Kroniek dwang in de zorg FJR 2020/13

FJR 2020/13
Kroniek dwang in de zorg

 

De Wet Bopz bestaat niet meer. Vanaf 29 oktober 1992 tot 1 januari 2020 was deze wet van toepassing op de zorg van patiënten met een indicatie in Bopz-instellingen en had vooral betrekking op de opname van patiënten in een algemeen psychiatrisch ziekenhuis, een psychiatrische afdeling of een psychiatrische universiteitskliniek, maar ook op opname van patiënten in een zwakzinnigeninrichting, een verslavingskliniek, een kliniek voor forensische psychiatrie en psychogeriatrische afdelingen van verpleeg- en verzorgingshuizen. Sinds 1 januari 2020 is de wet gesplitst in de Wet verplichte ggz voor psychiatrische patiënten (Wvggz) en de Wet zorg en dwang (Wzd) voor patiënten met een verstandelijke beperking of een psychogeriatrische aandoening. Op grond van de Wvggz kan verplichte zorg nu in beginsel uitsluitend worden verleend nadat de rechter een zorgmachtiging heeft verleend op verzoek van de officier van justitie, maar in een crisissituatie kan op last van de burgemeester een “crisismaatregel” worden genomen, net als vroeger een inbewaringstelling kon worden afgegeven. Wel kan alvast worden begonnen met de behandeling, hetgeen vroeger met een IBS niet kon. Onder de Wzd kan nog steeds een rechterlijke machtiging worden afgegeven, een IBS of een voorwaardelijke machtiging. In hoeverre de Bopz-jurisprudentie nog geldt onder de huidige wetgeving zal de praktijk moeten uitwijzen. In deze kroniek wordt een overzicht gegeven van de jurisprudentie over 2019, verdeeld in de geneeskundige verklaring, het horen van de betrokkene, het overschrijden van de beslistermijn, de second opinion, de omzetting van een voorwaardelijke machtiging in een voorlopige machtiging en het gevaarscriterium. Omdat de Bopz-jurisprudentie niet alleen is gebaseerd op nationaal recht, maar op het EVRM en jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zal deze grotendeels actueel blijven. De behandelde uitspraken zijn voorzien van een FJR-vindplaats (bijvoorbeeld FJR 2020/13.1), waardoor de uitspraak ook online beschikbaar komt.
Hoge Raad 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:815; Hoge Raad 13 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1961; Hoge Raad 1 febriaro 2019, ECLI:NL:HR:2019:165; Rb. Noord-Nederland 7 januari 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:266; Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1616

 

1. De geneeskundige verklaring

 

Moet de geneeskundige verklaring worden ondertekend door de psychiater die betrokkene heeft onderzocht? Deze vraag beantwoordde Hoge Raad in zijn beschikking van 24 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:815) (FJR 2020/13.1) en overwoog het volgende: Bij een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Bopz moet de officier van justitie ingevolge art. 5 lid 1, eerste volzin, Wet Bopz een verklaring overleggen van een psychiater die de betrokkene met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, maar die niet bij diens behandeling betrokken was. Art. 5 lid 1, tweede volzin, Wet Bopz bepaalt voor het in art. 2 lid 4 Wet Bopz bedoelde geval van beëindiging van vrijwillig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis, dat een verklaring moet worden overgelegd van de geneesheer-directeur van het ziekenhuis waarin de betrokkene verblijft. Art. 5 lid 1 Wet Bopz houdt verder onder meer in dat de geneeskundige verklaring moet zijn ondertekend. Ten tijde van de bestreden beschikking verbleef betrokkene in Kliniek Vossenloo, een zorginstelling die niet is aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz. Op het vrijwillig verblijf van betrokkene in Kliniek Vossenloo is art. 2 lid 4 Wet Bopz derhalve niet van toepassing en art. 5 lid 1, tweede volzin, Wet Bopz dus evenmin. Dit brengt mee dat de geneeskundige verklaring had moeten zijn ondertekend door de psychiater die deze verklaring heeft opgesteld. Het middel is dus gegrond.
In haar beschikking van 29 augustus 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:7144) (FJR 2020/13.2), constateerde de Rechtbank Amsterdam dat de door de officier van justitie overgelegde geneeskundige verklaring van 4 juni 2019 in strijd met de waarheid was opgesteld. Dit terwijl deze verklaring een belangrijke waarborg vormt voor het verlenen van een voorwaardelijke machtiging, namelijk dat een onafhankelijke, gediplomeerde psychiater (medical expert) de betrokkene zelf onderzoekt, waarna hij een geneeskundige verklaring opstelt. De psychiater mag zich hierbij laten assisteren, maar dient in ieder geval de betrokkene (ook) zelf te onderzoeken. De rechter moet erop kunnen vertrouwen dat de door de psychiater getekende verklaring - zowel wat betreft het professioneel oordeel over de betrokkene (materiële vereisten) als de wijze van totstandkoming van die verklaring (formele vereisten) - volledig en waar is. Gebleken is dat de geneeskundige verklaring in dit geval niet naar waarheid is opgemaakt. Nergens in deze verklaring blijkt van bemoeienis van een arts-assistent. Volgens de letter van de verklaring heeft de psychiater het onderzoek zelf uitgevoerd, hetgeen onwaar is. De rechtbank neemt dit de psychiater kwalijk. Het is de verantwoordelijkheid van de psychiater volledig transparant te zijn, zo nodig in een begeleidend schrijven. De geneeskundige verklaring voldoet dan ook niet aan de eisen die de Wet Bopz hieraan stelt. Desondanks verleent de rechtbank een nieuwe voorwaardelijke machtiging.
In het geval dat de betrokkene een gecombineerde diagnose heeft, dus een verstandelijke handicap en een psychiatrische stoornis, kan voor een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis niet worden volstaan met een verklaring van een arts voor verstandelijk gehandicapten. In een zodanig geval is mede een verklaring van een psychiater vereist. De Hoge Raad overweegt in zijn beschikking van 13 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1961) (FJR 2020/13.3), dat er sprake is van een geneeskundige verklaring waarin een gecombineerde diagnose is gegeven, bestaande in een lichte/matige verstandelijke beperking, autismespectrumstoornis en lage sociale ontwikkeling. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat zij zich, gelet op de geneeskundige verklaring en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, “voldoende ingelicht acht omtrent de aard van de stoornis” en heeft kennelijk geoordeeld dat kon worden volstaan met een onderzoek door een arts voor verstandelijk gehandicapten, omdat de verstandelijke handicap in de geneeskundige verklaring als belangrijkste diagnose is vermeld. Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens vaste rechtspraak kan in geval van een gecombineerde diagnose zoals in deze zaak aan de orde, niet worden volstaan met een verklaring van een arts voor verstandelijk gehandicapten, maar is (mede) een verklaring van een psychiater vereist. Dit is niet anders wanneer de verstandelijke handicap de “belangrijkste diagnose” is. De klacht is dus terecht voorgesteld.
In de zaak die leidde tot de beschikking van de Hoge Raad van 1 februari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:165) (FJR 2020/13.4), werd in het middel aangevoerd dat in geval van een gecombineerde diagnose het niet relevant is of de verstandelijke handicap de hoofddiagnose is. De Hoge Raad overweegt dat met art. 1 lid 6 Wet Bopz de wetgever een arts voor verstandelijk gehandicapten gelijkgesteld heeft met een psychiater “voor zover het de opname of het verblijf van een verstandelijk gehandicapte betreft”. Uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt dat met deze bepaling is beoogd om een zo zorgvuldig mogelijke procedure bij (gedwongen) opname te waarborgen en te voorzien in een wettelijke basis voor de beoordeling door een arts voor verstandelijk gehandicapten. De arts voor verstandelijk gehandicapten is aldus bevoegd gemaakt “op zijn eigen deskundigheidsterrein een medisch oordeel [te] vellen over de (gedwongen) opname” (Kamerstukken II 2012/13, 33507, nr. 6 , p. 14). Vgl. Hoge Raad 1 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2226, rov. 3.4.2. Indien de stoornis van de geestvermogens die een betrokkene het gevaar doet veroorzaken ter voorkoming waarvan de opname dient, niet is beperkt tot het eigen deskundigheidsterrein van die arts, maar tevens het deskundigheidsterrein van een psychiater bestrijkt, is mede een verklaring van een psychiater vereist. Vgl. Hoge Raad 1 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2226, rov. 3.4.3 en Hoge Raad 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2044, rov. 3.3.2. In het onderhavige geval is sprake van een geneeskundige verklaring waarin een gecombineerde diagnose is gegeven. De arts die de geneeskundige verklaring heeft opgesteld, heeft geconstateerd dat de door hem gediagnosticeerde trekken van een borderline persoonlijkheidsstoornis niet relevant zijn voor het gevaar in de zin van de Wet Bopz. Deze enkele constatering in de geneeskundige verklaring maakt echter niet inzichtelijk dat de stoornis van de geestvermogens die betrokkene het gevaar doet veroorzaken ter voorkoming waarvan de opname dient, uitsluitend is gelegen in een verstandelijke handicap en niet mede in de psychiatrische problematiek. De rechtbank heeft met haar oordeel dat het gevaar voortvloeit uit de verstandelijke beperking, en de stoornis die het gevaar veroorzaakt derhalve valt onder de bevoegdheid van de arts die de geneeskundige verklaring heeft opgesteld, hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting hetzij haar oordeel onvoldoende gemotiveerd.
Indien het niet mogelijk is dat een psychiater de verklaring verstrekt laten de leden 1 en 2 van art. 21 Wet Bopz de mogelijkheid open dat de burgemeester een inbewaringstelling gelast op basis van een schriftelijke verklaring van een arts die geen psychiater is. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en rechtspraak van het EVRM blijkt dat vereist is dat betrokkene persoonlijk is onderzocht door een “objective medical expert” behoudens als er sprake is van een noodsituatie. In een geval waarin de inbewaringstelling gelast is op basis van een schriftelijke verklaring van een arts die geen psychiater is, brengt de bepaling van art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM dan ook mee dat de rechter, een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling slechts mag verlenen na te hebben kennisgenomen van een schriftelijke verklaring (een zogenaamde Varbanov verklaring) van een niet behandelend psychiater die persoonlijk de betrokkene na diens inbewaringstelling heeft onderzocht. In haar beschikking van 28 juni 2019 (ECLI:NL:RBMNE:2019:3044) (FJR 2020/13.5), oordeelde de Rechtbank Midden-Nederland hierover als volgt. De geneeskundige verklaring op basis waarvan de burgemeester de last tot inbewaringstelling heeft gegeven is opgesteld en ondertekend door de heer B, arts in opleiding tot specialist. Na het opmaken heeft de psychiater betrokkene onderzocht en een aanvulling op de geneeskundige verklaring opgesteld. De officier van justitie heeft onder overlegging van diezelfde geneeskundige verklaring de rechtbank verzocht een machtiging te verlenen tot voortzetting van de inbewaringstelling. Ter zitting heeft betrokkene het verweer gevoerd dat de geneeskundige verklaring niet aan de wettelijke vereisten voldoet omdat het onderzoek niet is verricht door een onafhankelijke arts. Betrokkene stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat de door de burgemeester gegeven last tot inbewaringstelling onrechtmatig was, omdat de geneeskundige verklaring niet is opgesteld door een onafhankelijke, dat wil zeggen niet bij de behandeling betrokken, arts. Betrokkene heeft primair gesteld dat de heer B is betrokken geweest bij de behandeling en niet objectief en onafhankelijk is. De heer B is bij een eerdere behandeling van het verzoek tot voortzetting van de machtiging inbewaringstelling van de rechtbank aanwezig geweest en heeft na deze zitting een verhoging van de medicatie voorgeschreven aan betrokkene. De rechtbank komt tot de conclusie dat de geneeskundige verklaring die ten grondslag ligt aan het verzoek niet aan de eisen voldoet die de Wet Bopz daaraan verbindt. De geneeskundige verklaring is opgesteld door de heer B. De rechtbank heeft de overtuiging dat de heer B voorafgaand het opmaken van de geneeskundige verklaring betrokken is geweest bij de behandeling. Het standpunt van de arts ter zitting dat de heer B alleen een zitting heeft bijgewoond en een ophoging van de medicatie heeft afgesproken en verder niet betrokken is bij de behandeling van betrokkene volgt de rechtbank niet. Het voorschrijven van medicatie (psychofarmaca) is in algemene zin te beschouwen als een vorm van behandeling. De stoornis van betrokkene wordt immers met deze medicatie behandeld. Daarnaast is ook niet gebleken dat er sprake is geweest van een dusdanige acute noodsituatie dat het onderzoek niet door een andere onafhankelijke arts mogelijk was.
De Hoge Raad stelt als eis aan de geneeskundige verklaring dat de handtekening door de geneesheer-directeur persoonlijk moet zijn gezet. De Rechtbank Noord-Nederland vond het in haar beschikking van 7 januari 2019 (ECLI:NL:RBNNE:2019:266) (FJR 2020/13.6), echter - onder voorwaarden - geen probleem dat de geneeskundige verklaring was voorzien van een digitale handtekening en overwoog als volgt. Gelet op de technische ontwikkelingen van de afgelopen decennia is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de strekking van de eis van een persoonlijke ondertekening, thans ook volstaan kan worden met een digitale handtekening, wanneer deze is gezet na daartoe uitdrukkelijk door de geneesheer-directeur gegeven toestemming aan degene, die de verklaring verstuurt. De geneesheer-directeur heeft na lezing van de verklaring de managementassistente toestemming gegeven deze verklaring te voorzien van de digitale handtekening en te versturen. De rechtbank is van oordeel dat daarmee is voldaan aan de eis van de persoonlijke ondertekening door de geneesheer-directeur van de geneeskundige verklaring.
De geneeskundige verklaring dient altijd te worden ondertekend door de geneesheer-directeur. In sommige gevallen is het ook noodzakelijk dat de psychiater die betrokkene heeft onderzocht de verklaring mede ondertekent. In zijn beschikking van 19 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:635) (FJR 2020/13.7), oordeelt de Hoge Raad dat dit niet het geval is bij een machtiging tot voortgezet verblijf, nu de wet dit niet eist: Ingevolge art. 16 lid 1 Wet Bopz moet bij een verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf een verklaring worden overgelegd van de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis waarin de betrokkene is opgenomen. Volgens vaste rechtspraak moet aan de verklaring de eis worden gesteld dat deze door de geneesheer-directeur zelf wordt ondertekend, zodat blijkt van zijn instemming met en aanvaarding van zijn verantwoordelijkheid voor de inhoud van de verklaring (zie onder meer Hoge Raad 1 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA3536, rov. 3.3, en Hoge Raad 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2533, rov. 3.4). Anders dan het onderdeel betoogt, is niet vereist dat de geneeskundige verklaring (mede) wordt ondertekend door de psychiater die de betrokkene met het oog op de verzochte machtiging heeft onderzocht (vgl. de conclusie van de advocaat-generaal, ECLI:NL:HR:2009:BG9912, onder 2.4). Het onderdeel faalt derhalve.

 

2. De hoorplicht

 

In eerste aanleg is een voorlopige machtiging verleend zonder de betrokkene te horen. De klacht dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met art. 8 lid 1 Wet Bopz, acht de Hoge Raad in zijn beschikking van 18 oktober 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1616) (FJR 2020/13.8), gegrond. Ingevolge deze bepaling dient de rechter, alvorens op het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging te beslissen, degene ten aanzien van wie de machtiging is verzocht, te horen, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet bereid is zich te doen horen. De rechtbank heeft niet vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. Zij heeft aan haar oordeel dat het horen van betrokkene achterwege kon blijven, naast de omstandigheid dat betrokkene “moeilijk te achterhalen” was, slechts ten grondslag gelegd de “ernst van de toestand van betrokkene”. Zonder nadere motivering, die in de beschikking ontbreekt, is het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk.
In eerste aanleg heeft de officier van justitie de Rechtbank Amsterdam verzocht om een voorwaardelijke machtiging. De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden ten overstaan van een enkelvoudige kamer. Daarbij heeft de rechter het volgende verklaard:
“Gezien de complexiteit van de zaak heeft de behandelend rechter ter zitting medegedeeld de zaak te zullen bespreken met twee ambtgenoten. Hij zal trachten de rechter die de machtiging in maart van dit jaar afwees in deze beraadslaging te betrekken. De beschikking zal vervolgens meervoudig worden gewezen.”
De rechtbank heeft de verzochte machtiging verleend. De beschikking is gegeven door drie rechters, onder wie de enkelvoudig behandelend rechter.
In cassatie wordt erover geklaagd dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ten overstaan van een enkelvoudig behandelend rechter, terwijl de beschikking is gegeven door een meervoudige kamer zonder dat betrokkene door de meervoudige kamer is gehoord.
De Hoge Raad overweegt in zijn beschikking van 19 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1280) (FJR 2020/13.9): In zijn uitspraak van 9 december 1994 heeft de Hoge Raad onder meer beslist dat de meervoudige kamer, nadat de enkelvoudige kamer de zaak naar haar heeft verwezen, zelf de betrokkene moet horen, ook al is deze al door de enkelvoudige kamer gehoord. In de beschikking van 12 juli 2019 heeft de Hoge Raad overwogen dat de uitspraak van 9 december 1994 bijstelling behoeft volgens het arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2014. De Hoge Raad overwoog dat het horen van de betrokkene op grond van de Wet Bopz in dat verband kan worden gelijkgesteld met een mondelinge behandeling in een gewone civiele zaak en dat voor het horen van de betrokkene dan ook dezelfde regels gelden. Als hoofdregel geldt dat indien een zaak door een meervoudige kamer wordt beslist, een mondelinge behandeling in beginsel dient plaats te vinden ten overstaan van de rechters die de beslissing zullen nemen, en dat in afwijking van deze hoofdregel de mondelinge behandeling door één rechter kan plaatsvinden. Indien wordt besloten tot enkelvoudige behandeling, gelden de regels genoemd in de uitspraken van de Hoge Raad van 22 december 2017. Die regels houden in, kort gezegd, dat iedere partij de gelegenheid moet worden gegeven te verzoeken om een (hernieuwde) behandeling door de meervoudige kamer, en dat dit verzoek in beginsel zal moeten worden ingewilligd en alleen kan worden afgewezen op zwaarwegende gronden, die in de uitspraak moeten worden vermeld. In aanvulling op die regels geldt dat indien een enkelvoudige kamer het voornemen heeft de zaak na de mondelinge behandeling voor de beslissing te verwijzen naar de meervoudige kamer, zij dit al bij de behandeling aan partijen kan mededelen en erop kan wijzen dat, in het geval van die verwijzing, partijen kunnen verzoeken om een (hernieuwde) behandeling door de meervoudige kamer. Partijen kunnen dan desgewenst op voorhand afstand doen van het gebruik van die mogelijkheid. Indien het gaat om een Bopz-zaak en de betrokkene wordt niet bijgestaan door een advocaat, dient de rechter zich ervan te vergewissen dat de betrokkene de keuze om door één dan wel (alsnog) door drie rechters te worden gehoord, duidelijk is en dat hij zijn wil ter zake voldoende heeft kunnen bepalen. Niet blijkt dat de rechtbank in dit geval aan partijen de gelegenheid heeft gegeven te verzoeken om een (hernieuwde) behandeling door de meervoudige kamer. De weergegeven mededeling ter zitting dat de beschikking meervoudig zou worden gewezen, is daarvoor niet voldoende. Evenmin blijkt dat betrokkene langs de hiervoor genoemde weg op voorhand heeft afgezien van de mogelijkheid om een (hernieuwde) behandeling door de meervoudige kamer te verzoeken. De klacht treft derhalve doel.

 

3. De beslistermijn

 

Indien de officier van justitie verzoekt om een machtiging voortgezet verblijf, dan beslist de rechter binnen vier weken ex art. 17 tweede lid Wet Bopz. Bij een overschrijding van deze termijn door de rechter kent deze op verzoek van betrokkene een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe ten laste van de Staat. In de zaak die leidde tot de beschikking van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:413) (FJR 2020/13.10), is een dergelijke vergoeding echter niet toegekend, omdat de overschrijding van de beslistermijn geheel aan de betrokkene kon worden toegerekend. De op 31 mei 2017 geplande zitting is niet doorgegaan, omdat betrokkene toen ongeoorloofd afwezig was. De advocaat van betrokkene heeft niet gereageerd op de vraag of betrokkene een op 3 juli 2017 door een andere rechter te nemen beslissing wenste en dat daarom is besloten te wachten op de terugkeer van de behandelend rechter, die op 13 juli 2017 heeft beslist.
Het hof heeft geoordeeld dat de beslissing door de rechtbank die op 13 juli 2017 is genomen, ruim binnen vier weken na 26 juni 2017, in de gegeven omstandigheden voldoende spoedig (in de zin van art. 5 lid 4 EVRM), mede nu de rechtbank daarover het overleg heeft gezocht met de advocaat van de betrokkene. Alle grieven die ertoe strekten dat de termijnoverschrijding niet aan de betrokkene kon worden toegerekend zijn door de Hoge Raad verworpen. Wel heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep niet tijdig is afgegeven (Hoge Raad 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3336).
De Rechtbank Oost-Brabant heeft een machtiging verleend tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis, voor de periode van 13 juni 2017 tot 13 juni 2018. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 9 februari 2018 de beschikking van de rechtbank vernietigd en het geding naar die rechtbank teruggewezen ter verdere behandeling en beslissing. Naar het oordeel van de Hoge Raad had de rechtbank geen toereikende motivering gegeven voor haar afwijzing van het verzoek van betrokkene om een nader deskundigenonderzoek te gelasten.
Op 28 februari 2018 heeft de griffier van de rechtbank aan de advocaat van betrokkene bericht dat de zaak door een andere rechter zou worden behandeld. Bij brief van 19 maart 2018 heeft de advocaat de rechtbank bericht dat hij het verzoek om een nader deskundigenbericht handhaaft en verzocht om dit verzoek tijdens een mondelinge behandeling te mogen toelichten. Op 6 april 2018 heeft de geneesheer-directeur een nieuwe geneeskundige verklaring afgegeven. De geneesheer-directeur vermeldde dat in overleg met betrokkene een second opinion zou worden aangevraagd, waartoe twee onderzoeken werden voorgesteld. In het geding na cassatie en verwijzing heeft op 1 mei 2018 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Vervolgens heeft de rechtbank bij tussenbeschikking van 14 juni 2018, samengevat weergegeven, een deskundige benoemd, onderzoeksvragen geformuleerd, procedurevoorschriften gegeven en iedere verdere beslissing aangehouden. Nadat op 6 september 2018 een tweede mondelinge behandeling had plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij eindbeschikking van 12 september 2018 het verzoek tot voortgezet verblijf toegewezen tot en met 6 september 2019.
Van deze beschikking is cassatie ingesteld. Het middel klaagt dat de rechtbank, door een en ander na te laten, niet ‘speedily’ heeft beslist als bedoeld in art. 5 lid 4 EVRM en evenmin heeft gewaakt tegen onredelijke vertraging van de procedure als bedoeld in art. 20 Rv. Gelet op het onredelijke tijdsverloop, termijnoverschrijdingen en andere vertragende onregelmatigheden in de procedure, had de rechtbank de geldigheidsduur van de door haar verleende machtiging moeten verkorten tot 6 juni 2019.
De Hoge Raad overweegt in zijn beschikking van 28 juni 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1054) (FJR 2020/13.11), dat de Wet Bopz geen bepalingen bevat over het geding na cassatie en verwijzing. Meer in het bijzonder bepaalt de Wet Bopz niet binnen welke termijn de rechtbank na cassatie en verwijzing moet beslissen op het verzoek van de officier van justitie. De door art. 5 lid 4 EVRM gestelde eis dat de rechter spoedig (“speedily”) beslist over de rechtmatigheid van iedere vrijheidsbeneming geldt echter voor elke fase van een procedure op de voet van de Wet Bopz, en dus ook voor het geding na cassatie en verwijzing. Bovendien is het voorschrift van art. 20 Rv dat de rechter waakt tegen onredelijke vertraging van de procedure ook van toepassing op het geding na cassatie en verwijzing in een procedure op de voet van de Wet Bopz.
Anders dan het middel betoogt, leent het voorschrift van art. 17 lid 2 Wet Bopz, dat de rechter binnen vier weken na het indienen van het verzoekschrift beslist over de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf, zich niet voor overeenkomstige toepassing in het geding na cassatie en verwijzing. Op grond van art. 16 lid 4 Wet Bopz wordt tegelijk met het in art. 17 lid 2 Wet Bopz bedoelde verzoekschrift een geneeskundige verklaring overgelegd, welke verklaring dus al is opgesteld vóór het indienen van het verzoekschrift en daarmee vóór aanvang van de termijn van vier weken van art. 17 lid 2 Wet Bopz. Bij aanvang van het geding na cassatie en verwijzing ontbreekt doorgaans een geneeskundige verklaring van een psychiater die – zoals volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is vereist – de betrokkene kort tevoren heeft onderzocht, zodat in voorkomend geval eerst gelegenheid moet worden geboden een dergelijke verklaring op te stellen en in te dienen. Denkbaar is ook dat de uitspraak van de Hoge Raad vergt dat nog andere handelingen moeten worden verricht voordat de rechtbank kan beslissen op het verzoek van de officier van justitie.
Het vorenstaande is grond om als regel te aanvaarden dat in beginsel binnen vier weken na de uitspraak van de Hoge Raad een mondelinge behandeling plaatsvindt, en dat de rechtbank in beginsel binnen vier weken na die mondelinge behandeling beslist op het verzoek van de officier van justitie, dan wel de zaak aanhoudt met het oog op een nader deskundigenonderzoek.
De rechtbank had dus in beginsel binnen vier weken na de beschikking van de Hoge Raad van 9 februari 2018 een mondelinge behandeling moeten laten plaatsvinden, dat wil zeggen uiterlijk op 9 maart 2018. In beginsel binnen vier weken nadien – dat wil zeggen uiterlijk op 6 april 2018 – had de rechtbank moeten beslissen tot aanhouding van de zaak met het oog op het doen verrichten van het door betrokkene gewenste nader deskundigenonderzoek. Deze aanhouding had in beginsel niet langer dan twee maanden mogen duren, dat wil zeggen tot uiterlijk 6 juni 2018. De rechtbank had binnen vier weken na laatstgenoemd tijdstip moeten beslissen op het verzoek van de officier van justitie, dat wil zeggen uiterlijk op 4 juli 2018.
De eerste mondelinge behandeling in het geding na cassatie en verwijzing heeft plaatsgevonden op 1 mei 2018, bijna drie maanden na de beschikking van de Hoge Raad. De rechtbank heeft noch in haar tussenbeschikking, noch in haar eindbeschikking gemotiveerd welke omstandigheden deze vertraging rechtvaardigen. Weliswaar is pas op 6 april 2018 een nieuwe geneeskundige verklaring afgegeven (zie hiervoor in 2.6), maar niet blijkt dat deze verklaring niet eerder beschikbaar had kunnen zijn. Ook overigens is in de beschikkingen van de rechtbank en de stukken van het geding geen verklaring te vinden voor het tijdsverloop tussen de beschikking van de Hoge Raad en de eerste mondelinge behandeling. In de brief van de rechtbank van 28 februari 2018 (zie hiervoor in 2.5), die dateert van bijna drie weken na de beschikking van de Hoge Raad, wordt geen nadere handeling aangekondigd of van de advocaat van betrokkene verlangd.
De op het vorenstaande gerichte klacht van het middel is gegrond. Nu tussen de beschikking van de Hoge Raad (9 februari 2018) en de eerste mondelinge behandeling (1 mei 2018) niet de nodige voortvarendheid is betracht en niet kenbaar is welke omstandigheden de vertraging rechtvaardigen, ziet de Hoge Raad aanleiding om de geldigheidsduur van de verleende machtiging te bekorten met zeven weken, dus tot 19 juli 2019.
Op 18 juli 2019 heeft de officier van justitie twee verzoeken ingediend bij de Rechtbank Rotterdam, te weten een verzoek tot een voorlopige machtiging en een verzoek tot een voorwaardelijke machtiging. Op 14 augustus 2019 zijn voormelde verzoeken behandeld door deze rechtbank, waarbij het verzoek tot een voorwaardelijke machtiging is toegewezen en het verzoek tot een voorlopige machtiging is afgewezen.
Het verzoek strekt tot toekenning van een schadevergoeding van in totaal € 530,-, omdat de rechtbank de wettelijke beslistermijn heeft overschreden.
In haar beschikking van 19 september 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:7866) (FJR 2020/13.12), oordeelt de rechtbank als volgt.
In art. 35 Wet Bopz is, voor zover hier van belang, bepaald dat indien degene ten aanzien van wie de officier een verzoek heeft gedaan tot het verlenen van een machtiging nadeel heeft geleden doordat de rechter een van de bepalingen in hoofdstuk II Wet Bopz niet in acht heeft genomen, de rechter op verzoek van de betrokkene een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toekent ten laste van de Staat. In art. 9 lid 1 Wet Bopz is bepaald dat de rechter (op een verzoek tot een voorlopige machtiging) binnen drie weken beslist indien de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft. De verzoeken tot een voorlopige machtiging en een voorwaardelijke machtiging zijn op 18 juli 2019 bij de rechtbank ingediend. Drie weken later, te weten op 8 augustus 2019, was de uiterste beslisdatum. Aangezien de rechtbank pas op 14 augustus 2019 haar beslissing op voornoemde verzoeken heeft gegeven, staat vast dat zij de beslistermijn met zes dagen heeft overschreden.
De rechtbank is gelet op hetgeen door verzoeker is aangevoerd van oordeel dat er sprake is van nadeel voor verzoeker. Verzoeker heeft door de overschrijding van de beslistermijn langer in onzekerheid verkeerd dan nodig was. De overschrijding heeft ook bijgedragen aan een langere vrijheidsbeneming zonder geldige titel. De rechtbank acht het verzochte bedrag van € 250,- aan immateriële schadevergoeding billijk. De rechtbank zal dit deel van het verzoek daarom toewijzen. Omdat het verzoek wordt toegewezen, wordt ook de verzochte proceskostenveroordeling toegewezen.

 

4. Het Gevaarscriterium

 

In deze zaak verbleef betrokkene krachtens een rechterlijke machtiging in de HIC-kliniek te Heerenveen van GGZ Friesland. Aan betrokkene is een ‘aanzegging tot dwangbehandeling’ uitgereikt, ondertekend door de toen behandelend psychiater. Hierin is vermeld dat de dwangbehandeling is gebaseerd op ‘extern gevaar’, een duur heeft van maximaal drie maanden, en zal bestaan in het toedienen van depotmedicatie. Betrokkene heeft bij de klachtencommissie van GGZ Friesland een klacht ingediend tegen deze beslissing van de behandelaar en verzocht om schorsing van de beslissing tot dwangbehandeling. De klachtencommissie heeft de klacht ongegrond verklaard. Betrokkene heeft zijn klacht op de voet van art. 41a lid 1 Wet Bopz voorgelegd aan de rechtbank. Op het moment van de mondelinge behandeling van de klacht was betrokkene overgeplaatst van de HIC-kliniek te Heerenveen naar kliniek ‘De Flinter’ te Franeker van GGZ Friesland. De rechtbank heeft de klacht ongegrond verklaard en het verzoek tot schorsing van de beslissing tot dwangbehandeling afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft betrokkene cassatieberoep ingesteld.
De Hoge Raad oordeelt in zijn beschikking van 19 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1277) (FJR 2020/13.13), als volgt.
Art. 38c lid 1 Wet Bopz bepaalt dat dwangbehandeling kan plaatsvinden (a) voor zover aannemelijk is dat zonder die behandeling het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene doet veroorzaken niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen (het ‘externe-gevaarscriterium’), of (b) voor zover dit volstrekt noodzakelijk is om het gevaar af te wenden dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene binnen de inrichting doet veroorzaken (het ‘interne-gevaarscriterium’). Art. 38c lid 2 Wet Bopz schrijft voor dat dwangbehandeling plaatsvindt krachtens een schriftelijke beslissing van de behandelaar. In de beschikking van de Hoge Raad van 21 september 2018 heeft de Hoge Raad voor het interne-gevaarscriterium van art. 38c lid 1, aanhef en onder b, Wet Bopz onder meer beslist dat bij overplaatsing van een patiënt naar een ander psychiatrisch ziekenhuis, de behandelaar van die patiënt in dat ziekenhuis (opnieuw) moet beoordelen of (ook) in dat ziekenhuis dwangbehandeling volstrekt noodzakelijk is, en of is voldaan aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Bij een bevestigende beantwoording van deze vragen moet de behandelaar een schriftelijke beslissing tot (voortzetting van de) dwangbehandeling nemen op de voet van art. 38c lid 2 Wet Bopz.
Het onderdeel betoogt dat ook voor een dwangbehandeling op grond van het externe-gevaarscriterium van art. 38c lid 1, aanhef en onder a, Wet Bopz geldt dat na een overplaatsing naar een ander psychiatrisch ziekenhuis, de behandelaar in dat andere ziekenhuis opnieuw moet beoordelen of dwangbehandeling moet plaatsvinden en, zo ja, welke dwangbehandeling en voor hoe lang.
Als een patiënt na uitreiking van een schriftelijke beslissing tot dwangbehandeling wordt overgeplaatst naar een ander psychiatrisch ziekenhuis, zal dat doorgaans leiden tot wijziging van de behandelaar en de verantwoordelijk geneesheer-directeur. De wetgever heeft niet alleen aan de behandelaar bevoegdheden toegekend bij de dwangbehandeling, maar ook aan de geneesheer-directeur. De geneesheer-directeur informeert de inspectie over de dwangbehandeling en het beëindigen daarvan (art. 38c lid 5 Wet Bopz). Bij dwangbehandeling op grond van extern gevaar is niet de behandelaar, maar de geneesheer-directeur degene die uiteindelijk beslist over voortzetting van de dwangbehandeling, dan wel over een nieuwe dwangbehandeling binnen zes maanden na afloop van de termijn van de vorige dwangbehandeling (art. 38c lid 3 Wet Bopz). Daarmee is beoogd de beslissing “op een hoger niveau in de organisatie” te laten nemen. Hieruit valt af te leiden dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat ieder psychiatrisch ziekenhuis op dit punt beleid dient te voeren, en dat de behandelaar die de beslissing tot dwangbehandeling neemt en de geneesheer-directeur verbonden zijn aan het psychiatrisch ziekenhuis waar de behandeling plaatsvindt. Op grond van het voorgaande moet worden aangenomen dat hetgeen is overwogen in de hiervoor genoemde beschikking van 21 september 2018, ook geldt voor een dwangbehandeling die berust op het externe-gevaarscriterium van art. 38c lid 1, aanhef en onder a, Wet Bopz. Na overplaatsing van een patiënt naar een ander psychiatrisch ziekenhuis moet de behandelaar van die patiënt in dat andere ziekenhuis dan ook (opnieuw) beoordelen of aannemelijk is dat zonder dwangbehandeling het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene doet veroorzaken, niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen. Bij een bevestigende beantwoording van die vraag moet de behandelaar in dat andere ziekenhuis een schriftelijke beslissing tot (voortzetting van de) dwangbehandeling nemen op de voet van art. 38c lid 2 Wet Bopz. Is voldaan aan de voorwaarden van art. 38c lid 3 Wet Bopz dan geschiedt de (voortzetting van de) dwangbehandeling slechts krachtens een schriftelijke beslissing van de geneesheer-directeur van dat andere ziekenhuis.
Betrokkene stelt de vraag aan de orde of overplaatsing van de kliniek te Heerenveen naar de kliniek te Franeker geldt als overplaatsing naar een ander psychiatrisch ziekenhuis.
Onder een psychiatrisch ziekenhuis wordt ingevolge art. 1, aanhef en onder h, Wet Bopz verstaan: een door de minister (van thans: VWS) als ‘psychiatrisch ziekenhuis’ aangemerkte zorginstelling of afdeling daarvan. De op dit voorschrift gebaseerde Regeling aanmerking psychiatrisch ziekenhuis Bopz bepaalt in art. 1 lid 1 dat als zodanig worden aangemerkt “de zorginstellingen en afdelingen van zorginstellingen, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling”. In de per 1 april 2018 geldende bijlage is zowel de kliniek van GGZ Friesland te Heerenveen als de kliniek van GGZ Friesland te Franeker opgenomen. Deze klinieken zijn dus afzonderlijk aangemerkt als ‘psychiatrisch ziekenhuis’. Dat beide klinieken tot dezelfde ‘instelling’ als bedoeld in art. 1, onder k, Wet Bopz behoren, maakt dat niet anders. Het onderdeel slaagt voor zover het oordeel van de rechtbank erop berust dat de door de toenmalige behandelaar in de kliniek te Heerenveen genomen beslissing tot dwangbehandeling zonder meer kan worden uitgevoerd in de kliniek te Franeker. Voor zover het oordeel erop berust dat betrokkene bij de overplaatsing van de kliniek te Heerenveen naar de kliniek te Franeker binnen hetzelfde, voor de Wet Bopz als zodanig aangemerkte psychiatrisch ziekenhuis is gebleven, slaagt dit onderdeel.
Bij beschikking van 8 april 2019 (ECLI:NL:RBMNE:2019:1706) (FJR 2020/13.14), heeft de Rechtbank Midden-Nederland het verzoek van de officier van justitie van 4 maart 2019 tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging toegewezen.
Betrokkene is niet gehoord, omdat hij niet bereikbaar was. Hij heeft in het verleden altijd te kennen gegeven geen bemoeienis te willen van de GGZ.
Betrokkene is ontslagen uit de instelling, omdat de risico’s voor gevaar ook aanwezig waren binnen de instelling. Zo heeft hij gepoogd zich in de instelling te verhangen, omdat hij niet in de instelling wil verblijven. Hij is ook meerdere malen ontsnapt uit de instelling door een raam of iets dergelijks te demonteren. Betrokkene is erg handig op dat vlak en de instelling waarin hij was opgenomen heeft een te laag beveiligingsniveau om hem binnen te kunnen houden. Hij heeft het behandelplan met de voorwaarden getekend. Er zijn ernstige zorgen over de algemene veiligheid en de openbare orde door een incident dat heeft plaatsgevonden in de thuissituatie bij betrokkene. Betrokkene heeft vanuit zijn psychotisch toestandsbeeld en wanen de gasleiding(en) van het blok woningen waarin hij woont doorgezaagd, waardoor er een hoeveelheid gas is ontsnapt, die ook buren in gevaar heeft gebracht. De gemeente wil daarom dat betrokkene er niet langer blijft wonen. De woningen direct naast hem staan nu allemaal leeg en worden door de woningbouwstichting niet verhuurd, omdat niemand naast de betrokkene wil en durft te wonen. Er wordt gekeken om betrokkene onder bewind te stellen, waardoor geregeld kan worden dat hij zou kunnen doorstromen naar beschermd wonen. Door de gestelde voorwaarden is er vanuit de hulpverlening in ieder geval zicht op betrokkene. Betrokkene accepteert wel medicatie zij het minder dan de wenselijke hoeveelheid. Dit kan mogelijk leiden tot een toename van de paranoïde wanen. De sociaal psychiatrisch verpleegkundige (spv-er) heeft onlangs nog geconstateerd betrokkene delen van het stucwerk van de muren van zijn woning heeft weggehaald, omdat hij denkt dat hij bekeken en/of afgeluisterd wordt vanachter het stucwerk.
De rechtbank is op grond van de overgelegde stukken en de door haar gehouden verhoren en verkregen inlichtingen tot de overtuiging gekomen dat betrokkene is gestoord in zijn geestvermogens en dat de stoornis van de geestvermogens, te weten schizofrenie, de betrokkene gevaar doet veroorzaken. De rechtbank is van oordeel dat het gevaar, met name het gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen, buiten een psychiatrisch ziekenhuis op dit moment nog kan worden afgewend maar slechts door het stellen en naleven van voorwaarden. De rechtbank oordeelt dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Ondanks dat betrokkene niet ter zitting is verschenen, komt de rechtbank, gelet op de verklaring van de psychiater en de ambulant begeleider, tot het oordeel dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de gestelde voorwaarden zal naleven. Zolang betrokkene niet wordt opgenomen is een voorwaardelijke machtiging dringend nodig om met name het gevaar voor de algemene veiligheid af te wenden.
De rechtbank merkt hierbij wel op dat er op dit moment al signalen zijn dat de betrokkene aan het afglijden is, hetgeen mogelijk het gevolg is van het feit dat hij een lagere dosering medicatie neemt dan door de behandelaren als wenselijk wordt gezien. De rechtbank heeft daarnaast sterk de indruk dat bij het ontslag van de betrokkene uit de instelling met name zijn belang voorop heeft gestaan en niet dat van de veiligheid van de maatschappij. Dat laatste belang is toch ook echt een belang dat door de Wet Bopz wordt beschermd. De rechtbank wijst erop dat er instellingen in het arrondissement zijn met een hoger beveiligingsniveau dan dat van de instelling waarin betrokkene enkele keren is ontsnapt. Tot slot acht de rechtbank het feit dat de woningen naast die van betrokkene leeg staan omdat niemand naast hem wil of durft te wonen, gezien de bestaande woningnood, maatschappelijk onaanvaardbaar. In de stukken wordt mededeling gedaan van het psychiatrisch ziekenhuis dat bereid is betrokkene op te nemen als deze de voorwaarden niet naleeft of het gevaar niet langer buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend door de naleving van de voorwaarden. De rechtbank verleent een voorwaardelijke machtiging voor de duur van 6 maanden.

 

5. Wraking

 

De procedure die heeft geleid tot de beschikking van Hoge Raad van 1 november 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1691) (FJR 2020/13.15), ging voornamelijk over de vraag of de rechter nog steeds bevoegd was om de zaak inhoudelijk te behandelen nadat betrokkene een wrakingsverzoek had gedaan. In eerste instantie heeft de officier van justitie aan de rechtbank verzocht om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling te verlenen. De enkelvoudige kamer van de Rechtbank Den Haag heeft het verzoek mondeling behandeld. Tijdens deze zitting heeft betrokkene een verzoek gedaan tot wraking van de rechter. De rechter heeft de behandeling van de zaak geschorst in afwachting van de beslissing op dit wrakingsverzoek.
In cassatie klaagt onderdeel A van het middel dat de behandelend rechter niet langer bevoegd was om de door de officier van justitie gevraagde machtiging te verlenen vanaf het moment dat het wrakingsverzoek werd gedaan. Volgens onderdeel B waren er geen redenen om aan te nemen dat uitstel van de beslissing door de rechter tegen wie het wrakingsverzoek zich richtte, niet kon worden gedoogd. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
De Hoge Raad overweegt dat art. 37 lid 5 Rv bepaalt dat aanstonds na een verzoek tot wraking de behandeling van de zaak wordt geschorst. Deze schorsing duurt in beginsel voort totdat de wrakingskamer op het wrakingsverzoek heeft beslist. Onverkorte toepassing van art. 37 lid 5 Rv kan echter in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval in strijd komen met andere wettelijke bepalingen of fundamentele rechtsbeginselen en daarmee gediende belangen. De eisen van een goede procesorde kunnen daarom meebrengen dat, ondanks het bepaalde in art. 37 lid 5 Rv, de rechter tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, in de zaak handelingen mag verrichten of beslissingen mag nemen die geen uitstel dulden en ten aanzien waarvan de beslissing op het wrakingsverzoek dus niet kan worden afgewacht. Gelet op het belang van een procespartij om voordat in haar zaak een beslissing wordt genomen het wrakingsverzoek te laten beoordelen, mag de mogelijkheid om ondanks de schorsende werking van een wrakingsverzoek de zaak zelf te beslissen, alleen bij uiterste noodzaak worden gebruikt. Daarbij valt te denken aan beslissingen ten aanzien van zeer spoedeisende, noodzakelijke voorzieningen. De rechter die geheel of gedeeltelijk de zaak beslist terwijl nog geen beslissing is genomen op een tegen hem gericht wrakingsverzoek, zal in de uitspraak moeten motiveren waarom de beslissing geen uitstel duldt en de beslissing op het wrakingsverzoek dus niet kan worden afgewacht.
De regeling van wraking van rechters, neergelegd in de art. 36-39 Rv, is ook van toepassing op een machtigingsprocedure op de voet van de Wet Bopz. Indien in een procedure tot het verlenen van een machtiging uit hoofde van de Wet Bopz een wrakingsverzoek wordt gedaan, geldt als uitgangspunt dat de rechter tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, niet op het verzoek tot het verlenen van de machtiging mag beslissen zolang niet op het wrakingsverzoek is beslist. Indien de behandelend rechter niet in de wraking berust, zal zo spoedig mogelijk door een wrakingskamer op het wrakingsverzoek moeten worden beslist. In zodanig geval is art. 48 lid 2 Wet Bopz van overeenkomstige toepassing totdat op het wrakingsverzoek is beslist en de rechter (bij gegrondbevinding van het wrakingsverzoek: een andere rechter) het noodzakelijke onderzoek ter zake van de gevraagde machtiging heeft kunnen verrichten en daarop heeft beslist. Dit betekent dus dat de geneesheer-directeur tot dat moment geen ontslag verleent uit het ziekenhuis, ondanks het verstreken zijn van de wettelijke beslistermijn. Het belang van betrokkene om vooraf het wrakingsverzoek te laten beoordelen gaat in dat geval boven het belang van een rechterlijke beslissing binnen de wettelijke beslistermijn.
Gelet zowel op het mede door art. 5 lid 4 EVRM gewaarborgde belang dat spoedig wordt beslist op een verzoek tot onvrijwillige vrijheidsbeneming in het algemeen, als op de korte wettelijke beslistermijn die geldt voor een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling in het bijzonder (art. 29 lid 3 Wet Bopz), ziet de Hoge Raad aanleiding te bepalen dat in een geval als het onderhavige op laatstgenoemd verzoek moet worden beslist binnen een termijn van vijf dagen, te rekenen vanaf de dag na die van het indienen van het wrakingsverzoek. Op deze termijn is de Algemene termijnenwet van toepassing. Indien deze termijn is verstreken, is art. 48 lid 2 Wet Bopz niet langer van overeenkomstige toepassing. Art. 48 lid 1, aanhef en onder c, Wet Bopz, dat bepaalt dat de geneesheer-directeur de betrokkene ontslag uit het ziekenhuis verleent zodra de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken, geldt vanaf dat moment dus onverkort.
Opmerking verdient nog dat bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat de hiervoor genoemde termijn van vijf dagen in redelijkheid niet haalbaar is en dat de rechter, hoewel op een tegen hem gericht wrakingsverzoek nog niet is beslist, toch op het verzoek van de officier van justitie moet beslissen. In dat geval geldt hetgeen hiervoor is overwogen. De rechter zal dan in de beschikking moeten motiveren welke bijzondere omstandigheden meebrengen dat de hiervoor bedoelde termijn niet kan worden gehaald en welke bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat de rechter tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, op het verzoek van de officier van justitie beslist. In het licht van het voorgaande zijn de hiervoor genoemde klachten van de onderdelen A en B gegrond. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat betrokkene gedurende een termijn van vijf dagen na de dag waarop het wrakingsverzoek werd gedaan, niet uit de kliniek kon worden ontslagen. Er bestond dus nog geen noodzaak voor de rechter tegen wie het wrakingsverzoek was gericht, om op het verzoek tot het verlenen van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling te beslissen. De overige in de onderdelen A en B geformuleerde klachten behoeven geen behandeling.
Het middel klaagt, in onderdeel C, ook dat aan betrokkene het recht is onthouden om te worden gehoord op het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, doordat de rechter – nadat zij ter zitting de behandeling van de zaak had geschorst – diezelfde dag toch op het verzoek heeft beslist zonder de behandeling van de zaak te heropenen. Volgens de klacht is dit in strijd met art. 8 leden 1 en 9 Wet Bopz, in verbinding met art. 5, 6 en 13 EVRM. Hierin ligt de klacht besloten dat betrokkene in haar verdedigingsmogelijkheden is geschaad, omdat het horen van betrokkene nog niet was voltooid toen de behandeling van de zaak werd geschorst.
Ook deze klacht slaagt. Uit het proces-verbaal blijkt dat, nadat betrokkene zelf kort het woord had gevoerd, de behandeling van de zaak is geschorst. Betrokkene en haar advocaat zijn door de schorsing niet in de gelegenheid geweest zich over het verzoek van de officier van justitie uit te laten. Niet is gebleken dat betrokkene of haar advocaat afstand hebben gedaan van het recht om op het verzoek van de officier van justitie te worden gehoord. Door op het verzoek te beslissen zonder dat de mondelinge behandeling was voortgezet, heeft de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor geschonden.
Opmerking verdient dat het belang dat spoedig wordt beslist over de rechtmatigheid van een onvrijwillige vrijheidsbeneming met zich kan brengen dat de rechter, ondanks een tegen hem gericht wrakingsverzoek, de behandeling ter zitting voltooit, zonder nog de zaak zelf te beslissen. Dit laat onverlet dat indien het wrakingsverzoek gegrond wordt bevonden, betrokkene in beginsel recht heeft op een hernieuwde behandeling ten overstaan van een rechter die alsdan op het verzoek tot het verlenen van de machtiging beslist.

Voetnoten
[1]
Mr. P. (Pieter) Dorhout is advocaat te Egmond.


Contactgegevens

  • Mosselaan 67
  • 1934 RA Egmond aan den Hoef
  • This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
Copyright © 2021 Advocatenkantoor Pieter Dorhout