen vormen geen recht in de zin van artikel 79 van de Wet op de rechterlijke organisatie, maar geven slechts aanbevelingen onder meer ter bevordering van landelijke uniformiteit. Een en ander neemt volgens het hof niet weg dat artikel 1:397, eerste lid BW bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon. Het hof wijst daarom het verzoek om een bijdrage van € 25 per kind per maand vast te stellen af.

6. Stiefouders

Stiefouders zijn op grond van artikel 1:395a van het BW onderhoudsplichtig ten opzichte van de tot hun gezin behorende kinderen. In de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 juli 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:5819) (FJR 2017/11.14) gaat het om de vraag wanneer kinderen nog tot het gezin van de stiefouder behoren, zodat de wettelijke onderhoudsverplichting nog geldt. Het hof oordeelde dat het begrip ‘tot het gezin behoren’ in beginsel ruim dient te worden uitgelegd. Uit de parlementaire geschiedenis ten aanzien van artikel 1:395a BW volgt dat een kind dat in een andere stad studeert (of een kostschool bezoekt) nog altijd deel kan uitmaken van het gezin. De plaats waar het kind wordt opgevoed is niet doorslaggevend (Parl. Gesch. BW Boek 1 1962, p. 769, Parl. Gesch. BW Inv. Boek 1 1969, p. 1431). In het onderhavige geval is het hof van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat het kind na zijn vertrek in juli 2013 nog langer deel is blijven uitmaken van het gezin van de moeder en de stiefvader. Het hof acht hierbij van belang dat het kind na de echtscheiding in 2003 afwisselend woonachtig is geweest bij de vader en de moeder en extern via Bureau Jeugdzorg. Sinds 2008 verbleef het kind bij de vader en is ook zijn hoofdverblijfplaats bij de vader bepaald. Het kind heeft daar vier jaar verbleven, waarna hij anderhalf jaar bij de moeder heeft gewoond. De moeder heeft het kind na een conflict in juli 2013 verteld dat hij niet langer bij haar kon wonen als hij zijn egocentrische gedrag niet zou wijzigen. Het kind heeft sindsdien verbleven bij de ouders van zijn vriendin of bij zijn tante (vaderszijde). Hij woont thans geheel zelfstandig. Het kind is steeds in contact gebleven met de vader. Met de moeder en de stiefvader heeft het kind helemaal geen contact meer gehad. Dat wil hij ook niet. Hiermee heeft zijn vertrek uit het gezin van de moeder en de stiefvader in juli 2013 een definitief karakter gekregen. Tussen de vader en de moeder gold bovendien de afspraak dat de moeder in het levensonderhoud van kind 2 zou voorzien en de vader in het levensonderhoud van het onderhavige kind. Er bestaat een financiële band tussen de vader en het kind en zij zien elkaar ook regelmatig. Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat eerder dient te worden aangenomen dat het kind nog steeds deel uitmaakt van het gezin van de vader, dan dat kan worden aangenomen dat hij deel uitmaakt van het gezin van de moeder en de stiefvader. Het hof is dan ook van oordeel dat de stiefvader geen onderhoudsplicht heeft jegens het kind.

Een bijzondere uitspraak is die van het Gerechtshof Amsterdam van 5 juli 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:2660) (FJR 2017/11.15). Hierbij oordeelde het hof dat de stiefvader geen bijdrage hoefde te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van het tot zijn gezin behorende stiefkind, hoewel hij door zijn huwelijk met de moeder ingevolge artikel 1:392 BW juncto artikel 1:395 BW onderhoudsplichtig was jegens dit kind. Door de rechtbank is in een andere procedure vastgesteld dat de stiefvader en de moeder van deze twee kinderen uit een eerder huwelijk gezamenlijk onvoldoende draagkracht hebben om in de kosten van deze twee kinderen van respectievelijk € 432 per maand en € 230 per maand te voorzien. De draagkracht van de stiefvader van € 337 per maand is verdeeld over die kinderen, waarbij de rechtbank ervan is uitgegaan dat de stiefvader niet gehouden is een deel van zijn draagkracht aan te wenden voor de kosten van het onderhavige kind. Het hof acht het dan ook niet redelijk om er thans vanuit te gaan dat de stiefvader een aandeel in de kosten van het kind zou moeten leveren, nu dit ten koste zou gaan van de door hem te betalen alimentatie voor zijn twee andere kinderen.

7. Varia

In zijn arrest van 21 juni 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:1982) (FJR 2017/11.16) moest het Gerechtshof Den Haag oordelen of gijzeling was toegestaan als dwangmiddel om kinderalimentatie te innen. Het hof hanteerde daarbij het volgende criterium: Vooropgesteld wordt dat een rechterlijke uitspraak, in dit geval strekkende tot vaststelling van kinderalimentatie, dient te worden nagekomen. Niet kan worden geduld dat de alimentatieplichtige zich daaraan ten koste van de kinderen zou kunnen onttrekken. Het executiemiddel lijfsdwang strekt ertoe druk uit te oefenen op de alimentatieplichtige, zodat deze zijn verplichtingen nakomt. Het is echter een zeer ingrijpend middel, omdat de alimentatieplichtige daarmee zijn persoonlijke vrijheid wordt ontnomen. Toepassing daarvan komt slechts aan de orde als aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden, tenzij in casu de vader aannemelijk maakt dat hij niet in staat is om aan zijn verplichtingen te voldoen. Daarnaast moet het belang van in casu de moeder toepassing van lijfsdwang rechtvaardigen. De vader heeft onder meer gesteld dat het hem ontbreekt aan motivatie om de kinderalimentatie te betalen, omdat de vrouw het contact tussen hem en de kinderen blokkeert.

In dit geval heeft de vader geen enkele onderbouwing van zijn financiële positie gegeven. Ook geeft hij geen deugdelijke verklaring waarom hij tot op heden nog steeds geen verzoekschrift heeft ingediend tot wijziging van de kinderalimentatie. Maatschappelijk gezien wordt aan het betalen van kinderalimentatie een zeer hoge prioriteit gegeven. Kinderen zijn voor hun levensonderhoud in beginsel afhankelijk van hun ouders. Uit de aangifte IB 2014 van de moeder volgt dat zij een inkomen heeft van slechts € 12.906. Gezien dit beperkte inkomen, heeft de moeder voor het levensonderhoud van de kinderen behoefte aan een bijdrage van de vader. Het vonnis van de voorzieningenrechter wordt bekrachtigd en de vader wordt veroordeeld in de proceskosten.

In de beschikking van 7 juni 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:4745) (FJR 2017/11.17) van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is de vraag aan de orde of de vrouw haar recht op betaling van achterstallige kinderalimentatie over de periode van 14 oktober 2009 tot 14 oktober 2014 heeft verwerkt.

Het hof overweegt dat van rechtsverwerking in beginsel slechts sprake kan zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Enkel tijdsverloop levert geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan of 1) bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken; of 2) de positie van de wederpartij onredelijk benadeeld of bezwaard zou worden indien de rechthebbende zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Gezien de aard van de aanspraken moeten hoge eisen worden gesteld aan de stellingen waarop de schuldenaar zijn beroep op verwerking van die aanspraken grondt.

De voorgeschiedenis van deze zaak wordt gekenmerkt door langdurige procedures over de invulling van de zorgregeling van de minderjarige, met het uiteindelijke resultaat dat de man heeft afgezien van contact met haar. In dat verband is er door de man op 17 augustus 2009 een ‘afstandsverklaring’ ondertekend met de volgende inhoud:

“Hierbij doe ik volledig afstand van de rechten en plichten (vanaf heden 17/8/2009) omtrent mijn dochter. Het ouderlijk gezag wordt volledig bepaald door de moeder. Alle rechten en plichten vervallen per heden 17/8/2009.”

Volgens de man is tijdens een telefoongesprek voorafgaande aan het ondertekenen van de afstandsverklaring afgesproken, en volgt uit de inhoud van deze verklaring, dat hij niet alleen zou afzien van gezag over en contact met de minderjarige, maar eveneens dat hij geen kinderalimentatie zou betalen. Gelet op de uiteenlopende visies van partijen is niet zonder meer vast te stellen in hoeverre de vrouw toen heeft aanvaard dat de man betaling van kinderalimentatie achterwege zou laten. Wel echter staat vast dat de man op enig moment, kort na de ondertekening van de afstandsverklaring, tegen de vrouw heeft gezegd dat die ook inhield dat hij geen kinderalimentatie meer hoefde te betalen. De vrouw heeft daar nadien gedurende omstreeks vijf jaar, tot de brief van 14 oktober 2014 waarin zij aanspraak is gaan maken op de achterstallige betalingen, niets tegen ingebracht. Naar het oordeel van het hof is hierdoor, in het licht van de gehele voorgeschiedenis en de afstandsverklaring, bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de vrouw haar aanspraak niet (meer) geldend zou maken. Dat een dergelijke afspraak in strijd is met het bepaalde in artikel 400 lid 2 BW kan de vrouw evenmin baten, omdat niet de rechtsgeldigheid van deze afspraak voorligt, maar uitsluitend de gestelde feiten en omstandigheden dienen te worden beoordeeld die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat de vrouw haar rechten niet meer geldend kan maken.

8. Ten slotte

Het NIBUD heeft aangekondigd de behoeftetabellen voor kinderalimentatie te gaan herzien en heeft daartoe de Expertgroep Alimentatienormen, de Belastingdienst, de vFAS en de gemeentelijke Sociale Diensten verzocht om inbreng. Het Centraal Bureau voor de Statistiek zal weer gegevens aanleveren.

In het wetsvoorstel van de leden Recourt en Van Oosten (Kamerstukken 34154, 8) wordt melding gemaakt van het gebrek aan eenvoud van de berekening van kinderalimentatie en wordt gepleit voor een eenvoudiger stelsel waarbij alimentatieplichtigen en alimentatiegerechtigden zelf de hoogte van de bijdrage kunnen berekenen. Wij hopen dat dit lukt, en dat de wijzigingen niet een ingewikkelder systeem zullen opleveren, zoals vaker in het verleden is gebeurd.

Het rapport van de Staatscommissie Herijking Ouderschap (Kind en ouders in de 21e eeuw) bepleit meerouderschap, tot maximaal 4 juridische ouders. De vraag hoe dat in de praktijk moet uitpakken ten aanzien van de onderhoudsverplichting van deze ouders laat de commissie onbeantwoord. Dit onderwerp behoeft volgens de commissie nog nader onderzoek.

Voetnoten

  1. P. Dorhout is advocaat/bemiddelaar te Egmond aan den Hoef, hoofdredacteur van JurisDidact en medewerker van FJR; mr. C. de Bie-Koopman is advocaat/mediator te Alkmaar en medewerker van FJR.
FaLang translation system by Faboba