Kroniek Relatievermogensrecht FJR 2016/24

FJR 2016/24

Kroniek Relatievermogensrecht

Auteurs: Mr. P. Dorhout en mr. C. de Bie-Koopman

Deze kroniek behandelt belangrijke uitspraken van het afgelopen jaar op het gebied van het relatievermogensrecht.

Huwelijkse voorwaarden

Huwelijkse voorwaarden blijven een voortdurende bron van twist en dus van jurisprudentie. Een groot aantal zaken zou mogelijk voorkomen kunnen worden wanneer de notaris aan het begin van de huwelijkse voorwaarden een uitgebreide considerans zou opnemen (waarom stellen de toekomstige echtgenoten de voorwaarden op, wat zijn de beweegredenen, wat hebben zij voor ogen?), zodat haviltexen achteraf (vaak heel wat jaren later) niet meer nodig is. Daarnaast zou het handig zijn wanneer de toekomstige echtgenoten vervolgens een spoorboekje zouden meekrijgen waarin staat hoe zij in hun geval conform de huwelijkse voorwaarden zouden moeten handelen (“denk erom, hou de bankrekeningen gescheiden”, etc.).

De uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:1932) (FJR2016/24.1) benadrukt het belang van het zorgvuldig laten opstellen van de bij de akte van huwelijks voorwaarden behorende staat van aanbrengsten én het voeren van een goede administratie tijdens het huwelijk. Partijen waren gehuwd onder uitsluiting van een gemeenschap van goederen met uitzondering van een gemeenschap van inboedel. Daarnaast was er bepaald dat er in geval van scheiding zou worden afgerekend alsof er een algehele gemeenschap van goederen had bestaan, echter met uitzondering van de aangebrachte goederen. Op de staat van aanbrengsten stonden niet vermeld de door de vrouw aangebrachte forse geldbedragen, die zij overigens reeds tijdens de samenleving op een gemeenschappelijke rekening had gestort. Volgens de vrouw was dat ook niet nodig, omdat partijen op de staat van aanbrengsten alleen de inboedelzaken en andere met name genoemde zaken hadden vermeld die buiten de gemeenschap van inboedel zouden blijven. Andere dan inboedelgoederen zouden nooit gemeenschappelijk zijn en hoefden daarom niet op de staat van aanbrengsten te worden vermeld, aldus de vrouw.

De man wees op het feit dat het de bedoeling van partijen was geweest om, bij het einde van het huwelijk, alle vermogensbestanddelen in de verrekening te betrekken, met uitzondering van de goederen vermeld op de lijst van aanbrengsten, en voerde daartoe allerlei feiten en omstandigheden aan.

Het Hof verwijst naar het Haviltex-criterium en loopt alle omstandigheden na. Op de lijst van aanbrengsten van de vrouw staan niet vermeld de in geschil zijnde geldbedragen terwijl deze wel onder het begrip ‘goederen’ vallen (art. 3:1 BW). Partijen hebben verder steeds samengeleefd als ware zij gehuwd in gemeenschap van goederen; ook daarbij past de in de huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekening. Verder is relevant dat de bedoelde geldbedragen niet tijdens maar ruim vóór het huwelijk van partijen, in hun periode van samenwoning, op een gezamenlijke bankrekening zijn gestort op welke rekening door de man werd gespaard. Omdat ten tijde van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden en het huwelijk de bedoelde geldbedragen al geruime tijd niet meer op een privérekening van de vrouw stonden maar op een door partijen gebruikte gezamenlijke rekening, had het – ingeval de op de gezamenlijke rekening gestorte gelden niettemin tot het privévermogen van de vrouw gerekend zouden moeten worden – voor de hand gelegen daar expliciet in de huwelijkse voorwaarden melding van te maken. Dit is niet gebeurd.

Door echter reeds vóór het aangaan van de huwelijkse voorwaarden haar gelden op een gezamenlijke rekening met de man te storten en deze rekening, waarop ook van de man afkomstige gelden geruime tijd gezamenlijk te gebruiken heeft de vrouw de bedoelde gelden feitelijk gezamenlijk gemaakt. Er is daardoor immers vermenging opgetreden.

Ook de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 april 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:796) (FJR 2016/24.2) benadrukt het belang van het zorgvuldig administreren van alle geldstromen tijdens het huwelijk. Het gaat in deze zaak om huwelijkse voorwaarden met een niet-nagekomen periodiek verrekenbeding. Het bewijsvermoeden uit art. 1:141 lid 3 BW kan genadeloos uitpakken. De man stelde dat de voormalige echtelijke woning, die op naam stond van de vrouw, tot het te verrekenen vermogen behoort. De vrouw dacht daar anders over, en vond dat de woning van haar was. Beide partijen stelden een deel van de aankoopsom te hebben voldaan, en investeringen te hebben gedaan in de woning, voldaan uit overgespaard inkomen, uit verkregen erfenissen dan wel uit schenkingen van ouders. Het hof kan echter uit de overgelegde stukken niet opmaken wie een deel van de aankoopsom heeft betaald, wie investeringen heeft gedaan voor verbouwingen en renovatie en met welk geld die zijn verricht. Het hof neemt daarom tot uitgangspunt dat de echtelijke woning een vermogensbestanddeel is dat geacht wordt te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden.

Gelukkig kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen toepassing van het bewijsvermoeden van art.1:141 lid 3 BW (Rechtbank Rotterdam 3 juli 2015; ECLI:NL:RBROT:2015:5118) (FJR2016/24.3), en deze uitspraak staat in die zin weer haaks op de hierboven vermelde uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. De vrouw stelt dat zij gedurende het huwelijk van partijen in ieder geval een bedrag van € 282.802 aan schenkingen heeft verkregen van haar ouders. De man erkent dat de vrouw een bedrag aan schenkingen heeft ontvangen van € 175.405. Door de man is erkend dat er nog gelden van de schenkingen/erfenissen aanwezig moeten zijn op de rekeningen of in de lijfrentepolissen, doch hij stelt dat het aan de vrouw is om te bewijzen op welke rekening deze staan of ten behoeve van welke polis de schenkingen zijn aangewend. De vrouw stelt hiertoe niet in staat te zijn, doordat de man tijdens het gehele huwelijk met geld heeft geschoven. Door de man is erkend dat hij de financiën beheerde en dat hij er telkens naar streefde drie gelijke “potten” te creëren, namelijk een pot voor de vrouw, een pot voor de man en een pot voor partijen tezamen. Bij het creëren van die “potten” werden de verschillende vermogens heen en weer geschoven. Het doel hiervan was drieledig, zo blijkt uit de stellingen van de man, namelijk een zo hoog mogelijk rendement behalen, hoge successierechten voorkomen en tot slot risicospreiding.

Weliswaar is vast komen te staan dat partijen uit het inkomen ook konden sparen, doch het vermogen dat partijen hierdoor hebben gevormd is ook (in ieder geval deels) weer uitgegeven. Het voorgaande overziend is er volgens de rechtbank voldoende aanleiding om aan te nemen dat het totale vermogen dat partijen gezamenlijk op de peildatum hadden voor een aanzienlijk deel afkomstig is uit schenkingen van de ouders aan de vrouw en dus afkomstig van het privévermogen van de vrouw. Het feit dat de vrouw niet kan aantonen welk deel precies afkomstig is uit schenkingen vindt zijn oorzaak in de wijze waarop de man tijdens het huwelijk de financiën van partijen heeft beheerd. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat voor wat betreft het privévermogen van de vrouw de eisen van redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen toepassing van het bewijsvermoeden vanart. 1:141 lid 3 BW. Het ligt dus op de weg van de man om voldoende onderbouwd te stellen en bij betwisting te bewijzen dat het privévermogen van de vrouw afkomstig is uit hetgeen verrekend had moeten worden.

Tot slot de sanctie bij het verzwijgen van een goed. Art. 1:135 lid 3 BW bepaalt dat een echtgenoot die opzettelijk een tot het te verrekenen vermogen behorend goed verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, waardoor de waarde ervan niet in de verrekening is betrokken, de waarde daarvan niet dient te verrekenen, maar geheel aan de andere echtgenoot dient te vergoeden.

In de bij de Hoge Raad voorliggende zaak ging het om een door partijen bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodiek verrekenbeding waaraan geen uitvoering was gegeven. De rechtbank had op verzoek van de vrouw de omvang van de verrekeningsvordering vastgesteld. In hoger beroep heeft de vrouw gevorderd de man te veroordelen de waarde van een tweetal verzekeringspolissen geheel aan haar te vergoeden, stellende dat de man het bestaan van de desbetreffende polissen opzettelijk voor haar had verzwegen en dat zij het bestaan ervan eerst onlangs bij toeval had ontdekt. Het hof heeft deze vordering toegewezen. Hiertegen richt zich het middel met het betoog dat de sanctie van art. 1:135 lid 3 BW buiten toepassing dient te blijven indien tijdens de procedure waarin de verrekening wordt vastgesteld, verzwegen vermogen alsnog in de verrekening wordt betrokken, waarbij onder ‘procedure’ ook de appelprocedure behoort te worden begrepen. De Hoge Raad is het daarmee niet eens. Uit de voorwaarde dat het achterhouden van een vermogensbestanddeel tot gevolg heeft gehad dat de waarde ervan niet in de verrekening is betrokken, volgt dat eerst een beroep op de sanctie kan worden gedaan nadat verrekening heeft plaatsgevonden. De verrekening vindt plaats doordat de echtgenoten vaststellen welke verplichtingen resulteren uit het door hen in het verrekentijdvak verkregen inkomen en vermogen, of doordat de rechter die vaststelling doet. In het laatste geval ontstaan de door de verrekening in het leven geroepen verplichtingen door en op het moment van de uitspraak; niet is vereist dat deze in kracht van gewijsde is gegaan. Hieruit vloeit voort dat, indien een van de echtgenoten na de uitspraak waarbij de verrekening is vastgesteld, ontdekt dat de ander een goed dat tot het te verrekenen vermogen behoort opzettelijk heeft verzwegen, zoek heeft gemaakt of verborgen heeft gehouden, eerstgenoemde zich in een eventuele appelprocedure op de sanctie van art. 1:135 lid 3 BW kan beroepen en de daaruit voortvloeiende vordering in die procedure kan instellen (Hoge Raad 4 december 2015;ECLI:NL:HR:2015:3475) (FJR 2016/24.4).

GEMEENSCHAP

Is het leerstuk van de zaaksvervanging van toepassing op de wettelijke gemeenschap van goederen? De regeling van art. 1:124 lid 2 (oud) BW is verplaatst naar art. 95 BW, dat deel uitmaakt van de regeling van de wettelijke gemeenschap van goederen. Voor de eerste zin van art. 1:95 lid 1 BW, waarvan de inhoud overeenkomt met art. 1:124 lid 2 (oud) BW, is geen overgangsrecht vastgesteld. De bepaling heeft onmiddellijke werking. In de MvT is daarover vermeld (Kamerstukken II 2002/03, 28867, nr. 3, p. 31):

“Het voorgestelde artikel 95 is nieuw en bevat een zaaksvervangingsregel. Voorheen was deze regel voor de beperkte gemeenschappen van winst en verlies en van vruchten en inkomsten opgenomen in artikel 124, tweede lid. Algemeen wordt aangenomen dat deze regel ook analoog van toepassing is op de wettelijke gemeenschap van goederen. Op dit punt bestaat dus geen noodzaak om een regel van overgangsrecht op te stellen.”

De Hoge Raad had hierover op 1 mei 2015 te oordelen (ECLI:NL:HR:2015:1199) (FJR 2016/24.5). Bij de rechter lag voor de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Gedurende het huwelijk heeft de man van zijn ouders een perceel gekocht, waarop later de echtelijke woning is gebouwd. De koopsom voor de grond bedroeg ƒ 52.000. De man heeft dit geld van zijn ouders geleend. Tegelijk met de levering van de grond aan de man hebben zijn ouders van deze lening een bedrag van ƒ 34.996 kwijtgescholden, onder de uitdrukkelijke bepaling dat het geschonken bedrag niet in enige gemeenschap van goederen zal vallen. De lening van het geldbedrag van ƒ 52.000 alsmede de levering van de grond en kwijtschelding van het bedrag van ƒ 34.996 hebben alle op dezelfde dag plaatsgevonden. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de echtelijke woning tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort en dat de man een deel van de waarde toekomt ter grootte van de door diens ouders geschonken aankoopsom voor het perceel. De man is van mening dat de woning niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort, maar zijn privé-eigendom is, en dat ter zake geen verrekening hoeft plaats te vinden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij het perceel met van zijn ouders verkregen privégeld heeft gekocht, zodat dit via zaaksvervanging zijn privé-eigendom is geworden (art. 1:124 lid 2 (oud) BW).

Het hof heeft overwogen dat de koopsom van het perceel voor meer dan de helft ten laste van het privévermogen van de man is gekomen en dat analoge toepassing van art. 1:124 lid 2 (oud) BW (zaaksvervanging) meebrengt dat het perceel met daarop de echtelijke woning niet in de gemeenschap is gevallen en dus niet voor verdeling in aanmerking komt. De Hoge Raad kan dit billijken. Niet in geschil is dat de door de ouders en de man gehanteerde constructie is gekozen uit erfrechtelijke motieven, zoals het vermijden van het destijds aan schenking van een goed verbonden risico van aantastbaarheid daarvan vanwege een beroep op de legitieme portie. Door onder deze omstandigheden doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de strekking van het samenstel van rechtshandelingen en te oordelen dat de tegenprestatie voor de overdracht van het perceel ten belope van het onder de voorwaarde van uitsluiting kwijtgescholden bedrag, ten laste van het privévermogen van de man is gekomen, heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Er zijn vaak geschillen over bankopnames in het licht van de naderende echtscheiding. Zo ook in de zaak die voorlag bij het Gerechtshof Amsterdam (1 september 2015; ECLI:NL:GHAMS:2015:3592) (FJR 2016/24.6). Het hof vindt dat de bewijslast moet worden omgedraaid op het moment dat een van de partijen grote geldbedragen heeft verbruikt. Vaststaat in deze zaak dat de peildatum voor de omvang van huwelijksgoederengemeenschap 9 december 2013 is, en dat het saldo van de spaarrekening van partijen op de peildatum € 99,63 bedroeg. Blijkens een bankafschrift bedroeg het saldo op de betreffende rekening op 9 september 2013 echter nog € 27.014,80. De man heeft over het saldo op de spaarrekening beschikt en nu vaststaat dat het tot de gemeenschap behorende spaartegoed in de periode gelegen tussen voornoemde data met afgerond € 27.000,- is afgenomen, ligt het volgens het hof in beginsel op de weg van de man hierover deugdelijk verantwoording af te leggen.

Wat is het verschil tussen het vaststellen of gelasten van de verdeling? Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch legt dat haarfijn uit in de uitspraak van 24 november 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4741(FJR 2016/24.7), zie ook:ECLI:NL:RBAMS:2015:9150) (FJR 2016/24.8). Voor een nader begrip van de vaststelling van de verdeling door de rechter zelf wijst het hof op de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 12 januari 2007, RvdW 2007/88:

“Indien vaststelling van de verdeling door de rechter wordt gevorderd, waartoe de eiser niet terstond een bepaalde wijze van verdeling behoeft voor te stellen, kan ieder van de betrokken partijen naar voren brengen hoe naar haar zienswijze de goederen moeten worden verdeeld, zonder dat de rechter gebonden is aan hetgeen partijen aldus voorstellen. Deze rechterlijke vrijheid wordt verklaard door de aard van de adiudicatio. Omdat partijen zelf er niet uitkomen, vragen zij de rechter om de verdeling van een gemeenschap voor hen vast te stellen. Als wijzen van verdeling komen in aanmerking: de toedeling van een gedeelte van het/de te verdelen goed(eren) aan ieder van de deelgenoten, een overbedeling van één of meer deelgenoten tegen vergoeding van de overwaarde of de verdeling van de netto-opbrengst na verkoop van het goed of de goederen. Wil ooit een verdeling tot stand kunnen komen (…) dan heeft de rechter veel vrijheid nodig om zelf kavels vast te stellen, met de kavelindeling te schuiven en/of te switchen tussen een toedeling in gelijke delen en een overbedeling met vergoeding van de overwaarde, zonder al te zeer te zijn gebonden aan de voorstellen van partijen daaromtrent. Weliswaar bestaat ook hier een grens in de vorm van het verbod van zgn. “verrassingsbeslissingen”, maar in de regel dienen partijen op voorhand er rekening mee te houden dat de rechter naar eigen inzicht de verdeling maakt.”

SAMENLEVERS

Het Haviltex-criterium komt steeds vaker naar voren bij de uitleg van een samenlevingsovereenkomst. Bij de uitleg van de overeenkomst moet niet alleen worden gelet op de bewoordingen daarvan, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Zie Rechtbank Midden-Nederland 18 maart 2015 (ECLI:NL:RBMNE:2015:1562) (FJR 2016/24.9)

en Gerechtshof Amsterdam 28 april 2015(ECLI:NL:GHAMS:2015:1621) (FJR 2016/24.10).

WONING

Een probleem waar vrijwel alle scheidende echtgenoten mee te maken krijgen die een gezamenlijke woning hebben is de vraag wie de kosten van deze woning betaalt gedurende de echtscheidingsperiode. In beginsel zouden beide echtgenoten als deelgenoten tot het onroerend goed op grond van art. 3:172 BW ieder de helft van alle kosten daarvan moeten dragen en zou de echtgenoot die het uitsluitende gebruik heeft van het onroerend goed een gebruiksvergoeding aan de andere echtgenoot moeten betalen voor het gebruik van de onverdeelde helft van het onroerend goed. Dit is een onpraktische oplossing, omdat er verschillen zullen ontstaan over de hoogte van de gebruiksvergoeding en van de kosten van telefoon, gas, water en elektriciteit. In de praktijk betaalt meestal degene die de woning gebruikt de lasten en wordt geen gebruiksvergoeding betaald. Dit gebruik is door de eerstelijns rechtspraak omgezet in een vuistregel, die weliswaar eenvoudig is, maar niet altijd rechtvaardig. In haar beschikking van 30 december 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:15431) (FJR 2016/24.11) wees de Rechtbank Den Haag het verzoek van de man te bepalen dat aan hem een fors groter deel van de opbrengst van de spaarpolissen toekomt omdat hij sinds april 2006 alle daaraan verbonden premies (grotendeels) heeft betaald af en ook de door de vrouw gevorderde forse gebruiksvergoeding voor het exclusief gebruik van het registergoed sinds april 2006. Naar het oordeel van de rechtbank is het immers het meest in overeenstemming met de feitelijke gedragslijn van partijen sinds april 2006 en met de tussen deze man en deze vrouw als deelgenoten geldende redelijkheid en billijkheid tijdens de lange periode van onverdeeldheid van april 2006 tot juli 2015, dat de man in de onderlinge verhouding met de vrouw alle aan dat registergoed verbonden lasten moet dragen in ruil voor zijn exclusief gebruik daarvan (en dus bij wijze van gebruiksvergoeding aan de vrouw). Het is wel de vraag hoe deze regel wordt toegepast indien partijen gedurende een deel van de periode waarbij een van de echtgenoten uitsluitend in de gemeenschappelijke woning woonde de lasten van de woning hebben gedeeld.

Er ontstaat ook een probleem indien de echtgenoot die de woning bij uitsluiting bewoonde een nieuwe woning vindt en de gezamenlijke woning verlaat. Wie betaalt dan de kosten van die woning? Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch bepaalde in zijn beschikking van 3 maart 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:641) (FJR 2016/24.12) dat dan de hoofdregel van art. 3:172 BW weer in werking treedt. De man had de echtelijke woning verlaten, omdat hij over een sociale huurwoning kon gaan beschikken. Het hof is van oordeel dat hij die keuze redelijkerwijs mocht maken. Het feit dat de man de woning zonder overleg met de vrouw heeft verlaten maakt dat niet anders, nu zij kennelijk niet wilde terugkeren in de woning en ook harerzijds geen initiatieven heeft ontplooid om tot verhuur van die woning te geraken.

De Rechtbank Amsterdam geeft in haar beschikking van 23 december 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:9649) (FJR2016/24.13) helder weer hoe je een gemeenschappelijke woning moet verdelen. Ingevolge art. 3:185 lid 1 BW kan de rechter, voor zover de deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, op vordering van de meest gerede partij de wijze van verdeling gelasten of zelf de verdeling vaststellen, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. De vrouw krijgt eerst de gelegenheid om te onderzoeken of de woning aan haar kan worden toegedeeld tegen een bedrag dat zal worden getaxeerd door een makelaar met een gezamenlijke opdracht van partijen. De kosten van deze taxatie dienen door partijen bij helfte te worden gedeeld. Zij krijgt daarvoor een termijn van zes maanden. De rechtbank bepaalt dat indien dit binnen de gestelde termijn niet lukt, de woning aan een derde zal worden verkocht en dat partijen zullen worden veroordeeld aan deze verkoop en levering mee te werken. Hierna zal de overwaarde gelijkelijk tussen partijen worden verdeeld.

Het Gerechtshof ‘s-Gravenhage geeft in zijn beschikking van 28 januari 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:128) (FJR2016/24.14) in eenzelfde soort zaak een soortgelijk spoorboekje ter verdeling van een gezamenlijke woning. In dit geval achtte het hof aannemelijk dat de man de woning niet zou kunnen overnemen en gelastte direct verkoop van de woning aan een derde door partijen. Het hof overwoog nog dat in redelijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden dat thans een kostbare en tijdrovende waardering zal plaatsvinden, terwijl nadien zou kunnen blijken dat de man niet in staat is de voormalige echtelijke woning te financieren.

Het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden geeft in zijn beschikking van 1 oktober 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:7374) (FJR 2016/24.15) antwoord op de vraag of een gebruiksvergoeding ook bij voorlopige voorzieningen kan worden gevraagd. Het hof is van oordeel dat ook in een geval waarin de vrouw in het kader van voorlopige voorzieningen het exclusief gebruik van de gemeenschappelijke woning ten behoeve van haar en de kinderen toegewezen heeft gekregen, van haar een gebruiksvergoeding kan worden gevraagd voor de periode tot aan inschrijving van de beschikking ontbinding geregistreerd partnerschap. De man heeft er in beginsel recht op schadeloos te worden gesteld voor het feit dat hij verstoken blijft van het gebruik en het genot van de woning waarop hij als mede-eigenaar rechtens aanspraak kan maken. Een gebruiksvergoeding kan ook in het kader van de procedure tot het verkrijgen van voorlopige voorzieningen worden toegekend als daartoe naar aanleiding van de omstandigheden van het geval aanleiding bestaat (zie o.m. HR 15 oktober 1993, NJ 1994/63). Echter, in het onderhavige geval is een verzoek tot het vaststellen van een gebruiksvergoeding in het kader van de voorlopige voorzieningen niet gedaan en bij de vaststelling van de voorlopige kinderalimentatie is rekening gehouden met de woonlasten. Het is in strijd met de redelijkheid en billijkheid om achteraf nog een gebruiksvergoeding vast te stellen.

Het Gerechtshof Den Haag heeft op 23 september 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:2564) (FJR 2016/24.16) beslist dat de echtelijke woning verkocht moest worden. De man voerde aan dat hij verwachtte dat de waarde van de woning in 2016 zou stijgen, de vrouw wilde echter nu verdelen om schulden te kunnen aflossen. Het hof overweegt dat niemand in beginsel in een onverdeelde boedel behoeft te blijven. Slechts indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, kan de rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, op verlangen van een deelgenoot een of meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren een vordering tot verdeling uitsluiten. Het hof is van oordeel dat het door de man gestelde belang niet groter is dan het belang van de vrouw om over te gaan tot verdeling. Het is niet waarschijnlijk dat er sprake zal zijn van een restschuld na verkoop van de woning. Bovendien heeft de vrouw een zwaarwegend belang bij verkoop van de woning, omdat met de verzilvering van het beleggingsdepot de huwelijkse schulden geheel of gedeeltelijk kunnen worden afgelost. Het belang van de man, namelijk een mogelijk hogere waarde van de echtelijke woning in 2016 betreft een onzekere toekomstige omstandigheid, die, naar het oordeel van het hof, niet kan prevaleren boven het belang van de vrouw bij een verdeling.

Als de woning van een van de echtgenoten wordt verkocht, er geen gemeenschap van goederen is en de aflossingen op de hypotheek worden aangemerkt als investeringen in de woning met overgespaard inkomen, hoe moet je dan het aandeel van de andere echtgenoot berekenen? Deze vraag beantwoordt het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch in zijn beschikking van 27 juli 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:2759) (FJR 2016/24.17) met behulp van de rekenmethode, zoals onder andere gehanteerd in HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4387. Het aandeel van de man in de waarde van de woning van de vrouw is als volgt te berekenen: er dient een breukgetal te worden vastgesteld waarvan de teller bestaat uit het bedrag dat uit overgespaarde inkomsten is afgelost op de hypothecaire leningen en de noemer uit de waarde van de woning ten tijde van de aankoop en het resultaat daarvan te vermenigvuldigen met de waarde van de woning op de peildatum van € 550.000,-. Nu de vrouw verder onbetwist heeft gesteld dat het bedrag dat uit overgespaarde inkomsten is afgelost op de hypothecaire geldleningen in totaal € 21.403,69 bedraagt en de waarde van de woning ten tijde van de aankoop € 176.974,28 bedroeg, komt het voorgaande neer op een bedrag van ((€ 21.403,69 : € 176.974,28) x € 550.000,- =) € 66.518,31. De man heeft aanspraak op de helft daarvan, dus € 33.259,15.

VERKNOCHTHEID

Zowel goederen als schulden kunnen verknocht zijn. In beginsel zijn op grond van art.1:94 lid 5 BW alle schulden (derhalve zowel de schulden die vóór als de schulden die tijdens het huwelijk zijn aangegaan) gemeenschappelijk, ongeacht de vraag wie van beide echtgenoten de schuld is aangegaan. Op grond van art. 1:94 lid 3 BW vallen goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze zijn verknocht, slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. Blijkens rechtspraak van de Hoge Raad (waaronder ECLI:NL:HR:2008:BE9080) hangt het antwoord op de vraag of een goed op bijzondere wijze aan een van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt af van de aard van dat goed, zoals die mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.

In zijn beschikking van 10 december 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:9886) (FJR 2016/24.18) heeft het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden een oordeel moeten geven over de vraag of de ontbindingsvergoeding van € 60.000 bruto die de vrouw van haar voormalige werkgever heeft ontvangen en die bedoeld is ter aanvulling van het inkomen verknocht is aan de vrouw en niet verdeeld hoeft te worden, zoals de rechtbank had bepaald. Het hof oordeelde dat een dergelijke vergoeding in beginsel is verknocht. Het hof is evenwel van oordeel dat het feit dat partijen – en dus ook de vrouw – de ontbindingsvergoeding hebben aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze blijkens de beschikking van de kantonrechter was bestemd, met zich brengt dat van verknochtheid geen sprake (meer) kan zijn. Gebleken is namelijk dat partijen deze bruto ontbindingsvergoeding in gezamenlijk overleg hebben aangewend voor de aankoop van de tot de gemeenschap behorende echtelijke woning.

Ook op 10 december 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:9887) (FJR 2016/24.19) gaf hetzelfde Gerechtshof Arnhem Leeuwarden een beschikking over verknochtheid. In geschil is of de schuld aan de woonstichting van € 8.000,- in verband met schade die is ontstaan doordat in de woning een hennepkwekerij werd gehouden, een schuld is die aan de man is verknocht. Het hof geeft eerst het toetsingskader en overweegt dan dat de vraag of een schuld wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan aan één van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed respectievelijk de schuld in de gemeenschap valt niet in zijn algemeenheid kan worden beantwoord. De beantwoording is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed respectievelijk die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Daarbij bestaat geen grond te bezien of de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de deelgenoten beheerst in een andere richting wijzen. De redelijkheid en billijkheid zijn al verdisconteerd in de maatstaf van de maatschappelijke opvattingen. Deze objectieve maatstaf dient de rechtszekerheid die voor de omvang van de huwelijksgemeenschap belangrijk is in verband met rechten van derden. De schuld wordt daarom niet verknocht geacht. Zie ook de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 november 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:9015) (FJR 2016/24.20) waarbij een ontnemingsvordering van het openbaar ministerie wegens invoer van cocaïne ook niet verknocht werd geacht, omdat de andere echtgenoot profijt had gehad van de strafbare feiten.

De Rechtbank Den Haag oordeelde in een echtscheidingsbeschikking van 29 september 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:11584) (FJR 2016/24.21) over de verknochtheid van een verzameling Lego. De rechtbank overweegt dat van verknochtheid van goederen in de zin van art. 1:94 BW van het sprake is indien en voorzover een goed een zodanige band heeft met de persoon van een van de echtgenoten, dat het ongewenst is dat een of meer van de gevolgen die verbonden zijn aan het vallen in de gemeenschap met betrekking tot dat goed intreden. Hoewel de rechtbank kan begrijpen dat de man een grote gehechtheid heeft aan de genoemde stukken, is in casu geen sprake van onvervreemdbare en hoogstpersoonlijke goederen of rechten die zijn verbonden met de persoon van de man. Ondanks de bijzondere affectiewaarde zijn de gevolgen van het in de gemeenschap vallen van de verzameling Lego juridisch niet ongewenst. Immers, de verzameling Lego kan aan de man worden toegedeeld en de waarde worden verrekend.

De Hoge Raad heeft beslist dat een stamrechtuitkering verknocht is wanneer duidelijk is dat de voorziening bedoeld is om inkomstendervingen op te vangen c.q. aan te vullen. Het Gerechtshof Den Haag oordeelde in zijn beschikking van 30 september 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:3883) (FJR 2016/24.22) over de verknochtheid van een stamrechtverplichting als volgt. Of er sprake is van verknochtheid is afhankelijk van de aard van het goed naar maatschappelijke normen bezien. Naar maatschappelijke normen bezien behoren uitkeringen uit hoofde van een stamrecht die plaats hebben na de ontbinding van het huwelijk aangemerkt te worden als verknocht indien de uitkering betrekking heeft op nadien gederfde of te derven arbeidsinkomsten. Partijen behoeften in de huwelijkse periode de stamrechtuitkering niet te gebruiken, aangezien de man over voldoende arbeidsinkomsten beschikte. Indien in de huwelijkse periode stamrechtuitkeringen zouden zijn verricht, zouden deze conform de vaste rechtspraak van de Hoge Raad in de huwelijksgemeenschap vallen. Nu tussen partijen vaststaat dat in de huwelijkse periode geen uitkering heeft plaatsgevonden en uit de stamrechtovereenkomst evident voortvloeit dat het stamrecht betrekking heeft op suppletie van arbeidsinkomen, is het hof van oordeel dat de rechten voortvloeiende uit de stamrechtovereenkomst aan de man verknocht zijn.

Bij beschikking van het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden van 1 december 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:9095) (FJR 2016/24.23) heeft het hof een oordeel gegeven over de verknochtheid van een letselschade-uitkering. Het hof overweegt dat het niet nodig is te bezien of de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de deelgenoten beheerst in een andere richting wijzen. De redelijkheid en billijkheid zijn al verdisconteerd in de maatstaf van de maatschappelijke opvattingen. Deze objectieve maatstaf dient de rechtszekerheid die voor de omvang van de huwelijksgemeenschap belangrijk is in verband met rechten van derden (HR 3 november 2006,ECLI:NL:HR:2006:AX8843). De man heeft voldoende aangetoond dat de schadevergoeding uit verschillende componenten heeft bestaan en dat (in ieder geval) een gedeelte van de schadevergoeding zag op smartengeld. Het hof is van oordeel dat, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, alleen ten aanzien van de component smartengeld door de man voldoende is gesteld om aan te nemen dat dit deel van de letselschade-uitkering als verknocht moet worden beschouwd. Het psychisch en fysiek leed dat de man als gevolg van het ongeval heeft ervaren, hetgeen door de vrouw niet is betwist, in een periode waarin hij nog geen relatie had met de vrouw, maakt dat dit onderdeel wegens het hoogstpersoonlijke karakter aan de man is verknocht. Met betrekking tot de overige aan de man uitgekeerde componenten, waarbij volgens de man sprake zou zijn van de componenten: verminderd arbeidsvermogen, economische kwetsbaarheid, verlies aan zelfwerkzaamheid/werkzaamheden, heeft de man, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, meer in het bijzonder dat de man geen verlies aan verdiencapaciteit heeft ondervonden als gevolg van de door de man gevolgde en door de verzekeraar vergoede opleiding, niet, althans onvoldoende aangetoond dat deze vanwege het hoogstpersoonlijk karakter daarvan aan hem zijn verknocht. Dat ook het door de man als smartengeld ontvangen bedrag inmiddels is aangewend voor onder meer de bouw van een huis en de aanschaf van twee auto’s, doet aan de verknochtheid niet af.


Contactgegevens

  • Mosselaan 67
  • 1934 RA Egmond aan den Hoef
  • This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
Copyright © 2021 Advocatenkantoor Pieter Dorhout