Kroniek Relatievermogensrecht FJR 2017/24

FJR 2017/24

Kroniek Relatievermogensrecht

Datum: 24-03-2017

Auteurs:  Mr. C. de Bie-Koopman en mr. P. Dorhout

In deze kroniek over het relatievermogensrecht wordt aandacht besteed aan de vermogensrechtelijke gevolgen van het beëindigen van het huwelijk aan de hand van diverse uitspraken die daarover in het afgelopen jaar zijn gewezen. We hebben ons in deze kroniek beperkt tot een aantal belangrijke leerstukken, te weten de Haviltex-maatstaf, bijzondere verknochtheid, hoofdelijke aansprakelijkheid voor een hypothecaire schuld, vernietiging van een verdeling, het bewijsvermoeden bij de periodieke verrekenplicht en of er sprake is van het voldoen aan een natuurlijke verbintenis bij verbouwing aan de echtelijke woning.

De behandelde uitspraken zijn voorzien van een FJR-vindplaats (bijv. FJR 2017/24.1), waardoor online de uitspraak ook beschikbaar komt.

  1. Uitleg van overeenkomsten en de Haviltex-maatstaf

In het familierecht speelt de Haviltex-maatstaf een steeds prominentere rol in het geval partijen twisten over de uitleg van hetgeen zij zijn overeengekomen, bijvoorbeeld in de huwelijkse voorwaarden, het echtscheidingsconvenant of de verdelingsakte.

Interessant is de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 25 oktober 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:4755) (FJR 2017/24.1), waarin het hof eerst (postuum) vaststelt wat de bedoeling van partijen moet zijn geweest, om vervolgens na te gaan of deze bedoeling al dan niet tot uitdrukking komt in de wijze van afhandeling.

Partijen zijn gehuwd na het aangaan van huwelijkse voorwaarden, waarin de bepaling staat dat indien het huwelijk wordt ontbonden door het overlijden van één van de echtgenoten, er zal worden afgerekend alsof de echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. De vrouw is terminaal ziek. Nadat de echtscheiding is uitgesproken, maar nog niet is ingeschreven, komt de vrouw te overlijden. Dan man meent op grond van de huwelijkse voorwaarden aanspraak te kunnen maken op een afrekening alsof er sprake was van een gemeenschap, want dat is wat er (letterlijk) in de huwelijkse voorwaarden staat omschreven. De executeur in de nalatenschap van de vrouw denkt daar uiteraard anders over.

Het hof wijst er allereerst op dat volgens vaste rechtspraak de uitleg van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden dient te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Daarbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen, en aan hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Te denken valt aan de bewoordingen en context van de bepaling, de totstandkomingsgeschiedenis, aard en uitvoering van de overeenkomst, alsmede de hoedanigheid en deskundigheid van partijen. De Haviltex-maatstaf brengt mee dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin deze bepalingen zijn gesteld, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang. Bij toepassing van de Haviltex-maatstaf bij de uitleg van huwelijkse voorwaarden komt mede gewicht toe aan hetgeen de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft meegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, en aan de betekenis die veel voorkomende bepalingen daarin volgens notarieel gebruik normaal gesproken hebben. De uitleg wordt derhalve uiteindelijk bepaald door de omstandigheden van het geval. De rechter is niet verplicht bij zijn uitleg andere dan de door partijen over en weer naar voren gebrachte gezichtspunten in zijn overwegingen te betrekken (Conclusie van A-G Rank-Berenschot voor HR 25 februari 2011, LJN BO7277, pt. 2.4).

De man betoogt dat er finaal verrekend moet worden. Dit betoog steunt op een zuiver taalkundige betekenis van (één bepaling van) de huwelijkse voorwaarden.

De vraag wat de bedoeling van partijen bij de huwelijkse voorwaarden is geweest om uitsluitend bij “overlijden” te verrekenen, maar niet ingeval het huwelijk eindigt op andere wijze dan de dood, in het bijzonder door echtscheiding, laat de man onbeantwoord, evenals de vraag waarom partijen hebben afgesproken dat bij “overlijden” verrekening dient plaats te vinden. Dit had volgens het hof wel op zijn weg gelegen, nu de man op deze twee verschillende situaties (kort samengevat, eindiging van het huwelijk door de dood dan wel echtscheiding) heeft gewezen, maar verder ook omdat hier sprake is van een echtscheidingssituatie (en de echtscheiding zelfs is uitgesproken), en voorts mede gelet op een van de uitgangspunten waarop het Nederlandse huwelijksvermogensrecht berust. Het hof verwijst voor dit laatste kortheidshalve naar de memorie van toelichting bij de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen, Stb. 2011, 205 en 335:

“In artikel 99 wordt op gelijke wijze als in artikel 142 (…) van het [toen nog] wetsvoorstel verrekenbedingen voorgesteld dat de gemeenschap van goederen op een eerder tijdstip wordt ontbonden dan het huwelijk eindigt. De gedachte achter deze wijziging is dat doorgaans vanaf het moment van indiening van een verzoekschrift tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed, de door het hoofdstelsel veronderstelde solidariteit niet meer aanwezig is en dat het daarom voor de hand ligt op dat moment de gemeenschap van goederen te laten eindigen.” (Kamerstukken II 2002/03, 28867, 3, p. 27.)

Op deze veronderstelde solidariteit, sluit het betoog van de man volgens het hof aan: díe situatie (waarin van solidariteit nog sprake was) hebben de echtgenoten op het oog gehad bij het maken van de huwelijkse voorwaarden; bij overlijden mag er volgens de hoofdregel van worden uitgegaan dat de solidariteit er nog is en dát is de situatie waarin finaal verrekend zou moeten worden.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat de echtgenoten ervan zijn uitgegaan dat bij “overlijden” nog sprake was van “solidariteit” of het bestaan van een affectieve relatie (het hoofdstelsel, in de woorden van de wetgever). De man heeft geen rechtens relevante feiten en omstandigheden gesteld die zijn ruimere, letterlijke uitleg van het betreffende artikel in de huwelijkse voorwaarden rechtvaardigen.

De vraag die het hof vervolgens beantwoordt, is of inderdaad nog sprake was van het bestaan van solidariteit of een affectieve relatie (in welk geval finaal verrekend moet worden).

Het hof loopt alle omstandigheden af rondom de ziekte van de vrouw, de gedragingen van partijen en het verloop van de echtscheidingsprocedure, en leidt daaruit af dat van een affectieve relatie tussen de man en de vrouw, zoals zij die op het oog hebben gehad bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden, op het moment van overlijden van de vrouw geen sprake meer is geweest. De man kan zich dus niet op het finale verrekenbeding beroepen.

In de zaak bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 januari 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:312) (FJR 2017/24.2) ging het om het navolgende. Partijen hadden tussen 1995 en medio 2012 een relatie gehad. Zij hadden een samenlevingsovereenkomst gesloten, waarvan artikel 12 luidde:

“Door de vrouw wordt een nader te bepalen bedrag geïnvesteerd in de door de man aan te kopen woning. Partijen komen overeen dat bij verkoop van deze woning en/of bij einde van de relatie, de eventuele overwaarde die de woning dan heeft (waarde woning minus hypothecaire schuld), tussen partijen gelijkelijk gedeeld zal worden, waarbij de vrouw eerst ontvangt het door haar geïnvesteerd bedrag. De man heeft het recht dit bedrag in vijf achtereenvolgende jaarlijkse termijnen te betalen, voor zover hij het niet beschikbaar heeft of in redelijkheid kan financieren.”

De relatie eindigt en de vrouw wil haar investering van € 71.379 terug. De man stelt primair dat uit de letterlijke tekst van artikel 12 volgt dat alleen een recht op teruggave van het geïnvesteerde bedrag bestaat ingeval sprake is van een overwaarde. Nu daarvan geen sprake is, bestaat er volgens de man ook geen recht op terugbetaling van een geïnvesteerd bedrag. De rechtbank is het daarmee eens.

Het hof ziet dit anders. Blijkens artikel 12 heeft de vrouw zich verplicht tot het doen van investeringen in de woning. Bij het doen van investeringen staat het behalen van vermogensrechtelijk voordeel voorop, hier door (een aandeel in) de verwachte waardestijging (bij overwaarde) van de woning, zoals partijen ook zijn overeengekomen (dit staat tussen partijen niet ter discussie). Het risico bij een investering vormt een waardedaling (of voortdurende onderwaarde) van het investeringsobject (hier de woning). De vraag of artikel 12 een leemte vertoont op het punt van die onderwaarde, komt erop neer of ter zake van die onderwaarde géén wilsovereenstemming bestaat. Die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij, mede gelet op de maatschappelijke kring waartoe zij behoren en de rechtskennis die van hen kan worden gevergd, te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3749, Koersplan, met verwijzing naar HR 13 maart 1981, LJN AG4158, NJ 1981/625, Haviltex).

Waarom in geval van (zelfs de geringste) onderwaarde van de woning de vrouw haar volledige investering kwijt zou moeten raken (en wel: ten gunste van de man), zoals de man betoogt, valt zonder nadere toelichting (bijvoorbeeld op het punt van de mogelijkheden of bereidheid van partijen risico te dragen) niet in te zien. Het had op de weg van de man gelegen, gelet ook op de zojuist weergegeven Koersplan/Haviltex-maatstaf, die toelichting te geven, hetgeen hij echter (ook ter zitting van het hof) heeft nagelaten.

De uitleg die de vrouw geeft aan artikel 12, kan, gelet ook op de zojuist weergegeven Koersplan/Haviltex-maatstaf, evenmin worden gevolgd. Een recht op volledige terugbetaling van haar investering bij (zelfs een zeer aanzienlijke) waardedaling van de woning, zou betekenen dat zij geen enkel risico loopt, terwijl dát, het lopen van risico, eigen is aan het doen van een investering in een woning. Het risico van waardedaling zou zelfs volledig worden afgewenteld op de man. De vrouw had deze verstrekkende uitleg nader moeten motiveren.

Dat partijen hun samenleving zoveel mogelijk op een huwelijk hebben willen laten lijken, zoals de vrouw aanvoert, is onvoldoende, omdat partijen dan ook nog huwelijkse voorwaarden hadden moeten overeenkomen die de vrouw aanspraak gaven op volledige terugbetaling bij onderwaarde van de woning. Voor zover de vrouw heeft wil betogen dat partijen hun samenleving zoveel mogelijk hebben willen laten lijken op een huwelijk met algehele uitsluiting (van iedere wettelijke gemeenschap van goederen), en dan ingevolge HR 12 juni 1987, NJ 1988/150, Kriek/Smit een vergoedingsrecht zou bestaan, gaat dit betoog evenmin op. In de zaak waarover de Hoge Raad zich in dat arrest heeft uitgesproken was namelijk, anders dan in het onderhavige geval, geen sprake van een afspraak betreffende de financiering van de woning, laat staan van een afspraak om te investeren. (Voor de “analogische toepassing”, los van de uitleg van artikel 12, zoals door de vrouw gevorderd (zie r.o. 10.8 hiervóór) is voorts dan ook geen plaats). Ten slotte heeft de man de uitleg die de vrouw geeft aan artikel 12 voldoende gemotiveerd betwist, zodat ook daarom aan die uitleg dient te worden voorbijgegaan.

Het hof stelt vast dat tussen partijen geen wilsovereenstemming bestond over een wezenlijk onderdeel van de regeling van artikel 12, te weten het risico dat de vrouw zou lopen bij onderwaarde van de woning. Daarom is er sprake van een leemte in artikel 12. Ingevolge art. 6:248 lid 1 BW heeft een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van die overeenkomst, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien.

Hoewel bij investeringen in de regel een recht bestaat op terugbetaling daarvan mét een correctie daarop voor de nadien voorgevallen waardedaling van het investeringsobject (of waardestijging van het object; hier zou dat zijn tot het bedrag waarop geen sprake meer is van onderwaarde van de woning), is in het onderhavige geval geen sprake van één investering, maar (volgens de vrouw) van een groot aantal betrekkelijk kleine investeringen, die bovendien op verschillende tijdstippen zijn gedaan, gedurende een korte periode (van minder dan twee jaar). Het rendement van de afzonderlijke investeringen in de woning valt dan niet te berekenen. Naar de aard van de overeenkomst vloeit dan uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voort dat de vrouw voor haar investeringen aanspraak kan maken op (nominale) terugbetaling daarvan.

Omdat de vrouw een groot deel van de door haar geïnvesteerde bedragen niet voldoende kan aantonen, wordt de man uiteindelijk veroordeeld om € 15.000 aan de vrouw te betalen.

Kan er ook worden ‘gehaviltext’ met mondelinge afspraken? De Rechtbank Midden-Nederland meent van wel (30 november 2016; (ECLI:NL:RBMNE:2016:6292) (FJR 2017/24.3). Partijen hadden een relatie gehad en de laatste jaren daarvan samengewoond. De vrouw vordert onder andere betaling van € 25.000. Het gaat hier om een bijdrage in de kosten van de huishouding, om bedragen die de vrouw heeft voorgeschoten en om een partij hout die de man heeft meegenomen. Partijen hadden echter geen samenlevingscontract. De vrouw stelt dat mondeling was afgesproken dat partijen ieder ‘hun aandeel’ in de vaste en variabele lasten zouden dragen. Wat dat aandeel was, spreekt echter niet vanzelf. Wanneer het inkomen van de man veel lager was dan het hare (en dat weerspreekt de vrouw niet), dan ligt het volgens de rechtbank niet voor de hand dat de man de helft van de lasten zou dragen. Een ander punt is volgens de rechtbank dat mondelinge afspraken, zeker in een samenlevingsrelatie, complex kunnen zijn. Afspraken kunnen in de loop van de tijd zijn aangescherpt of aangepast. Afspraken kunnen door de een anders zijn uitgelegd dan door de ander, en die uitleg kan in de loop der tijd ook veranderen. Voor de vraag wat de overeenkomst tussen de partners dan inhield, geldt de algemene regel dat het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden – waarbij in dit geval vooral van belang is dat zij een liefdesrelatie met elkaar hadden – over en weer redelijkerwijs aan elkaars uitspraken en toezeggingen mochten toekennen en op wat zij daarbij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij is ook de dagelijkse praktijk van belang. Als de man afspraken om iets terug te betalen in de praktijk niet nakwam, en als de vrouw desondanks doorging hem bedragen voor te schieten, dan heeft dat allebei invloed op wat partijen van elkaar mochten verwachten. Alles bij elkaar is te weinig duidelijk geworden wat de afspraken tussen partijen werkelijk inhielden, en hoe hard ze precies waren. Dat is te weinig concreet om daarop een veroordeling tot verrekening achteraf op te baseren.

Alle uitspraken op het gebied van leemtes in de tekst van de vastgelegde afspraken onderstrepen het belang van het opnemen van een uitgebreide(re) considerans, of op zijn minst goede aantekeningen in het dossier van de notaris of andere dienstverlener.

  1. Verknochtheid

De hoofdregel van art. 1:94 lid 1 BW is dat de huwelijksgemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat. Goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen echter slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet (art. 1:94 lid 3 BW). In een dergelijk geval heeft een bepaald goed een zodanige binding aan de persoon van een van beide echtgenoten, dat één of meer van de aan het vallen in de gemeenschap verbonden gevolgen met betrekking tot dat goed niet kunnen intreden. Voor het maken van een uitzondering op de hoofdregel is slechts plaats in uitzonderlijke gevallen. Naar vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vragen of een goed op bijzondere wijze aan één van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (HR 23 december 1988, NJ 1989/700, m.nt. E.A.A. Luijten; HR 24 oktober 1997, NJ 1998/693, m.nt. W.M.Kleijn; HR 3 november 2006, NJ 2008/257 en NJ 2008/258, m.nt. L.C.A. Verstappen; HR 15 februari 2008, RvdW 2008/219).

De Hoge Raad mocht zich op 24 juni 2016 weer buigen over een ontslagvergoeding (ECLI:NL:HR:2016:1293) (FJR 2017/24.4). Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Het huwelijk is op 24 juni 2013 ontbonden. Aan de man is in 2007 bij beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst een ontslagvergoeding toegekend van circa € 282.000 bruto. Dit bedrag is ondergebracht in een stamrecht-bv waarvan de man enig aandeelhouder en bestuurder is. De aandelen die de man in deze vennootschap houdt vallen in de huwelijksgoederengemeenschap. Er zijn nog geen uitkeringen gedaan. De man heeft aangevoerd dat de aanspraken op periodieke uitkeringen op een bijzondere wijze aan hem zijn verknocht in de zin van art. 1:94 lid 2 BW. Volgens de man verzet de verknochtheid zich ertegen dat deze aanspraken in de gemeenschap zouden vallen. De rechtbank en het hof zijn het met de man eens. De Hoge Raad oordeelt anders. Hoewel de aanwending van een ontslagvergoeding voor de verwerving van een stamrecht jegens een door de werknemer zelf opgerichte en beheerste bv in die zin verschilt van de aankoop van een stamrechtverzekering bij een verzekeringsmaatschappij, dat de betrokken echtgenoot in het eerste geval binnen de grenzen van de daarvoor geldende fiscale voorwaarden zelf het tijdstip en de hoogte van de periodieke uitkeringen kan bepalen, bestaat er geen aanleiding dat geval anders te beoordelen. In beide gevallen strekt de aanspraak op periodieke uitkeringen (jegens de stamrecht-bv respectievelijk de verzekeringsmaatschappij) tot vervanging van inkomen dat de betrokken echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten. Derhalve dient ook bij de beantwoording van de vraag of een aanspraak jegens een stamrecht-bv in de huwelijksgemeenschap valt, te worden onderzocht in hoeverre die aanspraak ziet op de periode voor, respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Nu het gaat om de strekking van de aanspraak, is niet van belang in hoeverre de gerechtigde deze daadwerkelijk heeft verzilverd. Aan de omstandigheid dat de man tot op het moment van wijzen van die uitspraak nog geen enkele periodieke uitkering uit de bv had ontvangen komt dus geen betekenis toe. Het hof had moeten onderzoeken in hoeverre de aanspraak van de man jegens de bv ziet op de periode voor, respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Het hof moet dus gaan uitrekenen welk (evenredig) deel van de uitkering in de huwelijksgemeenschap valt.

Ook een schadevergoeding kan verknocht zijn. Een schadevergoeding bestaat meestal uit twee componenten, een immateriële (smartengeld) en een materiële. Het immateriële deel is verknocht (Hof Amsterdam 8 april 2014; ECLI:NL:GHAMS:2014:1514 en Hof Arnhem-Leeuwarden 1 december 2015; ECLI:NL:GHARL:2015:9095). Het is daarom van belang dat uitsplitsing van de schade-uitkering plaatsvindt in immateriële schade, verschenen schade, verschenen verlies aan arbeidsvermogen en toekomstig verlies aan arbeidsvermogen (zie Hof ’s-Hertogenbosch 26 november 2015; ECLI:NL:GHSHE:2015:4767). Het materiële deel kan verknocht zijn voor zover het gaat om inkomenssuppletie over de periode na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap (Hof Den Haag 15 maart 2015; ECLI:NL:GHDHA:2015:2874).

Het Gerechtshof Den Haag had op 14 december 2016 te beslissen over een invaliditeitsuitkering (ECLI:NL:GHDHA:2016:4120) (FJR 2017/24.5). Duidelijk wordt wederom dat op degene die zich op verknochtheid beroept een stelplicht en bewijslast rust. De man is van mening dat de door hem in april 2001 ontvangen invaliditeitsuitkering van ƒ 56.250, omgerekend € 25.525,14, vanwege blijvende invaliditeit aan hem is verknocht en dat als gevolg daarvan deze uitkering niet in de huwelijksgemeenschap is gevallen, ook niet bij wege van verrekening. De man bestrijdt dat de niet-identificeerbaarheid van verknocht geld het aanmerken van dit geld als zijnde verknocht in de weg staat. Nu de invaliditeitsuitkering is verknocht aan de man is op die grond sprake van een vermogensverschuiving ten gunste van de gemeenschap, die tot een nominaal vergoedingsrecht van de man jegens de gemeenschap leidt, aldus de man. Verder stelt de man dat de invaliditeitsuitkering hoogstwaarschijnlijk is aangewend voor extra hypotheekaflossing. De vrouw betwist dat sprake is van verknochtheid. Volgens de vrouw is de ineens ontvangen uitkering niet op te vatten als een goed dat als een verknocht goed buiten de huwelijksgemeenschap valt. De hoogte van de uitkering is niet gebaseerd op aanvulling van inkomen, maar is een percentage van het verzekerd kapitaal en de ineens ontvangen uitkering ziet niet op het periodiek aanvullen van inkomen. De uitkering is uitgekeerd en verbruikt en niet langer als identificeerbaar goed in de gemeenschap aan te wijzen. De man laat volgens de vrouw verder na te stellen en te onderbouwen op welke schade(n) de vergoeding betrekking had en in hoeverre, de vergoeding betrekking had op schade die de man in de toekomst zal lijden, zoals de Hoge Raad overweegt in 3.5.4 van het arrest van 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957.

Het hof overweegt dat de Hoge Raad in zijn uitspraak van 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, het volgende heeft overwogen:

“Indien een der echtgenoten vergoeding ontvangt van schade die deze echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval, is niet reeds sprake van verknochtheid in de zin van art. 1:94 lid 3 BW indien die vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van die echtgenoot verbonden nadelige gevolgen van het ongeval. Omdat ook dan de omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen, zal de echtgenoot die zich op art. 1:94 lid 3 BW beroept, ten minste (tevens) moeten stellen op welke schade(n) van de bij het ongeval betrokken echtgenoot de vergoeding betrekking heeft, opdat de rechter kan vaststellen of, en zo ja in hoeverre, die vragen ten aanzien van een of meer componenten van de vergoeding bevestigend moeten worden beantwoord. Zo is bijvoorbeeld van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen.”

Slechts wanneer wordt bewezen dat de vergoeding ook betrekking heeft op schade die in de toekomst, na de ontbinding van de gemeenschap, als gevolg van het letsel zal worden geleden, kan een letselschade-uitkering buiten de huwelijksgoederengemeenschap vallen, omdat deze op bijzondere wijze aan de man is verknocht. In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat de enkele stelling van de man dat de invaliditeitsuitkering aan hem is verknocht, onvoldoende is en heeft hij dus niet voldaan aan zijn stelplicht en evenmin aan zijn bewijsplicht.

  1. Hoofdelijke aansprakelijkheid voor een hypothecaire schuld

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zij zijn ieder voor de onverdeelde helft de eigenaren van een appartement, waarop een hypotheek rust. Een verzekeringspolis is verpand aan de hypotheekhouder. Partijen zijn tijdens een comparitie van partijen ten overstaan van het Gerechtshof Den Haag ter schikking van een aldaar aanhangige zaak een overeenkomst aangegaan ter beëindiging van die procedure (hierna: de vaststellingsovereenkomst). In de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat het appartementsrecht zal worden toegedeeld aan de vrouw. Kan de akte van verdeling niet op 1 september 2012 worden verleden, dan zal in die akte worden opgenomen dat de vrouw vanaf 1 september 2012 alle lasten, kosten met betrekking tot het appartementsrecht geheel voor haar rekening zal nemen en als een eigen schuld zal voldoen. Hetzelfde geldt voor de hypotheekrente en de premies voor de met de hypotheek verbonden polis. Voorts is opgenomen dat partijen, en in het bijzonder de vrouw, zich verplichten zich tot het uiterste te zullen inspannen dat de hypothecaire geldverstrekker de man ontslaat uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de bank. Indien de bank de man niet ontslaat, zal de vrouw hem ter zake van deze schuld geheel vrijwaren. De aan de hypotheek verbonden verzekeringspolis zal ten name van de vrouw alleen worden gesteld. De man vordert bij het Gerechtshof Den Haag dat de vrouw de vaststellingsovereenkomst dient na te komen en de woning dient over te nemen binnen 30 dagen na datum arrest en dat de verdeling van de opbrengsten van de verzekeringspolis bij helfte zal geschieden. In zijn arrest van 27 juli 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:2980) (FJR 2017/24.6) overweegt het hof dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst een inspanningsverplichting voor de vrouw met zich brengt. De vrouw heeft zich voldoende ingespannen om de financiering van de toedeling aan haar van het aandeel van de man in het appartementsrecht rond te krijgen en de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. De bank is niet akkoord is gegaan met de financiële regeling die de vrouw met haar familie had afgesproken. Dat dit uiteindelijk niet is gelukt maakt niet dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst. De vrouw voldoet met ingang van 1 september 2012 alle lasten met betrekking tot het appartementsrecht en zij vrijwaart de man voor de hypothecaire geldlening. Het hof merkt nog op dat voor het ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid de hypothecaire geldverstrekker betrokken is zodat geen sprake kan zijn van een resultaatsverplichting van de vrouw. Nu geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst worden de primaire vorderingen van de man afgewezen. Het hof merkt daarbij op dat de verzekeringspolis is verbonden met de hypothecaire geldlening en is verpand aan de bank, zodat ook op die grond een verdeling van de opbrengsten bij helfte, zoals door de man gevorderd, niet mogelijk is. Subsidiair vordert de man alsnog verdeling door verkoop van de woning. Het hof is van oordeel dat met de vaststellingsovereenkomst de overeenkomst tot verdeling tot stand is gekomen. Verdelen is doorgaans ook toedelen, maar partijen zijn overeengekomen dat de toedeling nog zal geschieden bij notariële akte. Voor de toedeling van een appartementsrecht eist artikel 3:186 BW immers een levering op dezelfde wijze als voor overdracht is voorgeschreven, waardoor de verdeling wordt voltooid. De overeenkomst tot verdeling is echter reeds tot stand gekomen door de ondertekening door partijen van de vaststellingsovereenkomst. Het staat vast dat de akte van toedeling nog niet is verleden, zodat de overeenkomst tot verdeling nog zou moeten worden nagekomen. Het staat ook vast dat de vrouw de overeenkomst tot verdeling niet kan nakomen, nu de bank voor de toedeling geen toestemming zal geven en de hypothecaire geldlening opeisbaar wordt indien desondanks tot toedeling zal worden overgegaan. Nu de vrouw aldus in verzuim is, is de verdeling niet voltooid, zodat het appartementsrecht goederenrechtelijk nog onverdeeld is. Het hof zal derhalve de subsidiaire vordering van de man om de vrouw te gelasten alle medewerking te verlenen aan verkoop van het appartement, toewijzen. Nu geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst door de vrouw en partijen ieder voor de onverdeelde helft appartementseigenaar zijn, zal bij een verkoop van het appartementsrecht een eventuele restschuld gelijkelijk door partijen gedragen dienen te worden en een eventuele overwaarde door partijen gelijkelijk dienen te worden verdeeld.

Ook in het geval van partijen die hun samenleving hebben verbroken en daarbij de man nog steeds hoofdelijke aansprakelijk is voor de lening onder verband van hypotheek op de woning van de vrouw lukt het de man niet om onder deze hoofdelijke aansprakelijkheid uit te komen. De Rechtbank Gelderland overweegt in haar vonnis van 3 augustus 2016 (ECLI:NL:RBGEL:2016:4938) (FJR 2017/24.7) dat slechts als het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man nog langer hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de hypothecaire schuld, terwijl hij geen (mede)eigenaar is van de woning, gedwongen verkoop van de woning door de vrouw aan de orde zou kunnen zijn. De man heeft echter geen feiten of omstandigheden gesteld die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat daarvan sprake is. Als niet weersproken staat immers vast dat de vrouw de hypothecaire lasten van de woning volledig betaalt en dat zij daarvoor voldoende inkomsten heeft. Voorts is niet gesteld of gebleken dat de man na het beëindigen van de samenleving ooit is aangesproken wegens een achterstand. Daarnaast woont de vrouw met de zoon van partijen in de woning en zal zij na verkoop van de woning niet gemakkelijk in aanmerking komen voor een huurwoning. Ter comparitie is bovendien gebleken dat de man op korte termijn geen concrete plannen heeft om een lening aan te gaan, dat hij alleenstaand is en een bijstandsuitkering ontvangt en dat hij zijn voornemen om een eigen bedrijf te beginnen nog niet heeft uitgevoerd. Evenmin is gebleken dat hij psychisch lijdt doordat hij hoofdelijk verbonden blijft aan de hypotheekschuld. Hij heeft die stelling niet nader onderbouwd. Onder de geschetste omstandigheden heeft de vrouw dan ook een zwaar(der)wegend belang om in de woning te kunnen blijven wonen.

  1. Vernietiging van een verdeling

Een verdeling is ex artikel 3:196 BW vernietigbaar indien een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer van de te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde is benadeeld (artikel 3:196 lid 1 BW). De benadeelde deelgenoot wordt vermoed in deze zin te hebben gedwaald indien een benadeling voor meer dan een vierde is bewezen (artikel 3:196 lid 2 BW).

De Rechtbank Midden-Nederland overweegt in haar vonnis van 14 september 2016 (ECLI:NL:RBMNE:2016:4892) (FJR 2017/24.8) dat voor de berekening van de vereiste benadeling (van meer dan een vierde) bezien dient te worden wat de benadeelde deelgenoot per saldo (goederen minus schulden) uit de gemeenschap behoorde te ontvangen in vergelijking met hetgeen deze deelgenoot bij de feitelijke verdeling daadwerkelijk heeft ontvangen. Aan de maatstaf van benadeling van meer dan een kwart is voldaan indien het door een deelgenoot geleden nadeel meer bedraagt dan een vierde van hetgeen deze deelgenoot toekomt uit de gemeenschap uitgaande van de werkelijke waarde (op de peildatum) van de verdeelde goederen en schulden (zie hiervoor Gerechtshof Arnhem 6 november 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BY3916, r.o. 2.9-2.15, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 december 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BC0123, r.o. 8.4.1.-8.4.4. en Asser/Perrick 3-V 2015/207). De gemiddelde huizenprijzen tussen augustus 2008 (de piek van de huizenmarkt) en 2012/2013 (het dieptepunt) zijn gedaald met ruim 21%. Uitgaande van de aankoop van de woning door partijen in 2008 voor een bedrag van € 174.500 en de gemiddelde daling van huizenprijzen, zou dit in 2012/2013 neerkomen op een waarde van circa € 137.000. Dit betekent dat de man na de verdeling in mei 2012 een onderwaarde van circa € 37.500 alleen dient te dragen. Bij de tussen partijen afgesproken wijze van verdeling heeft de man (per saldo) aan waarde niets ontvangen. Partijen gingen immers ervan uit dat de waarde op 1 april 2012 ook € 174.500 bedroeg, even hoog als de hypothecaire schuld. Er is voldaan aan de vereisten van artikel 3:196 BW. De benadeling van de man (circa € 37.500) bij verdeling zoals tussen partijen afgesproken in mei 2012 is aanzienlijk hoger dan een vierde deel (€ 4.687,50) van het aan de man toekomende aandeel in het negatieve saldo van de gemeenschap. De rechtbank oordeelt dat aan de vereisten van art. 3:196 lid 1-3 BW voor dwaling is voldaan. De vrouw heeft een beroep gedaan op artikel 3:196 lid 4 BW. De verdeling is niet vernietigbaar indien de benadeelde de toedeling te zijnen bate of schade heeft aanvaard. De vrouw wijst erop dat in 2012 ten tijde van het sluiten van het convenant al enige jaren sprake was van een dalende tendens of tenminste een onzekere situatie op de woningmarkt. Volgens de vrouw heeft de man welbewust en goed voorgelicht de afspraken gemaakt zoals verwoord in het convenant. De man stelt dat partijen ernaar streefden om met gesloten beurzen uit elkaar te gaan. Mede om dat doel te bereiken zijn partijen daarbij, op basis van hun eigen schatting en zonder dat enige taxatie heeft plaatsgevonden, ervan uitgegaan dat de waarde van de woning gelijk was aan de aankoopprijs in 2008 en de bestaande hypothecaire schuld, aldus de man. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op artikel 3:196 lid 4 BW de vrouw omstandigheden dient te stellen waaruit volgt dat de man zijn recht op vernietiging wegens benadeling voor meer dan een kwart heeft prijsgegeven, waarbij ook van belang is of de man zich bewust was van de werkelijke waarde van de te verdelen gemeenschap, althans wist in welke orde van grootte de benadeling lag (vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 januari 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA 4452, r.o. 4.12. en Gerechtshof Den Haag 23 februari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:880, r.o. 3-5).

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van de vrouw op artikel 3:196 lid 4 BW niet slaagt. De stellingen van de vrouw bieden geen enkel aanknopingspunt dat de man zich bij het sluiten van het convenant in mei 2012 daadwerkelijk bewust was dat de tussen partijen afgesproken wijze van verdeling met ‘gesloten beurzen’ tot een nadeel voor hem zou leiden van € 37.500. De omstandigheid dat ook destijds van algemene bekendheid was dat sprake was van een dalende tendens op de woningmarkt, maakt weliswaar dat de man bekend kon zijn met (het risico van) enig nadeel, maar niet dat de man hiermee een benadeling in de hiervoor bedoelde orde van grootte beoogde te aanvaarden. In dit verband is ook van belang dat de man onbetwist heeft gesteld dat aan de aanname van partijen (waarde woning is gelijk aan de bestaande hypotheekschuld) geen taxatie ten grondslag lag, maar een eigen inschatting van partijen. Evenmin is gesteld of gebleken dat de destijds gezamenlijke advocaat van partijen enige bemoeienis heeft gehad met de bepaling van de waarde van de woning.

Ook de tekst van de overeenkomst geeft geen indicatie dat de man een mogelijk beroep op artikel 3:196 lid 4 BW heeft prijsgegeven. Daarin staat alleen dat een eventueel te realiseren onder- of overwaarde voor rekening van de man zou komen. Dat is op zichzelf onvoldoende om de hiervoor bedoelde vereiste bewustheid van en aanvaarding door de man van een benadeling van circa € 37.500 uit te kunnen afleiden. Bovendien hebben partijen met artikel 15 van hun convenant voorzien in de mogelijkheid van wijziging van het convenant in onderling overleg, bij gebreke waarvan het convenant voor rechterlijke wijziging vatbaar blijft. Deze bepaling valt moeilijk te rijmen met de door de vrouw gestelde aanvaarding door de man van de verdeling te zijnen bate of schade en met het prijsgeven door de man van een mogelijk beroep op artikel 3:196 lid 4 BW.

  1. Voldoen aan een natuurlijke verbintenis bij verbouwing aan de echtelijke woning

De procedure die leidde tot de beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 15 november 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:4608) (FJR 2017/24.9) ging onder meer om de vraag of de verbouwingen die de man had bekostigd aan de echtelijke woning voor vergoeding in aanmerking kwamen. De vrouw wil de woning na de scheiding verkopen. Partijen waren in 1987 gehuwd op huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van iedere gemeenschap. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 6:3, tweede lid, aanhef en onder b, BW, bestaat een natuurlijke verbintenis wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt. De vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis dient naar objectieve maatstaven te worden beoordeeld. De omstandigheid dat een echtgenoot heeft geïnvesteerd in de gemeenschappelijke woning die eigendom van de andere echtgenoot is, kan als een objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis worden beschouwd. Het ligt immers voor de hand dat een zodanige prestatie ertoe strekt te waarborgen dat de vrouw ook na het einde van het huwelijk in de woning kan blijven wonen. Deze waarborg zou niet tot zijn recht komen wanneer de vrouw het gevaar loopt de woning te moeten verkopen om aan een vergoedingsplicht jegens de man te kunnen voldoen. Het verschaffen van een zodanige prestatie zal vaak naar maatschappelijke opvattingen kunnen worden beschouwd als een prestatie die aan de vrouw op grond van een dringende morele verplichting toekomt. Daarbij zal evenwel acht moeten worden geslagen op de omstandigheden van het geval, waaronder de wederzijdse welstand en behoefte van partijen. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis, is bepalend de situatie op het moment van het verrichten van de prestatie, niet hoe partijen er later financieel blijken voor te staan. Partijen hebben zich gedurende het huwelijk rekenschap gegeven van het tussen hen geldende huwelijksvermogensregime en de beoogde scheiding van vermogens gehandhaafd. De in 1992 geleverde woning is immers alleen eigendom van de vrouw. Partijen hebben geleefd van de bv van de man. Het inkomen van de vrouw bedroeg nog geen € 10.000 per jaar en zij beschikte afgezien van de woning zelf niet over vermogen. De vrouw dient dan ook niet in staat te worden geacht in die periode zelf de verbouwing van de woning te bekostigen.

Gelet op deze stand van zaken met betrekking tot ieders welstand en behoefte dient te worden geconcludeerd dat de man met zijn investering in de woning van de vrouw heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis. De omstandigheid dat de vrouw mogelijk in de toekomst vermogen zal ontvangen door middel van schenkingen en/of erfenis van haar ouders doet daar niet af. Bepalend is immers de situatie op het moment van het verrichten van de prestatie en niet hoe de vrouw er later mogelijk financieel voor zal staan.

  1. Het bewijsvermoeden bij de periodieke verrekenplicht

De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:161) (FJR 2017/24.10) het bewijsvermoeden verder aangescherpt voor wat betreft investeringen in een aangebrachte woning.

Partijen hebben tijdens hun huwelijk nooit uitvoering gegeven aan het periodieke verrekenbeding. Partijen zijn het oneens over de grootte van het aan de man toekomende aandeel in de waarde van de woning van de vrouw omdat zij het niet eens zijn over de omvang van de investeringen in de woning van de vrouw.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat alleen de aflossingen op de hypotheek moeten worden aangemerkt als een investering in de woning omdat deze met overgespaard inkomen zijn verricht. De man daarentegen meent dat hij aanspraak maakt op de helft van de waardevermeerdering van de woning, nu er – naast dat er door partijen met overgespaard inkomen is afgelost op de hypotheek – ook met overgespaard inkomen verbouwingen van de woning zijn bekostigd.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient in de verrekening op de voet van art. 1:141 BW ook te worden betrokken het aanwezige vermogen voor zover dit bestaat in de meerwaarde van een woning die het gevolg is van een verbouwing die is gefinancierd uit hetgeen verrekend had moeten worden. De beleggingsleer geldt immers ook ‘indien ten laste van te verrekenen inkomsten of vermogen niet de verwerving maar de verbetering van een aan een der echtgenoten toebehorend goed gefinancierd wordt, indien die verbetering een waardevermeerdering van het goed ten gevolge heeft en derhalve leidt tot extra vermogensvorming, zoals het geval kan zijn bij een ingrijpende verbouwing van een woning (vgl. HR 25 april 2008, C 06/259, NJ 2008/394).

Het bewijsvermoeden is ook op deze meerwaarde van toepassing. Evenals het aan de verrekenplichtige echtgenoot is om, ter ontzenuwing van het bewijsvermoeden, bijvoorbeeld aannemelijk te maken dat een aanwezig vermogensbestanddeel niet of niet uitsluitend is verworven met behulp van hetgeen verrekend had moeten worden, zo is het ook aan hem/haar om aannemelijk te maken dat een deel van de waarde van een aanwezig vermogensbestanddeel – bijvoorbeeld een extra waardestijging boven de ‘autonome’ waardestijging’– niet is verworven met hetgeen verrekend had moeten worden.

Voetnoten

  1. P. Dorhout is advocaat/bemiddelaar te Egmond aan den Hoef, hoofdredacteur van JurisDidact en medewerker van FJR; mr. C. de Bie-Koopman is advocaat/mediator te Alkmaar en medewerker van FJR.
FaLang translation system by Faboba